Koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934

betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen

Art. 1
Onverminderd bijzondere verbodsbepalingen kan de rechter die, hetzij in België, hetzij in de gebieden die onder Belgisch gezag of bestuur hebben gestaan, een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader van of medeplichtige aan een van de volgende strafbare feiten of poging daartoe:
    a) valse munt;
    b) namaking of vervalsing van openbare effecten, aandelen, obligaties, rentebewijzen en bankbiljetten uitgegeven door de Schatkist, of bankbiljetten waarvan de uitgifte toegestaan is door of krachtens een wet;
    c) namaking of vervalsing van zegels, stempels, keurstempels en -merken;
    d) valsheid en gebruik van valsheid in geschriften;
    e) omkoping van openbare ambtenaren of knevelarij;
    f) diefstal, afpersing, verduistering of misbruik van vertrouwen, [oplichting, heling of andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voortkomen] [, private omkoping];
    g) een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis] van het Strafwetboek], fictief in omloop brengen van handelseffecten of overtreding van de bepalingen betreffende fondsbezorging van cheques of andere titels tot een contante betaling of betaling op zicht op beschikbare gelden;
    h) overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 40, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
    i) overtreding van de strafbepalingen die zijn vastgesteld in hoofdstuk XXIV van de algemene wet inzake douane en accijnzen, hoofdstuk XII van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 133 tot 133octies van het Wetboek der successierechten, de artikelen 66 tot 67octies van het Wetboek van zegelrechten, de artikelen 207 tot 207octies van het Wetboek van met het zegel gelijkgestelde taksen, de artikelen 449 tot 453 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 2, derde lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, de artikelen 73 tot 73octies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en de artikelen 395 tot 398 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur;
    j) inbreuken op de artikelen 324bis en 324ter van het Strafwetboek,

   zijn veroordeling doen gepaard gaan met het verbod om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198, § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen. De rechter stelt de duur van dat verbod vast zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen.]

Art. 1bis
  Wanneer de rechter een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader of als medeplichtige van een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek, oordeelt hij tevens of de veroordeelde al dan niet verbod wordt opgelegd om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen.
   De rechter stelt de duur van dat verbod vast zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen.


Art. 2
   In geval van een door een buitenlandsch rechtscollege uitgesproken [zelfs voorwaardelijke veroordeling] ter zake van één van de misdrijven door [artikelen 1 en 1bis] bepaald, [kan het door die artikelen gestelde verbod worden uitgesproken door] de kamer van inbeschuldigingstelling van de woonplaats van den betrokkene of, indien deze geen woonplaats in België heeft, [door] de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel, op verzoek van den procureur-generaal, en den betrokkene ten minste vijftien dagen vooraf regelmatig gedagvaard, [nadat ze heeft vastgesteld] dat de veroordeling betrekking heeft op een feit dat, volgens de Belgische wet, een van die misdrijven uitmaakt, en dat zij in kracht van gewijsde is gegaan.
   De kamer van inbeschuldigingstelling stelt de duur van dat verbod vast zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen.


Art. 3
   Het in artikel 1 gestelde verbod geldt ook voor den niet in eer herstelden gefailleerde, zelfs indien de toestand van faillissement [in de gebieden die onder Belgisch gezag of bestuur hebben gestaan] of in het buitenland is ontstaan.


Art. 3bis

§ 1.
   Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de beheerders en zaakvoerders van een in staat van faillissement verklaarde handelsvennootschap wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de in staat van faillissement verklaarde vennootschap te beheren.

§ 2.
   Onverminderd de bepalingen waarbij aan een niet in eer herstelde gefailleerde, het verbod wordt opgelegd om bepaalde beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, kan de rechtbank van koophandel die het faillissement heeft uitgesproken, of de rechtbank van koophandel te Brussel, wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon enig koopmansbedrijf uit te oefenen.

§ 3.
   Daarenboven kan de rechtbank van koophandel die het faillissement van de handelsvennootschap heeft uitgesproken, of de rechtbank van koophandel te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens § 1 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, enige taak van beheerder, zaakvoerder of commissaris uit te oefenen in een handelsvennootschap of een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen, om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om zodanige vennootschap rechtsgeldig te verbinden en om het beheer van een Belgisch filiaal waar te nemen, zoals bepaald in artikel 198, tweede lid, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935.

§ 4.
   De duur van dit verbod wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt minimum drie jaar en maximum tien jaar.

§ 5.
   De gefailleerde of een van de personen krachtens § 1 gelijkgesteld met de gefailleerde, worden gedagvaard voor de rechtbank van koophandel op vordering van het openbaar ministerie of van een schuldeiser die niet werd betaald in het faillissement.
   De termijn om te verschijnen is acht dagen.
   Op de bepaalde dag, of de dag waarop de zaak is verdaagd, hoort de rechtbank de gefailleerde, in voorkomend geval bijgestaan door zijn raadsman, in raadkamer. Zij kan eveneens enig ander persoon horen indien zij zulks dienstig acht, onder meer de rechter-commissaris wanneer het faillissement in België is uitgesproken.
   [In voorkomend geval wordt het openbaar ministerie gehoord in zijn advies.]
   Het vonnis wordt binnen de maand in openbare terechtzitting uitgesproken, en is uitvoerbaar bij voorraad.
   Het wordt binnen drie dagen bij gerechtsbrief of bij deurwaardersexploot aan de gefailleerde betekend.

§ 6.
   De gefailleerde en het openbaar ministerie kunnen hoger beroep instellen. De termijn van hoger beroep is acht dagen te rekenen van de kennisgeving van het vonnis.
   Het hoger beroep wordt ingesteld bij een met redenen omkleed verzoekschrift, dat bij de griffie van het hof van beroep wordt ingediend.
   Van het verzoek om te verschijnen wordt aan de gefailleerde kennis gegeven door de griffie van het hof van beroep. Wanneer het hoger beroep is ingesteld door het openbaar ministerie, wordt het afschrift van het verzoekschrift bij de uitnodiging gevoegd.
   De termijn om te verschijnen is acht dagen.
   Het hof van beroep doet uitspraak binnen een maand na het hoger beroep.
   Op de vastgestelde dag hoort het hof van beroep de gefailleerde, die in voorkomend geval door zijn raadsman wordt bijgestaan. Het hof kan eveneens enig ander persoon horen indien het zulks dienstig acht.
   Het openbaar ministerie wordt gehoord in zijn advies.
   Van het arrest wordt binnen drie dagen bij gerechtsbrief of bij deurwaardersexploot aan de gefailleerde kennis gegeven.

§ 7.
   De termijn van voorziening in cassatie is één maand te rekenen van de kennisgeving van het arrest.
   Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, wordt de voorziening ingeleid en wordt de zaak beslecht in de vormen en binnen de termijnen als voorgeschreven in strafzaken.
   Het cassatieberoep heeft geen opschortende werking.

§ 8.
   De arresten en vonnissen waarbij het verbod wordt opgelegd, houden op gevolg te hebben:
    – indien het vonnis van faillietverklaring wordt ingetrokken;
    – indien de gefailleerde homologatie verkrijgt van een gerechtelijk akkoord;
    – indien de gefailleerde rehabilitatie verkrijgt.

§ 9.
   Van de arresten en vonnissen die op grond van dit artikel zijn gewezen wordt in voorkomend geval melding gemaakt in het handelsregister; zij worden gezonden naar het centraal handelsregister.]


Art. 3ter
   Artikel 3bis, § 1, is van toepassing op de zaakvoerder van een Europees economisch samenwerkingsverband of van een economisch samenwerkingsverband die in staat van faillissement verklaard is.
   Het krachtens de artikelen 1 en 3bis, § 3, aan personen opgelegd verbod geldt ook voor het uitoefenen van deze beroepen of werkzaamheden in een Europees economisch samenwerkingsverband, in een economisch samenwerkingsverband of in een Belgische vestiging van dergelijke samenwerkingsverbanden.

Art. 4
   Elke overtreding van het bij de vorige artikelen gestelde verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaren en met geldboete van 1.000 [euro] tot 10.000 [euro].
   Al de bepalingen van boek I van het Wetboek van Strafrecht, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn op die misdrijven van toepassing.

Art. 5
   Niettegenstaande het bij de artikelen 1, 2 en 3 gestelde verbod, kunnen de personen die, op den dag van het van kracht worden van dit besluit, ingeschreven zijn op de lijst van de wisselagenten bij een openbare fondsen- en wisselbeurs of een van de andere bij artikel 1 omschreven functies of bedrijvigheden uitoefenen, die functie of die bedrijvigheid blijven uitoefenen bij dezelfde beurs, of in dezelfde maatschappij, of in dezelfde bank, indien de feiten, die de veroordeling wettigen, den dag van het van kracht worden van dit besluit vooraf gingen of indien de faillietverklaring vóór dien dag werd uitgesproken.

Art. 6
   Dit besluit wordt van kracht op 1 november 1934.

Wetsgeschiedenis