Burgerlijk Wetboek
Boek 3 - Titel X. - Lening

Hoofdstuk II. - Verbruiklening of eenvoudige lening


  AFDELING I. - AARD VAN DE VERBRUIKLENING.

  Art. 1892. Verbruiklening is een contract waarbij de ene partij een zekere hoeveelheid zaken die door het gebruik teniet gaan, aan de andere partij afgeeft, onder verplichting voor deze om aan de eerstgenoemde evenzoveel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven.

  Art. 1893. Uit kracht van deze lening wordt de lener eigenaar van de geleende zaak; en indien deze, op welke wijze ook, teniet gaat, is het verlies ervan voor zijn rekening.

  Art. 1894. Zaken die, hoewel van dezelfde soort, individueel verschillen, zoals dieren, kan men niet als verbruiklening te leen geven : dat is dan bruiklening.

  Art. 1895. De verbintenis die voortvloeit uit een lening van geld, is steeds bepaald door de numerieke geldsom die in het contract is uitgedrukt.
  Indien er voor het tijdstip van de betaling vermeerdering of vermindering van de waarde van de muntspeciën heeft plaatsgehad, moet de schuldenaar de geleende numerieke geldsom teruggeven en moet hij slechts die som teruggeven in de muntspeciën die gangbaar zijn op het ogenblik van de betaling.

  Art. 1896. De in het vorige artikel gestelde regel geldt niet, indien de lening in staven geschied is.

  Art. 1897. Indien staven of waren zijn te leen gegeven, moet de schuldenaar, hoezeer de waarde daarvan ook vermeerderd of verminderd mocht zijn, altijd een gelijke hoeveelheid en hoedanigheid, en niets anders, teruggeven.

  AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE UITLENER.

  Art. 1898. _ Bij verbruiklening is de uitlener aansprakelijk op de wijze die bij artikel 1891 voor de bruiklening bepaald is.

  Art. 1899. De uitlener kan de geleende zaken niet terugvorderen voordat de overeengekomen tijd verstreken is.

  Art. 1900. Indien voor de teruggave geen tijd bepaald is, kan de rechter aan de lener uitstel toestaan, naar gelang van de omstandigheden.

  Art. 1901. Indien enkel is overeengekomen dat de lener zal betalen wanneer hij dit zal kunnen, of wanneer bij de nodige middelen daartoe zal bezitten, bepaalt de rechter een tijd voor de betaling, naar gelang van de omstandigheden.

  AFDELING III. - VERPLICHTINGEN VAN DE LENER.

  Art. 1902. De lener is gehouden de geleende zaken in dezelfde hoeveelheid en hoedanigheid en op de overeengekomen tijd terug te geven.

  Art. 1903. Indien het hem niet mogelijk is daaraan te voldoen, moet hij de waarde van het geleende betalen, gelet op de tijd en de plaats waarop de zaak volgens de overeenkomst moest worden teruggegeven
  Indien die tijd en die plaats niet zijn bepaald, geschiedt de betaling volgens de prijs ten tijde en ter plaatse van de lening.

  Art. 1904. Indien de lener de geleende zaken of de waarde ervan niet op de overeengekomen tijd teruggeeft, is hij daarvan interest verschuldigd te rekenen van de dag van de (aanmaning). <W 01-05-1913, art. 7>