Belgisch Burgerlijk Wetboek



  HOOFDSTUK II. - BEZIT.

  Art. 2228. Bezit is het houden of het genieten van een zaak die wij in onze macht hebben of vaneen recht dat wij uitoefenen, hetzij in persoon, hetzij door een ander die in onze naam de zaak in zijn macht heeft of het recht uitoefent.

  Art. 2229. Om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar.

  Art. 2230. Men wordt steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar te bezitten, tenzij bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten.

  Art. 2231. Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt steeds vermoed dat mpen het bezit onder dezelfde titel voortzet, tenzij het tegendeel bewezen is.

  Art. 2232. Daden van louter vermogen of van eenvoudig gedogen kunnen noch bezit, noch verjaringteweegbrengen.

  Art. 2233. Daden van geweld kunnen evenmin als grondslag dienen voor een bezit waaruit verjaring zou ontstaan.
  Een deugdelijk bezit neemt eerst een aanvang, nadat het geweld heeft opgehouden.

  Art. 2234. De tegenwoordige bezitter die bewijst voorheen het bezit te hebben gehad, wordt geacht het ook in de tussentijd te hebben gehad, behoudens tegenbewijs.

  Art. 2235. Om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, kan men bij zijn eigen bezit het bezit voegen van zijn rechtsvoorganger, op welke wijze men hem ook is opgevolgd, hetzij onder een algemene of een bijzondere titel, hetzij om niet of onder een bezwarende titel.