Belgisch Burgerlijk Wetboek


Boek III. Titel XX. - Verjaring : Hoofdstuk IV. - Oorzaken die de verjaring stuiten of schorsen

Afdeling I. - Oorzaken die de verjaring stuiten

Art. 2242. Stuiting van de verjaring kan of natuurlijk of burgerlijk zijn.

Art. 2243. Er is natuurlijke stuiting, wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, hetzij door de oude eigenaar, hetzij zelfs door een derde.

Art. 2244. Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.

Art. 2245. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>.

Art. 2246. Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring.

Art. 2247. Indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm,
  Indien de eiser afstand doet van zijn eis,
  (Lid 3 opgeheven)<W 15-12-1949, art. 28>.
  Of indien zijn eis wordt afgewezen.
  Wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden.

Art. 2248. De erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.

Art. 2249. De ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, of de erkenning van de schul door hem gedaan, stuit de verjaring tegen alle overige, zelfs tegen hun erfgenamen.
  De ingebrekestelling van een der erfgenamen van een hoofdelijke schuldenaar, of de erkenning van de schuld door die erfgenaam stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige medeërfgenamen, zelfs niet in het geval van een hypothecaire schuld, tenzij de verbintenis ondeelbaar is.
  Die ingebrekestelling of die erkenning stuit de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars slechts voor het aandeel waarvoor die erfgenaam verbonden is.
  Om de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars te stuiten voor het geheel, is vereist de ingebrekestelling van alle erfgenamen van de overleden schuldenaar, of de erkenning door al die erfgenamen.

Art. 2250. De ingebrekestelling van de hoofdschuldenaar, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen de borg;



Afdeling II. - Oorzaken die de loop van de verjaring schorsen