Burgerlijk Wetboek
Titel XI. - Bewaargeving en sekwester - Hoofdstuk II. - Eigenlijke bewaargeving

Afdeling II. - Vrijwillige bewaargeving

 Art. 1921. Vrijwillige bewaargeving komt tot stand door de wederzijdse toestemming van de bewaargever en de bewaarnemer.

  Art. 1922. Vrijwillige bewaargeving kan slechts wettig gedaan worden door de eigenaar van de in bewaring gegeven zaak, of met zijn uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming.

  Art. 1923. Vrijwillige bewaargeving moet door geschrift bewezen worden. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten voor een waarde die ((375 EUR)) te boven gaat. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 1924. Wanneer een bewaargeving die ((375 EUR)) te boven gaat, niet door geschrift bewezen is, wordt hij die als bewaarnemer wordt aangesproken, op zijn woord geloofd, hetzij betreffende het feit van de bewaargeving zelf, hetzij betreffende de zaak die het voorwerp ervan uitmaakte, hetzij betreffende de teruggave daarvan. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 1925. Vrijwillige bewaargeving kan alleen plaatshebben tussen personen die bekwaam zijn om contracten aan te gaan.
  Wanneer evenwel iemand die bekwaam is om contracten aan te gaan, iets in bewaring aanneemt van een onbekwame, is hij gehouden tot alle verplichtingen van een werkelijke bewaarnemer; hij kan vervolgd worden door de voogd of de bewindvoerder van de persoon die de zaak in bewaring gegeven heeft.

  Art. 1926. Indien de bewaargeving aan een onbekwame gedaan is door iemand die bekwaam is, heeft de bewaargever een vordering tot teruggave van de in bewaring gegeven zaak slechts zolang deze nog in handen van de bewaarnemer is, of een vordering tot vergoeding ten belope van het voordeel dat de bewaarnemer uit de zaak getrokken heeft.

Art. 1927.