Adoptie en de toestemming van de ouders van de geadopteerde

eye.gif (4900 bytes)

Art. 348.  1. (Wanneer de afstamming van een minderjarig kind of van een onbekwaamverklaarde ten aanzien van zijn vader en van zijn moeder vaststaat, moeten beiden in de adoptie toestemmen. Indien echter een van hen overleden is, zich in de onmogelijkheid bevindt zijn wil te kennen te geven, afwezig verklaard is of geen bekend verblijf heeft, is de toestemming van de andere voldoende.)
(Evenzo is de toestemming van de moeder voldoende, wanneer het kind, geboren uit een gehuwde vrouw die gescheiden leeft van haar man, ten aanzien van deze laatste geen bezit van staat heeft en wanneer :
1. de echtgenoten ten tijde van de verwerking niet feitelijk herenigd zijn geweest;
2. de geboorte van het kind voor de man niet verborgen is gehouden;
3. het kind geboren is :
a) hetzij meer dan 300 dagen (na de inleidingszitting bedoeld in artikel 1258 van het Gerechtelijk Wetboek en geen proces-verbaal van verzoening is opgemaakt) of na de verklaring bedoeld in artikel 1289 van hetzelfde Wetboek;
b) hetzij meer dan 300 dagen na een beschikking van de vrederechter gegeven krachtens artikel 223 van dit Wetboek waarbij de echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken;
c) hetzij meer dan 300 dagen na het begin van de scheiding, wanneer de echtscheiding is (uitgesproken) krachtens artikel 232 van dit Wetboek.)
(Wanneer beide ouders van het minderjarige kind of van de onbekwaamverklaarde overleden zijn, afwezig zijn verklaard, zich in de onmogelijkheid bevinden hun wil te kennen te geven of geen bekend verblijf hebben, wordt de toestemming gegeven door de voogd. Hetzelfde geldt wanneer de afstamming van het minderjarige kind of van de onbekwaamverklaarde ten aanzien van geen van beide ouders vaststaat.
In geval van adoptie door de voogd wordt de toestemming gegeven door de toeziende voogd. Indien de belangen van de toeziende voogd tegengesteld zijn aan die van de minderjarige, wordt de toestemming gegeven door een voogd ad hoc die de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aanwijst op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings.)
(Wanneer beide ouders van het minderjarig kind of van de onbekwaamverklaarde overleden zijn, afwezig verklaard zijn, zich in de onmogelijkheid bevinden hun wil te kennen te geven of geen bekend verblijf hebben, wordt de toestemming gegeven door de familieraad. Hetzelfde geldt wanneer de afstamming van het minderjarig kind of van de onbekwaamverklaarde niet vaststaat.)
(Deze toestemmingen kunnen eerst twee maanden na de geboorte van het kind worden gegeven.)