Belgisch Burgerlijk Wetboek
Boek 1 : Personen : Titel X. - Minderjarigheid, voogdij en ontvoogding

Hoofdstuk IV. - Verlengde minderjarigheid

Art. 487bis. Een minderjarige van wie gebleken is dat hij wegens ernstige geestelijke achterlijkheid ongeschikt is en schijnt te zullen blijven om zichzelf te leiden en zijn goederen te beheren, kan in staat van verlengde minderjarigheid worden verklaard.
  Onder ernstige geestelijke achterlijkheid moet worden verstaan een staat van geestelijke onvolwaardigheid, aangeboren of begonnen tijdens de vroege kinderjaren, en gekenmerkt door een uitgebleven ontwikkeling van de gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil.
  Een zelfde maatregel kan worden genomen ten aanzien van een meerderjarige van wie is gebleken dat hij tijdens zijn minderjarigheid verkeerde in omstandigheden als omschreven in voorgaande leden.
  Hij die in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard, wordt ten aanzien van zijn persoon en zijn goederen gelijkgesteld met een minderjarige beneden de vijftien jaar.

  Art. 487ter. Voor de minderjarige wordt de staat van verlengde minderjarigheid bij de rechtbank van eerste aanleg van zijn woon- of verblijfplaats aangevraagd bij een verzoekschrift, ondertekend door de vader en de moeder of door een van hen, door de voogd of door hun advocaat of, wanneer dezen het initiatief daartoe niet nemen, door de procureur des Konings.
  Voor de meerderjarige wordt de staat van verlengde minderjarigheid bij de rechtbank van eerste aanleg van zijn woon- of verblijfplaats aangevraagd bij een verzoekschrift, ondertekend door gelijk welke bloedverwant, door de voogd van de onbekwaamverklaarde meerderjarige, door hun advocaat of door de procureur des Konings.
  Bij het verzoekschrift wordt een geneeskundig attest van niet meer dan vijftien dagen oud gevoegd, dat de geestelijke onvolwaardigheid beschrijft.

  Art. 487quater. Zolang de ouders in leven zijn, blijft degene die in de staat van verlengde minderjarigheid verkeert, onderworpen aan hun ouderlijk gezag. Evenwel kan de rechtbank van eerste aanleg in het belang van degene die in de staat van verlengde minderjarigheid verkeert, op verzoek van de ouders of een van hen, dan wel op vordering van de procureur des Konings, gelasten dat het ouderlijk gezag wordt vervangen door de voogdij.
  De voogd en de toeziende voogd worden door de rechtbank benoemd, eventueel met inachtneming van een gezamenlijk voorstel van de ouders. Op vordering van het openbaar ministerie wordt van het vonnis binnen tien dagen na de uitspraak aan de territoriaal bevoegde vrederechter kennisgegeven.
  De voogdij kan niet worden opgedragen aan iemand die verbonden is aan de inrichting waar de geestelijk achterlijke is opgenomen.
  De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het bestuur over de persoon en de goederen van degene die in de staat van verlengde minderjarigheid verkeert, wanneer een van zijn ouders overleden is of wanneer zijn afstamming slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat.

  Art. 487quinquies. Na hun oproeping bij gerechtsbrief door de griffier, hoort de rechtbank in raadkamer, in het bijzijn van de procureur des Konings, de vader, de moeder of de voogd, in voorkomend geval een andere verzoekende bloedverwant, eventueel bijgestaan door een advocaat, alsmede de persoon wie het verzoek betreft.
  Deze wordt steeds bijgestaan door een advokaat die zo nodig wordt aangewezen door de stafhouder of door het bureau van consultatie en verdediging. Kan die persoon zich niet verplaatsen, dan wordt hij te zijnen huize gehoord, na bericht bij gerechtsbrief van de griffier.
  Van het gehoor wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de rechter en de griffier wordt ondertekend.
  Op de conclusie van de procureur des Konings beveelt de rechtbank iedere onderzoeksmaatregel die zij nuttig oordeelt.
  De rechtbank doet uitspraak in openbare terechtzitting.
  De beslissing heeft gevolg vanaf de uitspraak van het vonnis; hoger beroep staat open voor al degenen die in het eerste lid zijn genoemd; het heeft geen schorsende kracht.

  Art. 487sexies. De beslissingen waarbij iemand in staat van verlengde minderjarigheid wordt verklaard, waarbij gelast wordt het ouderlijk gezag te vervangen door de voogdij of waarbij een nieuwe voogd wordt benoemd, worden door de griffier ter kennis gebracht van de minister van Justitie, van de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene in het bevolkingsregister is ingeschreven.
  Dit geldt eveneens voor de arresten van de hoven van beroep die de desbetreffende beslissingen van de rechtbanken van eerste aanleg teniet doen.
  Deze beslissingen worden in bevolkingsregisters aangetekend, in voorkomend geval onder vermelding van de naam en de verblijfplaats van de voogd.
  De vermelding dat hij in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard, wordt aangebracht op de identiteitskaart van de persoon voor wie de maatregel genomen is.

  Art. 487septies. De opheffing van de staat van verlengde minderjarigheid kan te allen tijde worden gevraagd door degene ten aanzien van wie de maatregel is genomen, zijn vader of moeder, zijn voogd, enige andere bloedverwant of de procureur des Konings. Het verzoek tot opheffing wordt behandeld en berecht overeenkomstig artikel 487quinquies.
  De openbaarmaking van de opheffingsbeslissing geschiedt zoals bepaald is in artikel 487sexies.

  Art. 487octies. Behoudens de in dit hoofdstuk bepaalde afwijkingen, vinden de bepalingen betreffende de voogdij over minderjarigen mede toepassing op de voogdij bedoeld in artikel 487quater.

Wetsgeschiedenis