Boek I. - Personen
Titel III : Woonplaats
Art. 102. De woonplaats van ieder Belg, wat betreft de
uitoefening van zijn burgerlijke rechten, is daar waar hij zijn
hoofdverblijf heeft.
Art. 103. Verandering van woonplaats wordt teweeggebracht
doordat men werkelijk gaat wonen in een andere plaats, met het
voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen.
Art. 104. Het voornemen wordt bewezen door een
uitdrukkelijke verklaring, gedaan zowel bij het gemeentebestuur van de
plaats die men verlaat, als bij dat van de plaats waar men zijn
woonplaats heeft overgebracht.
Art. 105. Bij gebreke van een uitdrukkelijke verklaring
wordt het bewijs van het voornemen afgeleid uit de omstandigheden.
Art. 106. De burger die tot een tijdelijk of herroepelijk
openbaar ambt benoemd wordt, behoudt de woonplaats die hij tevoren had,
indien hij het tegenovergestelde voornemen niet heeft te kennen gegeven.
Art. 107. Het aanvaarden van een voor het leven verleend
ambt heeft tot gevolg dat de woonplaats van de ambtenaar onmiddellijk
wordt overgebracht naar de plaats waar hij zijn ambt moet uitoefenen.
Art. 108. De niet-ontvoogde minderjarige
heeft zijn woonplaats in de gezamenlijke verblijfplaats van zijn ouders
of, indien die niet samenleven, in de verblijfplaats van
één van beiden.
Degene die onder voogdij is geplaatst, heeft zijn woonplaats
bij zijn voogd.
Art. 109. Meerderjarigen die gewoonlijk bij een ander dienen
of werken, hebben dezelfde woonplaats als de persoon bij wie zij dienen
of werken, indien zij met hem in hetzelfde huis wonen.
Art. 110. De woonplaats bepaalt de plaats waar een erfenis
openvalt.
Art. 111. Wanneer de partijen of een van hen in een akte,
met het oog op de uitvoering van die akte, woonplaats kiezen in een
andere plaats dan de werkelijke woonplaats, kunnen de op die akte
betrekking hebbende betekeningen, rechtsvorderingen en vervolgingen aan
de overeengekomen woonplaats en voor de rechter van die woonplaats
geschieden.