De wet op de inpandgeving van de handelszaak van 25 oktober 1919 

De wet op de inpandgeving van de handelszaak anno 2006:

Hoofdstuk I. Van het pand der handelszaak

Art. 1 De handelszaak kan, onder de bij deze wet bepaalde omstandigheden, in pand worden gegeven.

Art. 2 : Het pand omvat het geheel der waarden die de handelszaak uitmaken, met name de klandizie, het uithangbord, de handelsinrichting, de merken, het recht op de huurceel, het mobilair van het magazijn en het gereedschap, dat alles behoudens strijdig beding.

Het mag den aanwezigen voorraad opgeslagen waren, tot een bedrag van 50 t.h. hunner waarde, omvatten.

Art. 3 : Het pand wordt gevestigd bij authentieke of bij onderhandse akte.

Art. 4 : De pandakte verkrijgt openbaarheid door de inschrijving er van in een afzonderlijk register, daartoe gehouden in het kantoor der hypotheken van het gerechtelijk arrondissement binnen welks gebied de handelszaak is gevestigd.

In de gerechtelijke arrondissementen waar verschillende hypotheekkantoren zijn gevestigd, wijst de Regeering datgene onder die kantoren aan, dat met de inschrijving van de panden der handelszaken is belast.

Om de inschrijving te doen, legt de schuldeischer, hetzij zelf, hetzij door tusschenkomst van een derde, aan den hypotheekbewaarder een uitgifte der pandakte voor, indien deze een authentieke akte is, of een der exemplaren in duplo, indien het een onderhandse akte geldt. Hij voegt er twee op gezegeld papier geschreven borderellen bij, waarvan het eene op de uitgifte van den titel kan gebracht worden. Deze borderellen bevatten:

1° Den naam, de voornamen, de woonplaats en het beroep van den schuldeischer met keuze van woonplaats in het arrondissement waar het kantoor is gelegen;

2° Den naam, de voornamen, de plaats en den datum van geboorte, de woonplaats en het beroep van den bezwaarden eigenaar;

3° De bijzondere aanwijzing van de in pand gegeven handelszaak, het nummer van inschrijving in het handelsregister en de vermelding of het pand al dan niet den aanwezigen voorraad opgeslagen waren bevat;

4° De bijzondere aanwijzing van de akte die het pand vestigt en de dagteekening der akte;

5° Het beloop van het kapitaal en van de bijkomende zaken tot het bedrag waarvan de inschrijving wordt gevorderd en den termijn voor welken het pand is gegeven.

De bezwaarde eigenaar wordt vermeld op de wijze voorgeschreven bij de artikelen 139 en 140 van de hypotheekwet van 16 december 1851.

De akte behelst insgelijks de opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister, van den eigenaar van de in pand gegeven handelszaak.

Art. 4bis De inschrijvingen worden in de bij de artikelen 92 tot 95 der hypotheekwet voorziene voorwaarden doorgehaald of verminderd.

De doorhaling of de vermindering kan, evenwel, door den bewaarder gedaan worden krachtens een geregistreerde onderhandse akte, opgemaakt in twee origineelen waarvan een vrij is van zegel, en op voorlegging van het borderel waarin de inschrijving van het pand is aangehaald. Op dat borderel vermeldt de bewaarder de algeheele of gedeeltelijke doorhaling van de inschrijving.

De overlegging van het borderel van inschrijving wordt insgelijks gevorderd wanneer de akte authentiek is, indien deze krachtens een onderhandsche lastgeving is verleden.

Art. 5 De bewaarder vermeldt in zijn register den inhoud der bordereelen. Den verzoeker overhandigt hij het afschrift der titels en één der bordereelen, aan den voet waarvan hij bevestigt dat hij de inschrijving heeft gedaan, tevens den datum, het boek en het rangnummer daarvan aanduidende.

Het weglaten van één of van meer der hierboven voorgeschreven formaliteiten brengt dan alleen de nietigheid mede, wanneer daardoor schade wordt berokkend aan derden.

Art. 6 Artikel 87 der hypotheekwet is in dezen van toepassing.

Art. 7 :  Het pand op een handelszaak kan bij het begin enkel worden gegeven aan kredietinstellingen die een vergunning hebben verkregen in één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap alsook aan de bij koninklijk besluit bepaalde financiële instellingen.

Art. 8 Hij die zijn handelszaak in pand heeft gegeven wordt, door het feit zelf der inpandgeving, tot bewaarder van de bestanddeelen van het pand aangesteld.

De bedrieglijke vervreemding of de bedrieglijke verplaatsing van alle of van een gedeelte van die bestanddeelen, is strafbaar met de straffen voorzien bij artikel 491 van het Wetboek van Strafrecht. Al de bepalingen van boek I van het Wetboek van Strafrecht, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn op bedoeld misdrijf van toepassing.

Art. 9 : De inschrijving behoudt het pand gedurende tien jaren.

De regelmatig genomen inschrijving ten behoeve van den schuldeischer die het voordeel van het in pand geven van de handelszaak geniet, stelt dezen schuldeischer vrij van het verzet dat bij artikel 609 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is voorzien.

Art. 10 Het beding van verbod tot afstand van huur kan niet worden ingeroepen tegen den pandhebbenden schuldeischer of tegen zijne rechtverkrijgenden die denzelfden handel in den verhuurden eigendom voortzetten en dezen genoegzaam van meubelen voorzien.

Art. 11 

I. Tegelijk met de in mora-stelling beteekend aan den ontleener, en zonder toelating van den rechter, kan de schuldeischer ten bate van wien een handelszaak in pand werd gegeven, tot zekerheid van de hem verschuldigde bedragen al de elementen welke de in pand gegeven handelszaak vormen, doen in beslag nemen.

II. Hij kan ook de grondstoffen, het materieel en de gereedschappen in beslag nemen wanneer deze zonder zijn toestemming werden verplaatst, en hij behoudt daarop zijn voorrecht mits hij het binnen den tijd van zes maanden heeft opgeëischt.

Hij die ze te goeder trouw heeft verkregen kan echter artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek aanvoeren.

III. De beslagene kan steeds als bewaarder aangesteld worden.

IV. Tot den verkoop op de krachtens voorgaande bepalingen gedane inbeslagnemingen, kan slechts worden overgegaan, nadat deze op de vordering van den schuldeischer die de vervolging instelt, door den voorzitter van de rechtbank van koophandel geldig werden verklaard. Ingevolge die vordering wordt gehandeld op de wijze voorzien bij artikel 12.

Art. 12 Het te gelde maken van de in pand gegeven handelszaak moet worden vervolgd overeenkomstig de artikelen 4 tot 10 van titel I der wet van 5 mei 1872, welke titel VI van het Wetboek van Koophandel uitmaakt.

De voorzitter kan den schuldeischer toelating verleenen om de handelszaak hetzij in haar geheel, hetzij bij deelen te verkoopen.