law - condominium - soil

Vlaams Reglement rond de Bodemsanering

Onderafdeling II. Verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren

A. Overdracht van risicogrond bij gedwongen mede-eigendom

Art. 58. Een oriënterend bodemonderzoek wordt in de volgende gevallen op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde uitgevoerd voor de overdracht van een privatief deel van een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek:
1° in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;
2° in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel.

Art. 59. Een eenmalig oriënterend bodemonderzoek wordt in de volgende gevallen op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars uitgevoerd:

1° voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;

2° in de gemeenschappelijke delen was een risico-in richting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de mede-eigendom. Het eenmalige oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd voor 31 december 2014, tenzij er eerder een overdracht van een privatief of gemeenschappelijk deel plaatsvindt. In dat geval wordt het eenmalige oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd voor de eerste overdracht. Als de vereniging van mede-eigenaars nalaat het oriënterend bodemonderzoek uit te voeren, ook binnen dertig dagen nadat de overdrager haar daartoe bij aangetekende brief in gebreke heeft gesteld, kan de overdrager zelf opdracht geven tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek en de eraan verbonden kosten verhalen op de vereniging van mede-eigenaars. Hij kan ook van de vereniging van mede-eigenaars een voorschot vorderen voor de betaling van de kosten van het oriënterend bodemonderzoek.

Art. 60. Er hoeft geen oriënterend bodemonderzoek te worden uitgevoerd voor de overdracht van een privatief of gemeenschappelijk deel als in de gemeenschappelijke delen een risico-inrichting gevestigd is die uitsluitend bestemd is ten behoeve van de mede-eigendom, voor zover geen enkel van de gevallen, vermeld in artikel 58 en 59, van toepassing is.

B. Periodieke verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren
Art. 61. De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de lijst in bijlage I bij dit besluit onder de kolom ’categorie’ met de letter B zijn aangeduid, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema:
1° een eerste maal:
a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat: voor 31 december 2011;
b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat: voor 31 december 2015;
c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar geen oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie: binnen zes jaar na de aanvang van de exploitatie;
d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar een oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie: binnen tien jaar na de aanvang van de exploitatie;

2° vervolgens periodiek om de tien jaar.

Art. 62. De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de lijst in bijlage I bij dit besluit onder de kolom ’categorie’ met de letter A zijn aangeduid, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema:
1° een eerste maal:
a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat: voor 31 december 2013;
b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat: voor 31 december 2017;
c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar geen oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie: binnen twaalf jaar na de aanvang van de exploitatie;
d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar een oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie: binnen twintig jaar na de aanvang van de exploitatie;
2° vervolgens periodiek om de twintig jaar.

Art. 63. De periodieke verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren geldt niet voor tijdelijke inrichtingen en verplaatsbare inrichtingen als vermeld in het Milieuvergunningsdecreet.