Belgisch Burgerlijk Wetboek
Boek III - Titel XVII. - Inpandgeving

Hoofdstuk I. - Pand

  Art. 2073. Pand geeft aan de schuldeiser het recht om zich, bij voorrecht en voorrang boven de andere schuldeisers, uit de in pand gegeven zaak te doen betalen.

  Art. 2074. Dit voorrecht kan niet bestaan dan voor zover er een openbare of een behoorlijk geregistreerde onderhandse akte is, die de opgave van de verschuldigde som bevat, en die de soort ende aard van de in pand gegeven zaken aanduidt of waarbij een staat van hun hoedanigheid, gewicht en maat gevoegd is.
  De schriftelijke akte en haar registratie zijn echter alleen voorgeschreven in zaken die de waarde van 375 EUR te boven gaan.

  Art. 2075. De schuldeiser verkrijgt het bezit van een in pand gegeven schuldvordering door het sluiten van de pandovereenkomst.
  De inpandgeving kan slechts aan de schuldenaar van de in pand gegeven schuldvordering worden tegengeworpen nadat zij hem ter kennis werd gebracht of door hem is erkend.
  De artikelen 1690, derde en vierde lid, en 1691 zijn van toepassing.

  Art. 2076. In alle gevallen blijft het voorrecht op het pand slechts bestaan voor zover dit pand in het bezit is gesteld en gebleven van de schuldeiser of van een derde, omtrent wie partijen zijn overeengekomen.

  Art. 2077. Een derde kan pand geven voor de schuldenaar.

  Art. 2078. De schuldeiser mag, bij niet-betaling, niet over het pand beschikken; maar hij kan door de rechter doen bevelen dat dit pand aan hem zal verblijven, in betaling en ten belope van de schuld, volgens een schatting door deskundigen, of dat het pand in het openbaar zal worden verkocht.
  Elk beding waarbij de schuldeiser zou worden gemachtigd zich het pand toe te eigenen of erover te beschikken zonder inachtenemning van de hiervoren bepaalde vormen, is nietig.

  Art. 2079. Tot aan zijn eventuele uitwinning blijft de schuldenaar eigenaar van het pand, dat in handen van de schuldeiser niets meer is dan een bewaargeving tot verzekering van zijn voorrecht.

  Art. 2080. De schuldeiser is, volgens de regels gesteld in de titel Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen, aansprakelijk voor het verlies of de beschadiging van het pand, die het gevolg zijn van zijn nalatigheid.
  Van zijn kant moet de schuldenaar de schuldeiser de nuttige en noodzakelijke uitgaven vergoeden, die de laatstgenoemde tot behoud van het pand gedaan heeft.

  Art. 2081. Indien een schuldvordering is in pand gegeven, en die schuldvordering interest opbrengt, verrekent de schuldeiser deze interest met die welke hem mocht zijn verschuldigd.
  Indien de schuld, tot zekerheid waarvan een schuldvordering is in pand gegeven, zelf geen interest opbrengt, geschiedt de toerekening op het kapitaal van de schuld.

  Art. 2082. Behalve indien de pandhouder het pand misbruikt, kan de schuldenaar dit niet terugvorderen voordat hij de schuld tot zekerheid waarvan het pand gegeven is, ten volle betaald heeft, zowel wat de hoofdsom, als wat de interesten en de kosten betreft.
  Indien er tussen dezelfde schuldenaar en dezelfde schuldeiser een tweede schuld mocht bestaan, die na de inpandgeving is aangegaan en voor de betaling van de eerste schuld opeisbaar is geworden, is de schuldeiser niet gehouden zich van het pand te ontdoen, voordat hem beide schulden ten volle zijn voldaan, zelfs wanneer er geen beding gemaakt is om het pand voor de betaling van de tweede schuld te verbinden.

  Art. 2083. Het pand is ondeelbaar, al is de schuld onder de erfgenamen van de schuldenaar of onder die van de schuldeiser deelbaar.
  De erfgenaam van de schuldenaar, die zijn aandeel in de schuld betaald heeft, kan zijn aandeel in het pand niet terugvorderen, zolang de schuld niet ten volle gekweten is.
  Zijnerzijds kan de erfgenaam van de schuldeiser, die zijn aandeel in de schuld ontvangen heeft, het pand niet teruggeven ten nadele van degenen onder zijn medeërfgenamen, die niet betaald zijn.

  Art. 2084. De hiervoren vastgestelde bepalingen zijn niet toepasselijk op zaken van koophandel, noch op behoorlijk toegelaten pandhuizen, ten aanzien waarvan de desbetreffende wetten en verordeningen worden in acht genomen.

Art. 2085.