Boek 3 : Titel XIV. - Borgtocht - Hoofdstuk II. - Gevolgen van borgtocht

Afdeling II. - Gevolgen van borgtocht tussen de schuldenaar en de borg


  Art. 2028. De borg die betaald heeft, heeft verhaal op de hoofdschuldenaar, hetzij de borgstelling met of buiten diens medeweten is geschied.
  Dit verhaal heeft plaats zowel ten aanzien van de hoofdsom als ten aanzien van de interesten en de kosten; nochtans heeft de borg slechts verhaal voor de kosten die hij gemaakt heeft nadat hij aan de hoofdschuldenaar van de tegen hem gerichte vervolgingen heeft kennis gegeven.
  De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van schade, indien daartoe gronden bestaan.

  Art. 2029. De borg die de schuld betaald heeft, treedt in alle rechten die de schuldeiser had tegen de schuldenaar.

  Art. 2030. Wanneer verscheidene hoordschuldenaars van een zelfde schuld hoofdelijk verbonden waren, heeft de borg die zich voor allen heft borg gesteld, verhaal op ieder van hen, tot terugvordering van al hetgeen hij betaald heeft.

  Art. 2031. De borg die een eerste maal betaald heeft, heeft geen verhaal op de hoofdschuldenaardie een tweede maal betaald heeft, wanneer hij de laatstgenoemde van de door hem gedane betaling geen kennis heeft gegeven; behoudens zijn recht op terugvordering tegen de schuldeiser.
  Wanneer de borg betaald heeft zonder te zijn vervolgd en zonder de hoofdschuldenaar daarvan kennis te hebben gegeven, heeft hij geen verhaal op hem, ingeval die schuldenaar op het ogenblik van de betaling gronden mocht hebben gehad om te doen verklaren dat de schuld teniet was; behoudens zijn recht op terugvordering tegen de schuldeiser.

  Art. 2032. De borg kan, zelfs voordat hij betaald heeft, de schuldenaar in rechte aanspreken om door hem schadeloos gesteld te worden :
  1° Indien hij tot betaling in rechte vervolgd wordt;
  2° Indien de schuldenaar failliet gegaan is, of in staat van kennelijk onvermogen verkeert;
  3° Indien de schuldenaar zich verbonden heeft om hem binnen een bepaalde tijd het ontslag van zijn borgtocht te bezorgen;
  4° Indien de schuld opeisbaar is geworden door het verschijnen van de termijn waarop zij betaalbaar was gesteld;
  5° Na verloop van tien jaren, indien de hoofdverbintenis geen bepaalde vervaltijd heeft, tenzij de hoofdverbintenis van dien aard is dat zij, zoals bij voorbeeld een voogdij, niet voor een bepaalde tijd kan vervallen.

Art. 2033.