Boek 3 : Titel XIV. - Borgtocht

Hoofdstuk I. - Aard en omvang van de borgtocht

Artikel 2011. Hij die zich voor een verbintenis borg stelt, verplicht zich jegens de schuldeiser, aan die verbintenis te voldoen, indien de schuldenaar niet zelf daaraan voldoet.

Art. 2012. Borgtocht kan niet bestaan dan voor een geldige verbintenis.
  Men kan zich niettemin borg stellen voor een verbintenis, al mocht die kunnen vernietigd worden door een exceptie die alleen de verbondene persoonlijk betreft; bij voorbeeld in geval van minderjarigheid.

Art. 2013. Borgtocht kan niet wordent aangegaan voor meer dan hetgeen de schuldenaar verschuldigd is, noch onder meer bezwarende voorwaarden.
  Hij kan worden aangegaan voor slechts een gedeelte van de schuld, en onder minder bezwarende voorwaarden.
  De borgtocht die voor meer dan de schuld of onder meer bezwarende voorwaarden is aangegaan, is niet nietig; hij kan alleen worden verminderd tot hetgeen in de hoofdverbintenis begrepen is.

Art. 2014. Men kan zich borg stellen zonder opdracht van hem voor wie men zich verbindt, en zelfs buiten zijn weten.
  Men kan zich eveneens borg stellen, niet alleen voor de hoofschuldenaar, maar ook voor de persoon die zich voor hem heeft borg gesteld.

Art. 2015. Borgtocht wordt niet vermoed; hij moet uitdrukkelijk zijn aangegaan, en men mag hem niet verder uitstrekken dan de perken waarbinnen hij is aangegaan.

Art. 2016. Onbepaalde borgtocht voor een hoofdverbintenis strekt zich uit tot al hetgeen bij de schuld komt, zelfs tot de kosten van de eerste vordering, en tot alle kosten die gemaakt zijn nadat van deze vordering aan de borg is kennis gegeven.

Art. 2017. De verbintenissen van de borgen gaan over op hun erfgenamen.

Art. 2018. De schuldenaar die verplicht is een borg te stellen, moet een borg aanbieden die bekwaam is om contracten aan te gaan, die genoegzaam gegoed is om aan de verbintenis te kunnen voldoen, en die zijn woonplaats heeft binnen het rechtgebied van het hof van beroep waar de borgstelling moet plaatshebben.

Art. 2019. De gegoedheid van een borg wordt alleen beoordeeld naar zijn onroerende eigendommen,uitgenomen in zaken van koophandel of wanneer de schuld gering is.
  Onroerende goederen waarover geschil bestaat of waarvan de uitwinning wegens hun verwijderde ligging te moeilijk zou zijn, komen niet in aanmerking.

Art. 2020. Wanneer de borg, die door de schuldeiser vrijwillig is aangenomen of die de rechter hem heeft toegewezen, naderhand onvermogend geworden is, moet een andere borg gesteld worden.
  Deze regel lijdt alleen uitzondering, ingeval de borg gesteld is ten gevolge van een overeenkomst waarbij de schuldeiser een bepaalde persoon tot borg geëist heeft.

Wetsgeschiedenis

Art. 2021.