Belgisch Burgerlijk Wetboek - Boek III - Titel XII. - Kanscontracten : Hoofdstuk II. - Contract van lijfrente

Afdeling I. - Voorwaarden die voor de geldigheid van het contract vereist zijn

Art. 1968. Lijfrente kan gevestigd worden onder bezwarende titel, tegen betaling van een som geld of tegen afstand van een geldswaardig roerend goed, of van een onroerend goed.

Art. 1969. Zij kan ook geheel om niet gevestigd worden, bij schenking onder de levenden of bij testament. Alsdan moeten de bij de wet voorgeschreven vormen worden in acht genomen.

Art. 1970. In het geval van het vorige artikel kan de lijfrente ingekort worden, indien zij het beschikbaar gedeelte overschrijdt; zij is nietig, indien zij gevestigd wordt ten behoeve van een persoon die onbekwaam is om bij schenking of bij testament te verkrijgen.

Art. 1971. Lijfrente kan gevestigd worden hetzij op het leven van hem die de prijs daarvoor verstrekt, hetzij op het leven van een derde die op het genot van de lijfrente geen recht heeft.

Art. 1972. Zij kan op het leven van een of meer personen gevestigd worden.

Art. 1973. Zij kan gevestigd worden ten behoeve van een derde, hoewel de prijs ervan door een ander persoon verstrekt wordt.
  In dit laatste geval is de lijfrente, al heeft zij de kenmerken van een gift, niet onderworpen aan de voor de schenkingen vereiste vorm, behoudens de gevallen van inkorting en van nietigheid, in artikel 1970 bepaald.

Art. 1974. Ieder contract van lijfrente, gevestigd op het leven van iemand die overleden was op de dag waarop het contract is aangegaan, is zonder gevolg.

Art. 1975. Hetzelfde geld voor het contract, waarbij de rente gevestigd is op het leven van iemand die reeds was aangetast door de ziekte waaraan hij binnen twintig dagen na de dagtekening van het contract is overleden.

Art. 1976. Lijfrente kan worden gevestigd tegen een rentevoet die de contracterende partijen goedvinden te bepalen.

Afdeling  II. - Gevolgen van het contract tussen de contracterende partijen