Burgerlijk Wetboek
 Titel XI. - Bewaargeving en sekwester : Hoofdstuk III. - Sekwester

Afdeling III. - Gerechtelijk sekwester of gerechtelijk bewaargeving

Art. 1961. De rechter kan het sekwester bevelen :
  1° Van roerende goederen die onder een schuldenaar in beslag genomen zijn;
  2° Van een onroerend goed of van een roerend goed waarvan de eigendom of het bezit tussen twee of meer personen in geschil is;
  3° Van zaken die een schuldenaar tot kwijting van zijn schuld aanbiedt.

Art. 1962. De aanstelling van een gerechtelijke bewaarder doet tussen de beslaglegger en de bewaarder wederzijdse verplichtingen ontstaan. De bewaarder moet voor het behoud van de in beslag genomen zaken zorgen als een goed huisvader.
  Hij moet deze overgeven, hetzij ter ontlasting van de beslaglegger, in geval van verkoop, hetzij aan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging heeft plaatsgehad, in geval van opheffing van het beslag.
  De verplichting van de beslaglegger bestaat in de betaling van het bij de wet bepaalde loon aan de bewaarder.

Art. 1963. Het gerechtelijk sekwester wordt opgedragen, hetzij aan een persoon omtrent wie de belanghebbende partijen zijn overeengekomen, hetzij aan een persoon die door de rechter ambtshalve benoemd wordt.
  In beide gevallen is hij aan wie de zaak is toevertrouwd, onderworpen aan alle verplichtingen die het bedongen sekwester medebrengt.

Rechtsleer : 2007