Burgerlijk Wetboek
Boek 1 : Pesonen: Titel IV. - Afwezigen : Hoofdstuk I. Afwezigheid

Afdeling I. Vermoeden van afwezigheid

Art. 117 BW anno 2007:

§ 1. Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis waarbij de rechtbank van eerste aanleg het vermoeden van afwezigheid heeft vastgesteld.
Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert of indien men van hem nieuws ontvangt tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de vermoedelijk afwezige, van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.
De vermoedelijk afwezige krijgt de goederen terug die tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid voor zijn rekening werden beheerd of verworven. De handelingen die de gerechtelijk bewindvoerder of de notaris bedoeld in artikel 116, tweede lid, op regelmatige wijze heeft verricht, kunnen hem worden tegengeworpen, behalve wanneer daarbij bedrog is gepleegd.

§ 2. Indien de vermoedelijk afwezige afwezig wordt verklaard, indien hij overleden is of indien hij gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.

§ 3. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 tot 1369 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de gerechtelijk bewindvoerder binnen dertig dagen na de beschikking waarmee een eind wordt gemaakt aan zijn mandaat, zijn eindverslag in ter griffie van het vredegerecht.
Indien de vermoedelijk afwezige gehuwd was op de dag van zijn verdwijnen en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen dat toebehoort aan de vermoedelijk afwezige en aan zijn echtgenoot, en dient hij de inventaris binnen de in § 1 bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht.
Indien de vermoedelijk afwezige wettelijk samenwoonde op de dag van zijn verdwijning en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn op grond van artikel 1478 en dient hij die inventaris binnen de in het eerste lid bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht. Hij handelt op dezelfde wijze ingeval de wettelijk samenwonende van de vermoedelijk afwezige na de vaststelling van het vermoeden van afwezigheid de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, tweede lid, beëindigt. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de gerechtelijk bewindvoerder in kennis van de beslissing om de wettelijke samenwoning te beëindigen.
Het eindverslag en, in voorkomend geval, de inventaris worden bij het dossier bedoeld in artikel 114, § 2, gevoegd.

Wetsgeschiedenis