Belgisch Burgerlijk Wetboek

Boek III. Titel XX. - Verjaring  - Hoofdstuk V. - Tijd die voor de verjaring vereist is

Afdeling IV. - Enige bijzondere verjaringen

Art. 2271. De rechtsvordering van meesters on onderwijzers is kunsten en wetenschappen, wegens de lessen die zij bij de maand geven;
  Die van hotelhouders en tafelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost;
  Die van arbeiders en werklieden, tot betaling van hun daghuur, hun leveringen en hun loon,
  Verjaren door verloop van zes maanden.

  Art. 2272. 
  De rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders, tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren;
  Die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn;
  Die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen; en van andere meesters, tot betaling van het leergeld;
  Die van dienstboden die zich bij het jaar verhuren, tot betaling van hun loon,
  verjaren door verloop van een jaar.

  Art. 2273. De rechtsvordering van de verhuurders tot betaling van het bedrag dat volgt uit de aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud verjaart door verloop van een jaar.
  De rechtsvordering van de huurders tot teruggave van het te veel betaalde verjaart door verloop van een jaar vanaf de verzending van het verzoek bepaald bij artikel 1728quater.

  Art. 2274. De verjaring, in de voorgaande gevallen bepaald, heeft plaats, hoewel men met de verstrekkingen, leveringen, diensten en werken is voortgegaan.
  Zij houdt slechts op te lopen, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd.

  Art. 2275. Niettemin kunnen zij tegen wie men zich op die verjaringen beroept, aan hen die zich erop beroepen, de eed opdragen omtrent de vraag of de zaak werkelijk betaald is. De eed kan worden opgeragen aan de weduwen en aan de erfgenamen, of aan de voogden van de laatstgenoemden, indien deze minderjarig zijn, opdat zij verklaren dat zij niet weten dat de zaak verschuldigd is.

  Art. 2276. Rechters en pleitbezorgers zijn niet meer verantwoordelijk voor de stukken, wanneer vijf jaren zijn verlopen sinds het geding is uitgewezen.
  Eveneens zijn gerechtsdeurwaarders daarvoor niet meer verantwoordelijk na verloop van twee jaren sinds de uitvoering van hun opdracht of de betekening van de akten waarmee zij belast waren. 

  Art. 2276bis. § 1. De advocaten zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken vijf jaar na het beëindigen van hun taak.
  Deze verjaring is niet van toepassing wanneer de advocaat uitdrukkelijk met het bewaren van bepaalde stukken is belast.
  § 2. De vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon verjaart na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

  Art. 2276ter.  § 1. Deskundigen zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken tien jaar na het beëindigen van hun taak of, als deze hun krachtens de wet werd opgedragen, vijf jaar na de indiening van hun verslag.
  Deze verjaring is niet van toepassing wanneer en deskundige uitdrukkelijk met het bewaren van bepaalde stukken is belast.
  § 2. De vordering van dekundigen tot betaling van kosten en ereloon verjaart na verloop van vijf jaar.

  Art. 2276quater.  De schuldbemiddelaars zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

  Art. 2276quinquies.  Voor de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen gelden de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, behoudens voor de beroepsaansprakelijkheid betreffende de laatste wilsbeschikkingen en de contractuele erfstellingen waarvoor de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het overlijden van de betrokkene die de laatste wilsbeschikking of de contractuele erfstelling deed.

  Art. 2277. Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten;
  Die van uitkeringen tot levensonderhoud;
  Huren van huizen en pachten van landeigendommen;
  Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen,
  Verjaren door verloop van vijf jaren.

  Art. 2277bis.  De rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt.
  Dezelfde bepaling is van toepassing voor geneeskundige verstrekkingen, diensten, goederen en bijkomende kosten welke door de verplegings- en verzorgingsinstelling of door derden werden geleverd of gefaktureerd.

  Art. 2278. De verjaringen waarover in de artikelen van deze afdeling gehandeld wordt, lopen tegen minderjaringen en onbekwaamverklaarden; behoudens hun verhaal op hun voogden.

  Art. 2279. Met betrekking tot roerende goederen geldt het bezit als titel.
  Niettemin kan jij die een zaak verloren heeft of aan wie een zaak ontstolen is, gedurende drie jaren, te rekenen van de dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaatsgehad, de zaak terugvorderen van degenen in wiens handen hij ze vindt; behoudens het verhaal van de laatstgenoemde op degene van wie hij ze bekomen heeft.
  Die recht van terugvordering geldt evenwel niet voor blijetten van de Nationale Bank van België, noch voor biljetten uitgegeven krachtens de wet van 12 juni 1930, wanneer de bezitter te goeder trouw is.

  Art. 2280. Indien de tegenwoordige bezitter van de gestolen of verloren zaak deze gekocht heeft op een jaarmarkt of op een andere markt, of op een openbare verkoping, of van een koopman die dergelijke zaken verkoopt, kan de oorspronkelijke eigenaar zich de zaak niet doen teruggeven dan mits hij de prijs die zij hem gekost heeft, aan de bezitter terugbetaalt.

Wetsgeschiedenis