Burgerlijk Wetboek
Boek 1 : Pesonen: Titel IV. - Afwezigen : Hoofdstuk I. Afwezigheid

Afdeling I. Vermoeden van afwezigheid

Art. 112 BW anno 2007:

§ 1. Wanneer een persoon sinds meer dan drie maanden niet meer verschijnt in zijn woon- of verblijfplaats en men van hem gedurende ten minste drie maanden geen nieuws heeft ontvangen en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of zijn dood, kan de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, het vermoeden van afwezigheid vaststellen.

§ 2. Een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid wordt door de griffier ter kennis gebracht van de vrederechter van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van de vrederechter van het eerste kanton te Brussel. De territoriaal bevoegde vrederechter handelt overeenkomstig artikel 113.

§ 3 Het openbaar ministerie is ermede belast te waken over de belangen van de vermoedelijk afwezigen. Het wordt gehoord over alle rechtsvorderingen die hen aangaan.

Wetsgeschiedenis