Boek I : Personen : Titel XI. - Meerderjarigheid, voorlopig bewind, onbekwaamverklaringen en bijstand van een gerechtelijk raadsman
Hoofdstuk II. - Onbekwaamverklaring
Art. 489. Een
meerderjarige die zich in een aanhoudende staat van onnozelheid of
krankzinnigheid bevindt, moet worden onbekwaam verklaard, zelfs wanneer
in die staat heldere tussenpozen voorkomen.
Art. 502. De onbekwaamverklaring of de benoeming van een
raadsman heeft haar gevolgen vanaf de dag van het vonnis. Alle
handelingen die daarna verricht worden door de onbekwaamverklaarde, of
zonder de bijstand van de raadsman, zijn rechtens nietig.
Art. 503. De handelingen die voor de onbekwaamverklaring
verricht zijn, kunnen vernietigd worden, indien de oorzaak van de
onbekwaamverklaring kennelijk bestond ten tijde dat die handelingen
zijn verricht.
Art. 504. Na iemands dood kunnen de door hem verrichte
handelingen niet worden betwist op grond van krankzinnigheid, dan voor
zover de onbekwaamverklaring was uitgesproken of gevorderd voor zijn
overlijden; tenzij het bewijs van de krankzinnigheid uit de betwiste
handeling zelf voortvloeit.
Art. 508. Met uitzondering van de echtgenoten, de
bloedverwanten in de opgaande en die in de nederdalende lijn, is
niemand verplicht de voogdij over een onbekwaamverklaarde meer dan tien
jaren te behouden. Na verloop van die tijd kan de voogd vragen dat hij
wordt vervangen en dit moet hem worden toegestaan.
Art. 509. De onbekwaamverklaarde staat gelijk met een
minderjarige, wat betreft zijn persoon en zijn goederen; de wetten op
de voogdij over minderjarigen zijn van toepassing op de voogdij over
onbekwaamverklaarden.
Op vordering van het openbaar ministerie wordt van het
vonnis binnen tien dagen na de uitspraak aan de territoriaal bevoegde
vrederechter kennisgegeven.
Art. 510. De inkomsten van de onbekwaamverklaarde moeten in
hoofdzaak aangewend worden om zijn lot te verzachten en zijn genezing
te bespoedigen.
Art. 511. Wanneer een kind van een
onbekwaamverklaarde een huwelijk wenst aan te gaan, worden het verlenen
van huwelijksgoed of van een voorschot op zijn erfdeel, geregeld door
de voogd die daartoe door de vrederechter behoorlijk gemachtigd is.
Art. 512. De onbekwaamverklaring eindigt met de oorzaken die
daartoe aanleiding hebben gegeven; echter wordt de opheffing niet
uitgesproken dan met inachtneming van de vormen die voorgeschreven zijn
om de onbekwaamverklaring te bekomen, en de onbekwaamverklaarde zal de
uitoefening van zijn rechten niet kunnen hervatten dan na het vonnis
van opheffing.
Wetsgeschiedenis