Burgerlijk Wetboek

Boek 1 : Pesonen: Titel IV. - Afwezigen

Wettekst voor de wetswijziging van 2007:

HOOFDSTUK I. - VERMOEDEN VAN AFWEZIGHEID.

  Art. 112. Wanneer het nodig is te voorzien in het beheer van het geheel of van een gedeelte der goederen, achtergelaten door een vermoedelijk afwezige persoon die geen gevolmachtigde heeft, wordt door de rechtbank van eerste aanleg op vordering van de belanghebbende partijen daaromtrent beschikt.

  Art. 113. Op verzoek van de meest gerede partij benoemt de rechtbank een notaris om de vermoedelijk afwezigen te vertegenwoordigen bij de boedelbeschrijvingen, rekeningen, verdelingen en vereffeningen waarbij zij betrokken zijn.

  Art. 114. Het openbaar ministerie is er in het bijzonder mede belast te waken over de belangen van de vermoedelijk afwezige personen; het wordt gehoord over alle rechtsvorderingen die hen aangaan.

  HOOFDSTUK II. - VERKLARING VAN AFWEZIGHEID.

  Art. 115. Wanneer een persoon opgehouden heeft te verschijnen daar waar hij zijn woonplaats of zijn verblijfplaats had, en men sinds vier jaren van hem geen tijding heeft ontvangen, kunnen de belanghebbende partijen zich tot de rechtbank van eerste aanleg wenden om de verklaring van afwezigheid te doen uitspreken.

  Art. 116. Om de afwezigheid vast te stellen beveelt de rechtbank, op grond van de overgelegde stukken en bescheiden, dat, op tegenspraak van de procureur des Konings, een getuigenverhoor zal worden gehouden in het arrondissement van de woonplaats, en in dat van de verblijfplaats, indien die van elkaar onderscheiden zijn.

  Art. 117. Wanneer de rechtbank over de vordering beslist, let zij tevens op de redenen van de afwezigheid en op de oorzaken die hebben kunnen verhinderen dat van de vermoedelijk afwezige persoon tijding werd ontvangen.

  Art. 118. De voorbereidende vonnissen zowel als de eindvonnissen worden, zodra zij gewezen zijn, door de procureur des Konings gezonden aan de Minister van Justitie, die ze openbaar maakt.

  Art. 119. Het vonnis van verklaring van afwezigheid wordt niet eerder gewezen dan één jaar na het vonnis waarbij het getuigenverhoor is bevolen.

  HOOFDSTUK III. - GEVOLGEN VAN AFWEZIGHEID.

  AFDELING I. - GEVOLGEN VAN AFWEZIGHEID TEN AANZIEN VAN DE GOEDEREN DIE DE AFWEZIGE BEZAT OP DE DAG VAN ZIJN VERDWIJNING.

  Art. 120. Ingeval de afwezige geen volmacht heeft achtergelaten voor het beheer van zijn goederen, kunnen zij die op de dag van zijn verdwijning of van zijn laatste tijding zijn vermoedelijke erfgenamen waren, uit kracht van het eindvonnis waarbij de verklaring van afwezigheid is uitgesproken, zich in het voorlopig bezit doen stellen van de goederen die aan de afwezige toebehoorden op de dag van zijn vertrek of van zijn laatste tijding, onder verplichting van borgstelling tot waarborg voor hun beheer.

  Art. 121. Indien de afwezige een volmacht heeft achtergelaten, kunnen zijn vermoedelijke erfgenamen de verklaring van afwezigheid en de voorlopige inbezitstelling niet eerder vorderen dan na verloop van tien volle jaren sinds zijn verdwijning of sinds zijn laatste tijding.

  Art. 122. Hetzelfde geldt indien de volmacht komt te eindigen, en in dit geval wordt in het beheer van de goederen van de afwezige voorzien, zoals in het eerste hoofdstuk van deze titel bepaald is.

  Art. 123. Wanneer de vermoedelijke erfgenamen de voorlopige inbezitstelling hebben verkregen, wordt het testament, indien er een bestaat, geopend op vordering van de belanghebbende partijen of van de procureur des Konings bij de rechtbank; en de legatarissen, de begiftigden, alsook allen die op de goederen van de afwezige rechten hadden welke van zijn overlijden afhankelijk zijn, kunnen deze rechten voorlopig uitoefenen, onder verplichting van borgstelling.

  Art. 124. <W 14-07-1976, art. IV, 2> De echtgenoot die onder het wettelijk stelsel is getrouwd, kan, indien hij de voortzetting van het stelsel verkiest, de voorlopige inbezitstelling, alsmede de voorlopige uitoefening van alle rechten die van het overlijden van de afwezige afhankelijk zijn, tegenhouden en het beheer van de goederen van de afwezige bij voorrang op zich nemen. Indien de echtgenoot de voorlopige ontbinding van het wettelijk stelsel vraagt, oefent hij zijn rechten van terugneming en alle hem door de wet of door overeenkomst toegekende rechten uit, onder verplichting zekerheid te stellen voor de goederen die voor teruggave vatbaar zijn.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 2 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen.>
  De in gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoot kan, indien hij de voortzetting van de gemeenschap verkiest, de voorlopige inbezitstelling, alsmede de voorlopige uitoefening van alle rechten die van het overlijden van de afwezige afhankelijk zijn, tegenhouden en het beheer van de goederen van de afwezige bij voorrang op zich nemen of behouden. Indien de echtgenoot de voorlopige ontbinding van de gemeenschap vraagt, oefent hij zijn rechten van terugneming en alle hem door de wet of door overeenkomst toegekende rechten uit, onder verplichting van borgstelling voor de goederen die voor teruggave vatbaar zijn.
  De vrouw die de voortzetting van de gemeenschap verkiest, behoudt het recht naderhand van de gemeenschap afstand te doen.

  Art. 125. Het voorlopig bezit is niet meer dan een bewaargeving, welke aan hen die het verkrijgen, het beheer over de goederen van de afwezige verschaft, en welke hen tegenover de afwezige rekenplichtig maakt, ingeval hij terugkeert of men van hem tijding ontvangt.

  Art. 126. Zij die de voorlopige inbezitstelling hebben verkregen, of de echtgenoot die (de voortzetting van het wettelijk stelsel) heeft verkozen, moeten een boedelbeschrijving van de roerende goederen en de papieren van de afwezige doen opmaken ten overstaan van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg of van een vrederechter, daartoe door dezelfde procureur des Konings aangezocht. <W 14-07-1976, art. IV, 2>
  De rechtbank gelast, indien daartoe redenen zijn, de verkoop van het geheel of van een gedeelte der roerende goederen. In geval van verkoop worden de prijs en de vervallen vruchten belegd.
  Zij die de voorlopige inbezitstelling hebben verkregen, kunnen, tot hun eigen zekerheid, verzoeken dat een door de rechtbank te benoemen deskundige de onroerende goederen zal bezichtigen, ten einde de toestand ervan vast te stellen. Zijn verslag wordt door de rechtbank gehomologeerd ten overstaan van de procureur des Konings; de kosten daarvan komen ten laste van de goederen van de afwezige.

  Art. 127. Zij die, ten gevolge van de voorlopige inbezitstelling of van het wettelijk beheer, het genot hebben gehad van de goederen van de afwezige, zijn slechts gehouden hem een vijfde van de inkomsten terug te geven, indien hij terugkeert binnen vijftien jaren na de dag van zijn verdwijning, en een tiende, indien hij eerst na vijftien jaren terugkeert.
  Na een afwezigheid van dertig jaren behoren alle inkomsten hun toe.

  Art. 128. Zij die enkel uit kracht van een voorlopige inbezitstelling het genot hebben, mogen de onroerende goederen van de afwezige noch vervreemden, noch met hypotheek bezwaren.

  Art. 129. Wanneer de afwezigheid dertig jaren lang heeft geduurd sinds de voorlopige inbezitstelling, of sinds het tijdstip dat de echtgenoot die in gemeenschap getrouwd is, het beheer van de goederen van de afwezige op zich genomen heeft, of wanneer er honderd jaren verlopen zijn sinds de geboorte van de afwezige, zijn de borgen bevrijd; alle rechthebbenden kunnen de verdeling van de goederen van de afwezige vorderen en de definitieve inbezitstelling door de rechtbank van eerste aanleg doen uitspreken.

  Art. 130. De erfenis van de afwezige valt open met de dag van zijn bewezen overlijden, ten voordele van hen die op dat tijdstip de naaste erfgenamen waren, en zij die van de goederen van de afwezige het genot mochten hebben gehad, zijn gehouden ze terug te geven, uitgezonderd de vruchten door hen ingevolge artikel 127 verkregen.

  Art. 131. Indien de afwezige terugkeert, of indien het bewijs van zijn bestaan geleverd wordt gedurende de voorlopige inbezitstelling, eindigen de gevolgen van het vonnis van verklaring van afwezigheid; onverminderd, zo daartoe grond bestaat, de bewarende maatregelen die voor het beheer van zijn goederen in het eerste hoofdstuk van deze titel zijn voorgeschreven.

  Art. 132. Indien de afwezige terugkeert of indien het bewijs van zijn bestaan geleverd wordt, zelfs na de definitieve inbezitstelling, verkrijgt hij zijn goederen terug in de staat waarin zij zich bevinden, de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, of de goederen die door belegging van zijn prijs van zijn verkochte goederen mochten zijn verkregen.

  Art. 133. De kinderen en verdere afstammelingen van de afwezige kunnen eveneens, binnen dertig jaren te rekenen van de definitieve inbezitstelling, de teruggave van zijn goederen vorderen, zoals in het vorige artikel bepaald is.

  Art. 134. Na het vonnis van verklaring van afwezigheid kan ieder die tegen de afwezige rechten mocht hebben uit te oefenen, deze alleen vorderen tegen hen die in het bezit van de goederen gesteld zijn of die daarover het wettelijk beheer hebben.

  AFDELING II. - GEVOLGEN VAN AFWEZIGHEID TEN AANZIEN VAN DE RECHTEN DIE AAN DE AFWEZIGE MOCHTEN OPKOMEN.

  Art. 135. Ieder die aanspraak maakt op een recht dat is opgekomen aan een persoon wiens bestaan niet erkend wordt, moet bewijzen dat die persoon in leven was op het tijdstip dat het recht is opgekomen; zolang hij dit niet bewijst, wordt zijn eis niet-ontvankelijk verklaard.

  Art. 136. Wanneer een erfenis openvalt waartoe een persoon geroepen is wiens bestaan niet erkend wordt, vervalt zij uitsluitend aan degenen met wie hij samen gerechtigd zou zijn geweest, of aan degenen die, bij gebreke van hem, de nalatenschap zouden hebben verkregen.

  Art. 137. De bepalingen van de twee vorige artikelen laten de rechtsvorderingen tot opvordering van nalatenschappen en andere rechten onverkort; deze rechten blijven toebehoren aan de afwezige of aan zijn vertegenwoordigers of rechtverkrijgenden, en gaan slechts teniet door verloop van de voor de verjaring gestelde termijn.

  Art. 138. Zolang de afwezige zich niet aanmeldt of de rechtsvorderingen niet van zijnentwege worden ingesteld, verwerven zij die de nalatenschap hebben verkregen, de door hen te goeder trouw geïnde vruchten.

  AFDELING III. - GEVOLGEN VAN AFWEZIGHEID TEN AANZIEN VAN HET HUWELIJK.

  Art. 139. Alleen de afwezige wiens echtgenoot een nieuw huwelijk heeft aangegaan, is ontvankelijk om tegen dat huwelijk op te komen, hetzij zelf, hetzij door een gevolmachtigde, voorzien van het bewijs dat hij nog in leven is.

  Art. 140. (Opgeheven) <W 14-05-1981, Art. 1>

  AFDELING IV. - GEVOLGEN VAN AFWEZIGHEID TEN AANZIEN VAN DE KINDEREN. <W 31-03-1987, art. 15>

  Art. 141. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 16>

  Art. 142. <W 2001-04-29/39, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien een van de ouders overleden is, wordt zes maanden na de verdwijning van de andere ouder het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen voorlopig geregeld overeenkomstig de artikelen 389 en volgende.
  Hetzelfde geldt wanneer de afstamming slechts vaststaat ten aanzien van een ouder en die verdwenen is.
  Op verzoek van het openbaar ministerie wordt een eensluidend verklaard afschrift van elk vonnis gewezen op grond van de artikelen 112, 113 of 117 toegezonden aan de vrederechter bevoegd voor de organisatie van de voogdij over de minderjarige kinderen.