Boek 3 : Titel XIV. - Borgtocht

Hoofdstuk III. - Tenietgaan van borgtocht

Art. 2034. De verbintenis uit borgtocht gaat teniet door dezelfde oorzaken als de overige verbintenissen.

  Art. 2035. Schuldvermenging in de persoon van de hoofdschuldenaar en van zijn borg, wanneer de ene erfgenaam wordt van de andere, doet geenszins de vordering teniet van de schuldeiser tegen hem die zich heeft borg gesteld voor de borg.

  Art. 2036. De borg kan zich tegen de schuldeiser beroepen op alle excepties die aan de hoofdschuldenaar toekomen en die tot de schuld zelf behoren;
  Maar hij kan zich niet beroepen op excepties die alleen de schuldenaar persoonlijk betreffen.

  Art. 2037. De borg is ontslagen, wanneer hij door toedoen van de schuldeiser niet meer in de rechten, hypotheken en voorrechten van die schuldeiser kan treden.

  Art. 2038. Wanneer de schuldeiser een onroerend goed of enig ander goed vrijwillig aanneemt in betaling van de hoofdschuld, is de borg ontslagen, al wordt dat goed naderhand tegen de schuldeiser uitgewonnen.

  Art. 2039. Eenvoudige termijnverlenging, door de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat de borg niet, die in dat geval de schuldenaar kan vervolgen, om hem tot betaling te noodzaken.

Art. 2040.