Belgisch Burgerlijk Wetboek

Titel XV. - Dading

Art. 2044. Dading is een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen.
  Dit contract moet schriftelijk opgemaakt worden.

Art. 2045. Om een dading aan te gaan, moet men bekwaam zijn om te beschikken over de voorwerpen die in de dading begrepen zijn.
  De voogd kan voor de minderjarige of voor de onbekwaamverklaarde alleen met inachtneming van de vormen omschreven in artikel 410, § 1, een dading aangaan en hij kan met de meerderjarig geworden minderjarige over de voogdijrekening alleen overeenkomstig artikel 416, eerste lid, een dading aangaan.
  De gemeenten en de openbare instellingen kunnen geen dading aangaan dan met de machtiging voorgeschreven bij artikel 49 van de organieke wet van 10 maart 1925 op de openbare onderstand.

Art. 2046. Dading kan worden aangegaan over de burgerlijke belangen die uit een misdrijf ontstaan.
  Zij verhindert de vervolging van het openbaar ministerie niet.

  Art. 2047. Aan een dading kan een strafbeding worden toegevoegd tegen hem die mocht in gebreke blijven de dading na te komen.

  Art. 2048. Dadingen blijven beperkt tot hun voorwerp : wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven.

  Art. 2049. Dadingen regelen slechts de geschillen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt.

  Art. 2050. Hij die een dading heeft aangegaan over een recht dat hem uit eigen hoofde toebehoorde, en die vervolgens een dergelijk recht van een ander verkrijgt, is, met betrekking tot het nieuw verkregen recht, door de vorige dading geenszins gebonden.

  Art. 2051. Een dading, door een van de belanghebbenden aangegaan, verbindt de overige belanghebbenden niet, en kan door hen niet worden ingeroepen.

  Art. 2052. Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg.
  Men kan er niet tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling.

  Art. 2053. Niettemin kan een dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaatsgehad in de persoon of omtrent het voorwerp van het geschil.
  Zij kan vernietigd worden in alle gevallen waarin bedrog of geweld heeft plaatsgehad.

  Art. 2054. Vernietiging van een dading kan eveneens gevorderd worden, wanneer de dading is aangegaan ter uitvoering van een titel die nietig was, behalve in het geval dat partijen uitdrukkelijk over de nietigheid een dading hebben aangegaan.

  Art. 2055. Een dading, aangegaan op grond van stukken die naderhand vals bevonden zijn, is geheel nietig.

  Art. 2056. Een dading over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan partijen of een van hen geen kennis droegen, is nietig.
  Indien het vonnis waarvan partijen onkundig waren, voor hoger beroep vatbaar was, is de dading geldig.

  Art. 2057. Wanneer partijen een dading hebben aangegaan in het algemeen over alle zaken die zij met elkaar uitstaande mochten hebben, leveren de titels die hun toen onbekend waren en die naderhand ontdekt zijn, geen grond op tot vernietiging, tenzij die titels door toedoen van een der partijen waren achtergehouden.
  Maar de dading is nietig, indien zij slechts een enkele zaak betreft en uit naderhand ontdekte titels blijkt dat een van de partijen daarop niet het minste recht had.

  Art. 2058. Een rekenfout, bij een dading gemaakt, moet verbeterd worden.