Belgisch Burgerlijk Wetboek

Boek III. Titel XX. - Verjaring - Hoofdstuk V. - Tijd die voor de verjaring vereist is

Afdeling III. - Tienjarige en twintigjarige verjaring.

Art. 2265. Hij die te goeder trouw en uit kracht van een wettige titel een onroerend goed verkrijgt, bekomt daarvan de eigendom door verjaring na tien jaren, indien de ware eigenaar woont binnen het rechtsgebied van het hof van beroep waarin het onroerend goed gelegen is; en na twintig jaren, indien hij buiten dat gebied zijn woonplaats heeft.

Art. 2266. Indien de ware eigenaar op verschillende tijdstippen zijn woonplaats binnen en buiten het rechtsgebied heeft gehad, moet, om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, bij hetgeen aan de tien jaren aanwezigheid ontbreekt, tweemaal zoveel jaren afwezigheid worden gevoegd als er jaren ontbreken om de volle tien jaren aanwezigheid te bereiken.

Art. 2267. Een titel die nietig is uit hoofde van een gebreek in de vorm, kan niet als grondslag dienen voor een tienjarige en twintigjarige verjaring.

Art. 2268. Goede trouw wordt steeds vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.

Art. 2269. Het is voldoende dat de goede trouw aanwezig was op het ogenblik van de verkrijging.

Art. 2270. Na verloop van tien jaren zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid.