Belgisch Burgerlijk Wetboek

  TITEL XX. - VERJARING.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 2219. Verjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.

  Art. 2220. Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.

  Art. 2221. Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

  Art. 2222. Hij die niet kan vervreemden kan geen afstand doen van een verkregen verjaring.

  Art. 2223. De rechter mag het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.

  Art. 2224. Men kan zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

  Art. 2225. Schuldeisers, of alle andere personen die er belang bij hebben dat de verjaring verkregen is, kunnen zich daarop beroepen, hoewel de schuldenaar of de eigenaar ervan afstand doet.

  Art. 2226. Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.

  Art. 2227. De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.