law : constitution : act
Bijzondere wet van 16
januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de
Gewesten
Geconsolideerde wettekst anno 2007:
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Artikel 1. § 1. Onverminderd artikel 110, § 2, van de
Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van de Vlaamse
Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap door :
1° niet-fiscale ontvangsten;
1°bis (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
(2°bis een dotatie ter compensatie van het kijk- en
luistergeld;) <W 2001-07-13/35, art. 2, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002>
3° leningen.
§ 2. Onverminderd artikel 110, § 2, van de Grondwet,
gebeurt de financiering van de begroting van het Vlaamse Gewest, het
Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest door :
1° niet-fiscale ontvangsten;
2° fiscale ontvangsten, bedoeld in deze wet;
3° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
4° een nationale solidariteitstussenkomst;
5° leningen.
§ 3. (Het Vlaams Parlement mag alle financiële
middelen die krachtens de bepalingen van deze wet aan dat parlement
toekomen)e aanwenden voor de financiering zowel van de begroting voor
de aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet, als
van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 59bis van
de Grondwet. <W 2006-03-27/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding :
21-04-2006>
(lid opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 1bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 3;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> De uitwisseling van informatie in het
kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten
bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een
samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3, van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen.
Art. 1ter. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 4;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> De uitoefening van de fiscale
bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet gebeurt met inachtname
van het principe van vermijding van dubbele belasting.
Bij een door het gewest gegrond geacht verzoek houdende
vermijding van dubbele belasting treedt dit gewest in overleg met de
andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is
met het in het eerste lid vermelde principe ongedaan te maken.
TITEL II. - EIGEN NIET-FISCALE ONTVANGSTEN.
Art. 2. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de
uitoefening van de door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen
en Gewesten toegekende bevoegdheden komen aan de bevoegde overheid toe.
De Gemeenschappen en de Gewesten kunnen schenkingen en legaten ontvangen.
TITEL III. - GEWESTELIJKE BELASTINGEN.
Art. 3. <W 2001-07-13/35, art. 5, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002> Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :
1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
5° de onroerende voorheffing;
6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende
titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting
van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een
vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een
natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
7° het registratierecht op :
a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België
gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder
medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en
de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van
het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
9° het kijk- en luistergeld;
10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
11° de belasting op de inverkeerstelling;
12° het eurovignet.
Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11.
Art. 4. <W 2001-07-13/35, art. 6, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002> § 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.
§ 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen
kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens
van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een
samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen.
§ 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de
belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld
in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een
autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met
leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden
afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten
samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen.
§ 4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
12°, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het
buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden
afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten
samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen.
§ 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen,
regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last
van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en
proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3
zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.
Art. 5. § 1. (De in artikel 3 bedoelde belastingen worden
aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.) <W
2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
1° de belasting op de spelen en weddenschappen : op de
plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden
aangegaan;
2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen : op de plaats waar het toestel opgesteld is;
3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste
dranken : op de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is;
4° (- het successierecht van rijksinwoners : op de plaats
waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale
woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de
periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan
één plaats in België gelegen was : op de plaats in
België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode
het langst gevestigd was;
- het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners :
in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in
meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort
in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal
kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
5° de onroerende voorheffing : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
(6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende
titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting
van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een
vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een
natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap : op de
plaats waar het onroerend goed gelegen is.
Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten
gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in
wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal
kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
7° (- het registratierecht op de vestiging van een hypotheek
op een in België gelegen onroerend goed : op de plaats waar het
onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de
onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest
waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van
de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
- het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen
van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder
bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in
soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen
745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er
geen onverdeeldheid is : op de plaats waar het onroerend goed gelegen
is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(8° - het registratierecht op de schenkingen onder de
levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op
de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn
fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker
tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan
één plaats in België gelegen was : op de plaats in
België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode
het langst gevestigd was;
- het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van
in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner :
op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
9° het kijk- en luistergeld : op de plaats waar het
televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen
betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
10° de verkeersbelasting : op de plaats waar de natuurlijke
persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig
ingeschreven is of moet zijn.
Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of
rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel
heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van
zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;
11° de belasting op de inverkeerstelling : op de plaats waar
de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het
voertuig ingeschreven is of moet zijn;
12° het eurovignet : op de plaats waar de natuurlijke
persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig
ingeschreven is of moet zijn.
Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op
voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt
door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen
aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en
het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die
voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de
autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het
eurovignetsysteem : worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest
naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals
bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van
het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.) <W
2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2bis. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 3. (Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de
Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels
kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot
8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en
in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar
volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de
federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de
dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de
dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de
belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen
geschieden :
- de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
- de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen.
De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor
de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de
inwerkingtreding van de <bijzondere> <wet> van 13 juli 2001
tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale
bevoegdheden van de gewesten instonden.
Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3,
eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, bedoelde
belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de
technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake
voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis
bedoelde samenwerkingsakkoord.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(§ 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen
de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de
door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in
artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en
in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen
sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen.) <W
2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(§ 4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de
administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3
bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk
zij de dienst van de belastingen verzekeren.) <W 2001-07-13/35, art.
7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
TITEL IIIbis. - GEMEENSCHAPSBELASTING <ingevoegd bij W
1993-07-16/30, art. 94, Inwerkingtreding : 1993-07-30; opgeheven bij W
2001-07-13/35, art. , 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 5bis. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
TITEL IV. - TOEGEWEZEN GEDEELTEN VAN DE OPBRENGST VAN BELASTINGEN.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 6. § 1. Een gedeelde belasting is een Rijksbelasting
die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt
geheven en waarvan de opbrengst geheel of gedeeltelijk aan de
Gemeenschappen wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze
wet.
De in deze titel bedoelde gedeelde belastingen zijn :
1° (...) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
2° de belasting over de toegevoegde waarde;
3° de personenbelasting.
§ 2. Een samengevoegde belasting is een rijksbelasting :
1° die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven;
2° waarvan een bepaald gedeelte van de opbrengst aan de
Gewesten wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet;
3° (waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die
belastingen, opcentiemen kunnen heffen respectievelijk kortingen kunnen
toestaan die beide worden toegepast op alle personen die
personenbelasting verschuldigd zijn en voorzover deze verminderingen
het bedrag van de toegewezen opbrengst niet overschrijden. Die
opcentiemen of kortingen worden niet in aanmerking genomen bij het
vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende
gemeentebelasting.) <W 2001-07-13/35, art. 9, 003; Inwerkingtreding
: 01-01-2002>
(4° en waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van
die belastingen, algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen
kunnen invoeren die verbonden zijn aan de bevoegdheden van de gewesten.
Die algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen worden niet in
aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de
berekening van de aanvullende gemeentebelasting. De
belastingverminderingen nemen de vorm aan van een aftrek ten aanzien
van de verschuldigde personenbelasting en niet de vorm van een
vermindering van de belastinggrondslag. De belastingvermeerderingen
nemen de vorm aan van een verhoging ten opzichte van de verschuldigde
personenbelasting en niet die van een verhoging van de belastbare
grondslag.) <W 2001-07-13/35, art. 9, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002>
De in deze titel bedoelde samengevoegde belasting is de personenbelasting.
Art. 7. § 1. Voor de toepassing van deze titel worden de belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
1° de personenbelasting : op de plaats waar de belastingplichtige zijn woonplaats heeft gevestigd;
2° (...) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
§ 2. Voor de toepassing van deze wet worden de ontvangsten
inzake personenbelasting en het inwonertal van elk Gewest jaarlijks
vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na
voorafgaand overleg met de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven, op basis
van de meest recente gegevens.
(Onder ontvangsten inzake personenbelasting wordt verstaan het
bedrag van de globale belasting Staat voor het laatste aanslagjaar
vastgesteld bij het verstrijken van de heffingstermijn, bepaald in
artikel 359 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992. De globale
belasting Staat is de belasting vóór toepassing van de in
artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, bedoelde opcentiemen en
kortingen, van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, bedoelde
algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen en van de in
artikel 9, § 2, bedoelde aanvullende belastingen en opcentiemen.)
<W 2001-07-13/35, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 8. In het raam van het Overlegcomité
Regering-Executieven wordt jaarlijks een overleg gehouden over het
fiscaal beleid.
Art. 9. § 1. (De invoering van algemene
belastingverminderingen of -vermeerderingen, opcentiemen of kortingen,
bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3° en 4°, wordt
door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de
federale regering en de andere gewestregeringen.
De overlegprocedure met betrekking tot de technische
uitvoerbaarheid van de invoering van algemene belastingverminderingen
of -vermeerderingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid,
4°, wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde
samenwerkingsakkoord.
Voor het totaal van de in het eerste lid bedoelde algemene
belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen
geldt een globaal maximumpercentage. Dit maximumpercentage bedraagt
3,25 % vanaf 1 januari 2001 en 6,75 % vanaf 1 januari 2004 van de in
elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting zoals
bedoeld in artikel 7, § 2. Zonder dit maximumpercentage te
overschrijden kunnen de gewesten :
1° algemene procentuele opcentiemen en algemene forfaitaire
dan wel procentuele kortingen, al dan niet gedifferentieerd per
belastingschijf, invoeren;
2° algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen
toestaan zoals bepaald in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°.
De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met
betrekking tot de algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen,
de opcentiemen of kortingen gebeurt zonder vermindering van de
progressiviteit van de personenbelasting en met uitsluiting van
deloyale fiscale concurrentie. Het principe van de progressiviteit
wordt begrepen als volgt : naarmate het belastbaar inkomen stijgt, mag,
naargelang het geval, de verhouding tussen het bedrag van de aftrek tot
de verschuldigde personenbelasting voor aftrek niet toenemen of de
verhouding tussen het bedrag van de verhoging tot de verschuldigde
personenbelasting voor verhoging niet afnemen.
De afrekeningsmodaliteiten van de toepassing van algemene
belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen
worden, na voorafgaandelijk overleg met de gewestregeringen, bij een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.) <W
2001-07-13/35, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. De opcentiemen ingevoerd door een Gewest mogen geen
afbreuk doen aan het recht van de gemeenten om aanvullende belastingen
of opcentiemen te heffen.
Art. 9bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 12; ED :
01-01-2002> De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134
van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen zoals
bedoeld in artikel 9 worden, naargelang het geval vóór
neerlegging in de betrokken raad of na goedkeuring in de bevoegde
commissie van de betrokken raad medegedeeld aan de federale regering en
de andere gewestregeringen en, voor advies, aan het Rekenhof. Hetzelfde
geldt voor de amendementen die in commissie zijn goedgekeurd. De aan
het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen dienen in voldoende
mate cijfermatig onderbouwd te zijn.
Onverminderd zijn algemene bevoegdheden, geeft de algemene
vergadering van het Rekenhof, binnen een maand na ontvangst van het
ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van de fiscale
loyauteit, een gedocumenteerd en gemotiveerd advies over de naleving
van de maximumpercentages en het principe inzake progressiviteit, zoals
bedoeld in artikel 9. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale
regering en de gewestregeringen.
In het kader van zijn adviesverstrekking bedoeld in het tweede
lid ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel
in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.
Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan
het in het tweede lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de
weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde
gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de
federale regering en de gewestregeringen.
Art. 10. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 11. <W 1993-07-16/30, art. 96, 002; Inwerkingtreding :
1993-07-30> (De gewesten kunnen geen opcentiemen of vermeerderingen
heffen of kortingen of verminderingen toestaan op de in deze wet
bedoelde belastingen, behalve op die welke bedoeld zijn in artikel 6,
§ 2.) <W 2001-07-13/35, art. 14, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002>
(lid opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de
Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op
de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven.
HOOFDSTUK II. - DE GEWESTEN.
Afdeling 1. - Overgangsperiode.
Art. 12. § 1. De middelen per Gewest worden tijdens de overgangsperiode jaarlijks als volgt samengesteld :
1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen;
(3°bis voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999, het in
artikel 32bis, § 3, bedoelde vierde gedeelte middelen;) <W
1993-07-16/30, art. 97, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
4° de in artikel 48 bedoelde nationale solidariteitstussenkomst.
§ 2. De middelen bedoeld in § 1, 1° (tot
3°bis), worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de
personenbelasting. <W 1993-07-16/30, art. 97, § 2, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Onderafdeling 1. - Het eerste gedeelte.
Art. 13. § 1. De berekening van het eerste gedeelte
middelen geschiedt aan de hand van (drie) gegevens, waarvan het eerste
steunt op de volgende basisbedragen : <W 1993-07-16/30, art. 98,
002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
- voor het Vlaamse Gewest : 30,7745 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest : 21,0463 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 10,3431 miljard frank.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden die bedragen
jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen. In afwachting van de definitieve
vaststelling van dit indexcijfer, worden de bedragen aangepast in
functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer
gedurende het voorgaande jaar.
§ 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 97,9 % in aanmerking genomen.
§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing
van § 2 bekomen bedragen vervolgens in twee gedeelten opgesplitst :
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.
Art. 14. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1990, en voor elk
Gewest, wordt het met toepassing van artikel 13, § 4, 2°,
bekomen gedeelte van 14,3 % in aanmerking genomen naar verhouding van
negen constante opeenvolgende annuïteiten die overeenkomen met de
aflossing van dat gedeelte en met de interest berekend op grond van de
effectieve rentevoet van de eerste openbare lening met een langere
looptijd dan vijf jaar die door de Staat in Belgische frank uitgegeven
wordt tijdens het betrokken begrotingsjaar.
Voordat die rentevoet bekend is, geschiedt de voorlopige
berekening op grond van de effectieve rentevoet van de laatste openbare
lening van hetzelfde type.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1999 wordt
uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig
§ 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande
begrotingsjaren op te tellen.
Art. 15. § 1. De berekening van het eerste gedeelte
middelen geschiedt bovendien aan de hand van een tweede gegeven waarbij
wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
- voor het Vlaamse Gewest : 19,5104 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest : 12,8198 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 4,8361 miljard frank.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen
jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in
artikel 13, § 2.
§ 3. De met toepassing van §§ 1 en 2 bekomen
bedragen worden gespreid over drie jaar in drie gelijke delen. Zij
worden in aanmerking genomen voor één derde tijdens het
betrokken begrotingsjaar en voor één derde tijdens elk
van de twee volgende begrotingsjaren.
Art. 16. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1989 en voor elk
Gewest wordt het globaal bedrag van de, voor het betrokken
begrotingsjaar, in artikel 15, § 3, weerhouden derdedelen omgezet
in tien opeenvolgende constante annuïteiten die overeenkomen met
de aflossing van die delen en met de interest berekend tegen de in
artikel 14, § 1, bepaalde rentevoet.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt
uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig
§ 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande
begrotingsjaren op te tellen.
§ 3. Elk jaar worden de in § 2 bedoelde
annuïteiten en die welke voortkomen uit de toepassing van artikel
14, § 2, opgeteld en in twee gedeelten opgesplitst :
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.
Art. 16bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 99, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar
1993 geschiedt de berekening van het eerste gedeelte middelen bovendien
aan de hand van een derde gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de
volgende basisbedragen :
- voor het Vlaamse Gewest : 0,3230 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest : 0,1673 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Grewest : 0,0403 miljard frank.
§ 2. Voor 1993 wordt er evenwel een uitzonderlijke en
niet-terugkerende vermindering van 0,0548 miljard frank toegepast op
het bedrag bedoeld in § 1 voor het Vlaamse Gewest, van 0,0263
miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Waalse Gewest
en van 0,0096 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het
Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden de in § 1
bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering
van het gemiddeld indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde
wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 1993 worden de overeenkomstig
§§ 1, 2 en 3 verkregen bedragen vervolgens opgesplitst in
twee gedeelten :
1° een gedeelte van 85,7 pct.;
2° een gedeelte van 14,3 pct. "
Art. 16ter. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 100, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar
1993, en voor elk Gewest, wordt het met toepassing van artikel 16bis,
§ 4, 2°, verkregen gedeelte van 14,3 pct. in aanmerking
genomen naar verhouding van zes constante opeenvolgende
annuïteiten die overeenkomen met de aflossing van dat gedeelte en
met de interest berekend tegen de in artikel 14, § 1, bepaalde
rentevoet.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt
uitgegaan van het bedrag dat wordt verkregen door de overeenkomstig
§ 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande
begrotingsjaren op te tellen.
§ 3. De overeenkomstig § 2 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten :
1° een gedeelte van 85,7 pct.;
2° een gedeelte van 14,3 pct.
Art. 17. <W 1993-07-16/30, art. 101, 002; Inwerkingtreding :
1993-07-30> Voor elk Gewest worden de bedragen die overeenkomen met
de met toepassing van de artikelen 13, § 4, 1°, en 16, §
3, 1°, en vanaf het begrotingsjaar 1993 eveneens de met toepassing
van de artikelen 16bis, § 4, 1°, en 16ter, § 3, 1°,
verkregen gedeelten van 85,7 pct. opgeteld. Het aldus verkregen totaal
wordt verminderd met het bedrag van de in artikel 48 bedoelde nationale
solidariteitstussenkomst waarop het betrokken Gewest recht heeft.
Art. 18. De bedragen die met toepassing van artikel 17 worden
bekomen voor elk van de drie Gewesten, worden opgeteld. De verhouding
van dat totaalbedrag tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting
wordt uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
Het basisbedrag voor elk Gewest wordt verkregen door dat
percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten inzake
personenbelasting, volgens de gewestelijke lokalisatie ervan.
Art. 19. Voor elk Gewest wordt een overgangscorrectie berekend.
Voor het begrotingsjaar 1990 is het basisbedrag van die
correctie gelijk aan het verschil tussen de som die met toepassing van
artikel 17 aan het Gewest toekomt en het met toepassing van artikel 18,
tweede lid, bekomen basisbedrag.
Voor het begrotingsjaar 1991 is de overgangscorrectie gelijk aan die van het begrotingsjaar 1990.
Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de
overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten
verminderend percentage van het voor het jaar 1990 bekomen bedrag van
de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art. 20. § 1. (De met toepassing van de artikelen 16,
§ 3, 2°, en 16ter, § 3, 2°, voor elk van de drie
Gewesten verkregen bedragen worden opgeteld.) <W 1993-07-16/30, art.
102, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
§ 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt
over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest
gelokaliseerde ontvangsten van de personenbelasting, zoals bepaald
overeenkomstig artikel 7, § 2.
§ 3. (Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen
het totaal van de met toepassing van de artikelen 16, § 3, 2°,
en 16ter, § 3, 2°, verkregen bedragen worden enerzijds, en het
met toepassing van § 2 van dit artikel verkregen resultaat
anderzijds.) <W 1993-07-16/30, art. 102, § 2, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 21. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het eerste
gedeelte middelen gevormd door de overeenkomstig artikel 13, § 3,
per Gewest bekomen bedragen.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het
eerste gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 18, tweede lid;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 19;
3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 20, § 3.
Onderafdeling 2. - Het tweede gedeelte.
Art. 22. § 1. Voor de berekening van het tweede gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
- voor het Vlaamse Gewest : 37,0089 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest : 28,3451 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 5,5293 miljard frank.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen
jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in
artikel 13, § 2.
§ 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 98 % in aanmerking genomen.
§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing
van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.
Art. 23. § 1. De annuïteiten van de bedragen bekomen
met toepassing van artikel 22, § 4, 2°, worden jaarlijks
berekend op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en
opgeteld op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 2.
§ 2. De overeenkomstig § 1 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten :
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.
Art. 23bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 103,
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar
1995 geschiedt de berekening van het tweede gedeelte middelen bovendien
aan de hand van een tweede gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de
volgende basisbedragen in het begrotingsjaar 1993 :
- voor het Vlaamse Gewest : 0,6089 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest : 0,3647 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 0,5224 miljard frank.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden deze bedragen
jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddeld
indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in
artikel 13, § 2.
Art. 24. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van
artikel 22, § 4, 1°, en 23, § 2, 1°, worden, voor
ieder Gewest, opgeteld.
§ 2. Voor ieder Gewest wordt het met toepassing van §
1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in
het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake
personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
§ 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van
§ 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk
der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De
aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden
Gewesten.
Art. 25. § 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het
verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 24, § 1,
bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 24, § 3,
bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van
de overgangscorrectie.
§ 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie
gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de
overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderd
percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag
van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art. 26. § 1. De met toepassing van artikel 23, § 2,
2°, voor elk van de drie Gewesten bekomen bedragen worden opgeteld.
§ 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt
over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest
gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald
overeenkomstig artikel 7, § 2.
§ 3. Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen de
met toepassing van artikel 23, § 2, 2°, en van § 2 van
dit artikel bekomen resultaten.
Art. 27. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het tweede
gedeelte middelen gevormd door de met toepassing van artikel 22, §
3, per Gewest bekomen bedragen.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met (1994) wordt
het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld : <W
1993-07-16/30, art. 104, § 1, 002; Inwerkingtreding :
1993-07-30>
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 24, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 25, § 2;
3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 26, § 3.
§ 3. (Voor de begrotingsjaren 1995 tot en met 1999 wordt
het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
1° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 23bis, § 2;
2° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 24, § 3;
3° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 25, § 2;
4° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 26,
§ 3.) <W 1993-07-16/30, art. 104, § 2, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Onderafdeling 3. - Het derde gedeelte.
Art. 28. § 1. Voor de berekening van het derde gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
- voor het Vlaamse Gewest : 33,8303 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest : 25,0478 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 5,5993 miljard frank.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen
jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in
artikel 13, § 2.
§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing
van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.
Art. 29. De annuïteiten van de bedragen bekomen met
toepassing van artikel 28, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend
op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en opgeteld op
dezelfe wijze als bepaald in artikel 14, § 2.
Art. 30. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van
artikel 28, § 3, 1°, en artikel 29 worden voor ieder Gewest
opgeteld.
§ 2. Voor ieder Gewest wordt het bedrag bekomen met
toepassing van § 1 uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van
de in het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake
personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
§ 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van
§ 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk
der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De
aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden
Gewesten.
Art. 31. § 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het
verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 30, § 1,
bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 30, § 3,
bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van
de overgangscorrectie.
§ 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie
gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de
overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend
percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag
van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art. 32. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het derde
gedeelte middelen gevormd door de in artikel 28, § 1, bedoelde
bedragen.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het
derde gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 30, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 31, § 2.
Onderafdeling 4. - Het vierde gedeelte. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 105, Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 32bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 105, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren
1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks voor de drie Gewesten samen het
totaal bepaald van :
1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen.
§ 2. Het in § 1 verkregen totaal wordt jaarlijks
vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reële groei
van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en
vanaf het begrotingsjaar 1995 verhoogd met het voor het vorige
begrotingsjaar, in § 3 voor de drie Gewesten samen in aanmerking
genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen,
evenals aan een procentueel gedeelte van de reële groei van het
bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar.
Het in vorig lid in aanmerking te nemen procentueel gedeelte van
de reële groei van het bruto nationaal produkt bedraagt :
- in het begrotingsjaar 1994 : 10 pct.;
- in het begrotingsjaar 1995 : 15 pct.;
- in het begrotingsjaar 1996 : 20 pct.;
- in het begrotingsjaar 1997 : 70 pct.;
- in het begrotingsjaar 1998 : 75 pct.;
- in het begrotingsjaar 1999 : 97,5 pct.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het
bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de
procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de
reële groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande
jaar.
§ 3. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt
jaarlijks de verhouding bepaald van het in § 2 verkregen resultaat
tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting uitgedrukt in
percenten met vijf decimalen.
Het vierde gedeelte middelen voor elk Gewest wordt verkregen
door dat percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten
inzake personenbelasting, volgens de Gewestelijke lokalisatie ervan.
Afdeling 2. - Definitief stelsel.
Art. 33. § 1. Voor de vaststelling van de bedragen voor het
begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daarop volgende begrotingsjaren
wordt uitgegaan van de middelen per Gewest van het voorgaande
begrotingsjaar, exclusief de aan het betrokken Gewest toegekende
nationale solidariteitstussenkomst (en de vermindering per gewest
bedoeld in artikel 34, eerste lid, 2°). <W 2001-07-13/35, art.
15, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. (Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de
procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het bruto
nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het
bruto nationaal inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde
procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto
nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in
de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet 21
december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W
2001-07-13/35, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2bis. (Indien het rekenkundig gemiddelde van de
jaarlijkse reële groei van het bruto nationaal produkt tijdens de
periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2
voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op
basis van een uniforme reële groei van 2 pct. tijdens de
begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.
Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2
voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag meer dan 0,25 pct.
bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2
bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een bedrag in
aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor het
begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van het
voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.
Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in
§ 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25
pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van §
2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het
eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.) <W 1993-07-16/30,
art. 106, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
§ 3. (Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of,
in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in
aanmerking genomen bedrag, voor de drie Gewesten samen uitgedrukt in
percenten met vijf decimalen van de totale ontvangsten inzake
personenbelasting.) <W 1993-07-16/30, art. 107, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30>
§ 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast
op de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.
Art. 33bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 17;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De met toepassing van
artikel 33, § 4, verkregen bedragen worden vanaf het
begrotingsjaar 2002 jaarlijks verminderd met een bedrag bepaald bij
koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na
voorafgaand overleg met de gewestregeringen.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van :
1° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999
tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van
de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3,
eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°;
2° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999
tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van
de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten zoals bedoeld in artikel 4,
§ 5, in de mate dat deze laatste tot en met het begrotingsjaar
2001 nog niet aan de gewesten werden toegewezen;
3° 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de
begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in
prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten
inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting;
4° de gemiddelde netto-ontvangsten voor de begrotingsjaren
1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002,
van de in elk gewest gelokaliseerde belasting zoals bedoeld in artikel
3, eerste lid, 9°.
De met toepassing van de 1° tot 3° van het tweede lid
verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar
2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het
gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de
reële groei van het bruto nationaal inkomen op de wijze als
bepaald in artikel 33, § 2.
De met toepassing van de 4° van het tweede lid verkregen
bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003
jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in
artikel 38, § 3.
§ 2. Voor het begrotingsjaar 2002 wordt voor elk gewest
vertrokken van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999
tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van
de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3,
eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°, en van 58,592 %
van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met
2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk
gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid,
6°, bedoelde belasting.
De met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden voor elk gewest de met
toepassing van het eerste lid verkregen bedragen voor elke belasting
aangepast aan de evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd beleid.
Deze aangepaste bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2012 wordt jaarlijks
voor elk gewest het verschil berekend tussen het bedrag verkregen met
toepassing van het tweede lid en het bedrag verkregen met toepassing
van het derde lid.
Het met toepassing van het vierde lid verkregen verschil, zo dit
positief is, vormt jaarlijks het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2007 is voor elk gewest
de overgangscorrectie gelijk aan 100 % van het voor het overeenstemmend
jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie voor het betrokken
gewest.
Voor de begrotingsjaren 2008 tot en met 2012 is voor elk gewest
de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 16,67 punten
verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar verkregen
basisbedrag van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ontvangsten bij
ongewijzigd beleid verstaan de werkelijke ontvangsten tenzij deze
beïnvloed zijn door het betrokken gewest in het kader van de
uitoefening van zijn fiscale bevoegdheden met betrekking tot de
betrokken belasting. In dat geval gebeurt de jaarlijkse aanpassing
bedoeld in het derde lid aan de hand van bij wet per belasting
vastgestelde objectieve criteria. Het betrokken wetsontwerp wordt
vóór 1 januari 2002 ingediend bij de Kamer.
Het met toepassing van deze paragraaf per gewest verkregen
bedrag komt in mindering van de in § 1 bedoelde vermindering.
Art. 34. <W 2001-07-13/35, art. 18, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002> De middelen per gewest worden jaarlijks samengesteld als
volgt :
1° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33, § 4;
2° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33bis;
3° de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48.
De middelen bedoeld in het eerste lid, worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.
Afdeling 3. - Bijkomende middelen ter financiering van de programma's voor wedertewerkstelling van werklozen.
Art. 35. § 1. Wat de financiële tegemoetkoming betreft
die is bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, tweede lid, van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen, wordt het bedrag dat overeenstemt met een
werkloosheidsvergoeding toegekend aan het betrokken Gewest voor elke
voltijds uitgedrukte arbeidsplaats die door dat Gewest ten laste wordt
genomen, op voorwaarde dat het bewijs geleverd wordt :
a) van de tewerkstelling uitgedrukt in een voltijdse eenheid;
b) (van de hoedanigheid van niet-werkende werkzoekenden van de
tewerkgestelde werknemers;) <W 2001-07-13/35, art. 19, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2001>
c) dat deze werknemers aangeworven worden met een arbeidsovereenkomst.
(Wat de financiële tegemoetkoming betreft die is bedoeld in
artikel 6, § 1, IX, 2°, vierde lid, van de <bijzondere>
<wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt
het bedrag dat overeenstemt met een werkloosheidsvergoeding toegekend
aan het betrokken gewest voor elke voltijds uitgedrukte arbeidsplaats
die door dat gewest ten laste wordt genomen, op voorwaarde dat het
bewijs wordt geleverd :
a) van de tewerkstelling uitgedrukt in een voltijdse eenheid;
b) dat elke arbeidsplaats wordt ingenomen door een werknemer die
is tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of op basis van
een statuut.) <W 2001-07-13/35, art. 19, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2001>
§ 2. Na overleg met de betrokken Executieven bepaalt de
Koning de modaliteiten van de bewijzen die de Gewesten moeten leveren.
§ 3. Het totale bedrag van de financiële
tegemoetkomingen bedoeld in § 1 wordt jaarlijks in de begroting
van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid ingeschreven, na
overleg met de betrokken Executieven.
§ 4. De verschuldigde financiële tegemoetkomingen
worden overgedragen aan de Gewesten per trimestriële voorschotten
berekend op basis van het aantal in § 1 bedoelde arbeidsplaatsen
tijdens het voorafgaand burgerlijk jaar uitgedrukt in voltijdse
eenheden. De definitieve afrekening geschiedt op basis van de
effectieve tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden van het
lopende burgerlijk jaar.
§ 5. De Koning bepaalt de datum en de betalingsmodaliteiten
van de trimestriële voorschotten en van het resterende
verschuldigde saldo.
Afdeling 4. - Bijkomende middelen. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 108, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 35bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 109, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren
1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaamse
Gewest :
- in het begrotingsjaar 1993 : 0,2768 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1994 : 0,5424 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1995 : 0,8535 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1996 : 1,3382 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1997 : 1,3633 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1998 : 1,5540 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1999 : 1,7207 miljard frank.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Waalse Gewest :
- in het begrotingsjaar 1993 : 0,4695 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1994 : 0,5954 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1995 : 0,7431 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1996 : 0,8781 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1997 : 0,9849 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1998 : 1,0755 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1999 : 1,1545 miljard frank.
Art. 35ter. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 110, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de vaststelling van de
bedragen voor het begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daaropvolgende
begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen
met toepassing van deze afdeling voor het vorige begrotingsjaar, voor
het Vlaamse en het Waalse Gewest samen.
§ 2. Ieder jaar wordt het met toepassing van § 1
verkregen totaal aangepast aan de procentuele verandering van het
gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de
reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken
begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
§ 3. Het met toepassing van § 2 verkregen resultaat
wordt omgeslagen over het Vlaamse en het Waalse Gewest volgens de
verdeelsleutel :
- voor het Vlaamse Gewest : 61,96 pct.;
- voor het Waalse Gewest : 38,04 pct.
Art. 35quater. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 20;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Voor het begrotingsjaar
2002 bedragen de aanvullende bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest
21 653 499,39 EUR, voor het Waals Gewest 13 292 050,80 EUR en voor het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 917 206,04 EUR.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in § 1
bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering
van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de
reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken
begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2.
De saldi die op 31 december 2001 beschikbaar zijn op de
begrotingsfondsen worden aan de gewesten overgemaakt voorzover zij
betrekking hebben op aangelegenheden die worden overgedragen met
toepassing van artikel 2 van de <bijzondere> <wet> van 13
juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten
en de gemeenschappen. De bedragen van deze saldi worden bepaald bij een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na
overleg met de gewestregeringen.
Art. 35quinquies. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 21;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen
de bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 425 437,35 EUR en voor
het Waals Gewest 19 268 763,68 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in het eerste lid
bedoelde bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het
gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de
reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken
begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
Art. 35sexies. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 22;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 worden
er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals
Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten
samen zijn deze middelen gelijk aan 14 873 611,49 EUR, uitgedrukt in
prijzen van 2002.
Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar
2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan
van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen
totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het
gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de
reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken
begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2,
en verdeeld volgens de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake
personenbelasting.
Art. 35septies. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 23;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 worden
er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals
Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten
samen zijn deze middelen gelijk aan 6 114 434,94 EUR, uitgedrukt in
prijzen van 2002.
Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar
2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan
van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen
totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het
gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de
reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken
begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2, en over de
gewesten verdeeld volgens het aandeel van elk gewest in het totaal van
het met toepassing van de artikelen 33, § 4, 35, 35ter, 35quater,
35quinquies, 35sexies en 48 voor de drie gewesten samen verkregen
bedrag.
Art. 35octies. <W 2001-07-13/35, art. 24; Inwerkingtreding :
01-01-2002> De middelen bedoeld in deze afdeling worden gevormd door
een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.
HOOFDSTUK III. - DE GEMEENSCHAPPEN.
Art. 36. <W 2001-07-13/35, art. 25, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002> De middelen per gemeenschap worden jaarlijks als volgt
samengesteld :
1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
2° het, naargelang het geval, in artikel 46 of 47 bedoelde
toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting;
3° de in artikel 47bis bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld.
Afdeling 1. - (opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 37. (opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Afdeling 2. - Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde.
Art. 38. § 1. De basisbedragen worden vastgesteld op :
- voor de Vlaamse Gemeenschap : 167,4389 miljard frank;
- voor de Franse Gemeenschap : 128,9468 miljard frank.
§ 2. Voor 1989 wordt er evenwel een uitzonderlijke en niet
terugkerende vermindering van 6,1023 miljard frank toegepast op het
bedrag bedoeld in § 1 voor de Vlaamse Gemeenschap en van 4,6902
miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor de Franse
Gemeenschap.
§ 3. (Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de in § 1
bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering
van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar
worden de verkregen bedragen aangepast aan de geraamde procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van
het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische
begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994
houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 26,
003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(§ 3bis. Voor beide gemeenschappen samen worden de volgende bedragen bepaald :
1° voor het begrotingsjaar 2002 : een bedrag van 198 314 819,82 EUR;
2° voor het begrotingsjaar 2003 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
3° voor het begrotingsjaar 2004 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
4° voor het begrotingsjaar 2005 : een bedrag van 371 840 287,16 EUR;
5° voor het begrotingsjaar 2006 : een bedrag van 123 946 762,39 EUR;
6° voor de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 : een bedrag
van 24 789 352,48 EUR.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(§ 3ter. Voor het begrotingsjaar 2002 is het totaal bedrag
gelijk aan het met toepassing van § 3 voor beide gemeenschappen
samen verkregen bedrag verhoogd met het voor het begrotingsjaar 2002 in
§ 3bis bepaalde bedrag.
Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2006 is het
totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in
§ 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het
voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen
totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van
het betrokken begrotingsjaar op de wijze bedoeld in § 3.
Voor elk van de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 is het
totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in
§ 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het
voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen
totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en
aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van
het betrokken begrotingsjaar.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 is het totaal bedrag, voor beide
gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het voorgaande begrotingsjaar
met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit
laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële
groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het
bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar gebeurt de in
het derde en vierde lid bedoelde aanpassing aan de geraamde procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en
aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van
het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische
begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994
houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 26,
003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 4. De met toepassing van § 3 bekomen bedragen worden jaarlijks vermenigvuldigd met een aanpassingsfactor.
Deze aanpassingsfactor wordt bekomen door voor de Vlaamse
respectievelijk de Franse Gemeenschap de verhouding te berekenen van :
1° enerzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend
tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap, op 30
juni van het voorgaande begrotingsjaar, vermeerderd met 20 % van de
daling of in voorkomend geval verminderd met 20 % van de stijging van
dat aantal in vergelijking met 30 juni 1988;
2° en anderzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar
behorend tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap
op 30 juni 1988.
De grootste verhouding wordt weerhouden.
De aanpassingsfactor wordt jaarlijks vastgesteld bij een in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit in overleg met de
Gemeenschapsexecutieven.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners
jonger dan 18 jaar behorend tot de vlaamse Gemeenschap geacht gelijk te
zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het
Nederlands taalgebied, vermeerderd met 20 % van het aantal inwoners
jonger dan 18 jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners
jonger dan 18 jaar behorend tot de Franse Gemeenschap geacht gelijk te
zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het Frans
taalgebied, vermeerderd met 80 % van het aantal inwoners jonger dan 18
jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
(§ 5. Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011
wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag, na
aftrek van het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar
bepaalde bedrag, jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde
aanpassingsfactor.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt
verhoogd met het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar
bepaalde bedrag.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van
§ 3ter verkregen totaal bedrag jaarlijks vermenigvuldigd met de in
§ 4 bedoelde aanpassingsfactor.) <W 2001-07-13/35, art. 26,
003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 39. (§ 1. De met toepassing van artikel 38, § 4
verkregen bedragen worden jaarlijks opgeteld.) <W 2001-07-13/35,
art. 27, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt
voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1998 omgeslagen over de
Gemeenschappen volgens de verdeling van het huidig aantal leerlingen,
te weten :
- voor de Vlaamse Gemeenschap : 57,55 %;
- voor de Franse Gemeenschap ; 42,45 %.
Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt deze verdeelsleutel
aangepast aan de verdeling van het aantal leerlingen aan de hand van
bij wet vastgestelde objectieve criteria.
Het aldus bekomen resultaat vormt het basisbedrag voor iedere Gemeenschap.
Art. 40. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt voor
iedere Gemeenschap het verschil berekend tussen het met toepassing van
artikel 38 bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 39,
§ 2, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het basisbedrag van
de overgangscorrectie.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1989, 1990 en 1991 is de
overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de
overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten verminderd
percentage van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art. 40bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 28;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt
jaarlijks het verschil bepaald tussen het met toepassing van artikel
38, § 5, verkregen totaal bedrag enerzijds en het met toepassing
van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag anderzijds.
Art. 40ter. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 29;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Voor de begrotingsjaren
2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van artikel 40bis
verkregen bedrag in twee gedeelten opgesplitst.
Het eerste gedeelte bedraagt :
1° voor het begrotingsjaar 2002 : 35 %;
2° voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2009 : een
jaarlijks met 5 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het
1° vastgestelde percentage;
3° voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2011 : een
jaarlijks met 10 punten toenemend percentage vertrekkende van het in
het 2° voor het begrotingsjaar 2009 verkregen percentage.
Voor elk van de betrokken begrotingsjaren is het tweede gedeelte
gelijk aan het verschil tussen het in het eerste lid bedoelde bedrag en
het in het tweede lid bepaalde gedeelte.
§ 2. Het met toepassing van § 1, tweede lid, bepaalde
gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee
gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap
gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig
artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.
§ 3. Het met toepassing van § 1, derde lid, bepaalde
gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee
gemeenschappen verdeeld volgens het aantal leerlingen in elke
gemeenschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria bedoeld in
artikel 39, § 2.
§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing
van artikel 40bis verkregen bedrag over de twee gemeenschappen verdeeld
in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten
inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede
tot vierde lid.
Art. 41. De middelen bedoeld in deze afdeling worden per Gemeenschap als volgt samengesteld :
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 39, § 2;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 40, § 2.
3° (het bedrag verkregen met toepassing van artikel 40ter.)
<W 2001-07-13/35, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Afdeling 3. - Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.
Onderafdeling 1. - Overgangsperiode.
Art. 42. § 1. De basisbedragen worden vastgesteld op :
- voor de Vlaamse Gemeenschap : 47,6638 miljard frank;
- voor de Franse Gemeenschap : 37,5229 miljard frank.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen
jaarlijks aangepast aan de procentuele veranderingen van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in
artikel 13, § 2.
§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde bedragen worden vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.
Art. 43. De annuïteiten van de bedragen bedoeld in artikel
42, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend op analoge wijze als
bepaald in artikel 16, § 1, en opgeteld op analoge wijze als
bepaald in artikel 16, § 2.
Art. 44. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van
artikel 42, § 3, 1°, en artikel 43 worden voor iedere
Gemeenschap opgeteld.
§ 2. Voor iedere Gemeenschap wordt het met toepassing van
§ 1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van
de in de betrokken Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake
personenbelasting.
Wat de Vlaamse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de
personenbelasting gevormd door de in het Nederlands taalgebied
gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 20 %
van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde
opbrengst van de personenbelasting.
Wat de Franse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de
personenbelasting gevormd door de in het Frans taalgebied
gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 80 %
van de opbrengst van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad
gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting.
Voor de toepassing van dit artikel worden de ontvangsten,
gelokaliseerd in elk taalgebied, inzake personenbelasting zoals bedoeld
in artikel 7, § 2, jaarlijks vastgesteld, op basis van de meest
recente gegevens, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit,
na voorafgaand overleg met de Gewest- en Gemeenschapsexecutieven.
§ 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van
§ 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk
der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.
De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de
onderscheiden Gemeenschappen.
Art. 45. § 1. Voor iedere Gemeenschap wordt jaarlijks het
verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 44, § 1,
bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 44, § 3,
bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van
de overgangscorrectie.
§ 2. Voor het begrotingsjaar 1989 is de overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1998 is de
overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend
percentage van het door het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag
van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art. 45bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 111, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor het begrotingsjaar
1993 wordt een basisbedrag bepaald van 4,5 miljard frank.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt
jaarlijks voor de beide Gemeenschappen samen het totaal bepaald van :
1° de basisbedragen verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
2° de bedragen van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.
§ 3. Het in § 2 verkregen totaal wordt jaarlijks
vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reële groei
van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en
vanaf het begrotingsjaar 1994 verhoogd met het voor het vorige
begrotingsjaar, in § 4 voor de beide Gemeenschappen samen in
aanmerking genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de
procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen evenals aan een procentueel gedeelte van de
reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken
begrotingsjaar.
Het in het vorige lid in aanmerking te nemen procentueel
gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt
bedraagt :
- in het begrotingsjaar 1994 : 10 pct.;
- in het begrotingsjaar 1995 : 15 pct.;
- in het begrotingsjaar 1996 : 20 pct.;
- in het begrotingsjaar 1997 : 70 pct.;
- in het begrotingsjaar 1998 : 75 pct.;
- in het begrotingsjaar 1999 : 97,5 pct.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het
bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de
procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de
reële groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande
jaar.
§ 4. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt
jaarlijks de verhouding bepaald van, naargelang het geval, het in
§ 1 bepaalde bedrag of het in § 3 verkregen resultaat, tot
het totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten
inzake personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2,
uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen
gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus verkregen
resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.
Art. 45ter. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 112, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor het begrotingsjaar
1993 wordt een basisbedrag vastgesteld van 5,065 miljard frank.
Vanaf het begrotingsjaar 1994 tot en met het begrotingsjaar 1999
wordt dit bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van
het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de
reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken
begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het
gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële
groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in
functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer
van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto
nationaal produkt van het voorgaande jaar.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt
jaarlijks de verhouding van het in § 1 verkregen bedrag tot het
totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake
personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2, uitgedrukt in
percenten met vijf decimalen.
§ 3. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der
Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De
aldus verkregen resultaten vormen de basisbedragen voor de
onderscheiden Gemeenschappen.
Art. 46. <W 1993-07-16/30, art. 113, 002; Inwerkingtreding :
1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1992
worden de middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap, als
volgt samengesteld :
1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.
§ 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 worden de
middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap, als volgt
samengesteld :
1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2;
3° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45bis, § 4;
4° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45ter, § 3.
Onderafdeling 2. - Definitief stelsel.
Art. 47. § 1. Voor de vaststelling van de bedragen voor het
begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren
wordt uitgegaan van de middelen per Gemeenschap van het voorgaande
begrotingsjaar.
§ 2. (Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de
procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto
nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van
de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal
inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en
aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van
het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische
begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994
houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 31,
003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2bis. (Indien het rekenkundig gemiddelde van de
jaarlijkse reële groei van het bruto nationaal produkt tijdens de
periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2
voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op
basis van een uniforme reële groei van 2 pct. tijdens de
begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.
Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2
voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag méér dan
0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van
§ 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een
bedrag in aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor
het begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van
het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.
Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in
§ 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25
pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van §
2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het
eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.) <W 1993-07-16/30,
art. 114, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
§ 3. (Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of,
in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in
aanmerking genomen bedrag, voor de twee gemeenschappen samen uitgedrukt
in percenten met vijf decimalen van het totaal van de in beide
gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.)
<W 2001-07-13/35, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast
op de in elke Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake
personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2.
Afdeling 4. - <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 33;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> De dotatie ter compensatie van het
kijk- en luistergeld.
Art. 47bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 34;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Aan de Vlaamse Gemeenschap
en de Franse Gemeenschap wordt jaarlijks een dotatie toegekend ter
compensatie van het kijk- en luistergeld. Het basisbedrag van deze
dotatie wordt per gemeenschap bepaald als het gemiddelde voor de
begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 van de in de Vlaamse Gemeenschap
respectievelijk de Franse Gemeenschap gelokaliseerde netto-opbrengst
van het kijk- en luistergeld, met inachtneming van de
lokalisatiecriteria zoals bepaald in § 3. De netto-opbrengst wordt
uitgedrukt in prijzen van 2002.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt het met toepassing
van § 1 verkregen bedrag per gemeenschap jaarlijks aangepast aan
de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze
als bepaald in artikel 38, § 3.
§ 3. Voor de toepassing van § 1 wordt het kijk- en
luistergeld geacht gelokaliseerd te zijn als volgt :op de plaats waar
het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in
autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel
gevestigd is.
Aan de Franse Gemeenschap wordt het gedeelte van de
netto-opbrengst toegewezen van het in het Franse taalgebied
gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 80 % van het gedeelte
van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied
Brussel-Hoofdstad.
Aan de Vlaamse Gemeenschap wordt het gedeelte van de
netto-opbrengst toegewezen van het in het Nederlandse taalgebied
gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 20 % van het gedeelte
van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied
Brussel-Hoofdstad.
TITEL V. - DE NATIONALE SOLIDARITEITSTUSSENKOMST.
Art. 48. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1990 wordt jaarlijks
een nationale solidariteitstussenkomst toegekend aan het Gewest waarvan
de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner lager ligt
dan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner voor
het Rijk.
§ 2. Het basisbedrag van de nationale
solidariteitstussenkomst bedraagt 468 frank per inwoner en per
procentpunt dat de gemiddelde opbrengst lager ligt. De gemiddelde
opbrengst wordt berekend op basis van de cijfers vastgesteld
overeenkomstig artikel 7, § 2.
Vanaf het begrotingsjaar 1989 wordt het basisbedrag jaarlijks
aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer
van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13,
§ 2. (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse
aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde
indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in
artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 35, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
TITEL VI. - LENINGEN.
Art. 49. (§ 1. De gemeenschappen en de gewesten kunnen leningen aangaan in euro of in deviezen.
§ 2. De programmatie van de openbare leningen wordt vastgesteld door de Ministerraad na overleg met de regeringen.
De voorwaarden en de uitgiftekalender van elke openbare lening
worden ter goedkeuring aan de minister van Financiën voorgelegd.
Indien deze goedkeuring door de Minister van Financiën
wordt geweigerd, kan de betrokken regering vragen dat de kwestie ter
beslissing aan de Ministerraad wordt voorgelegd.
§ 3. De gemeenschappen en de gewesten kunnen
privé-leningen en kortlopende effecten uitgeven na de Minister
van Financiën terzake te hebben geïnformeerd. De modaliteiten
van de mededeling en de inhoud van deze informatie maken het voorwerp
uit van een overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de
regeringen.) <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002>
§ 4. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 5. De instellingen van openbaar nut die afhangen van de
Gemeenschappen en de Gewesten zijn onderworpen aan de bepalingen (van
§ 2). Deze bepalingen worden op hen toegepast door tussenkomst van
de betrokken Executieve. <W 2001-07-13/35, art. 36, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 6. Binnen de Hoge Raad van Financiën richt de Koning
een afdeling " Financieringsbehoeften van de overheid " op. Deze
afdeling telt twaalf leden, aangeduid door de Koning, op grond van hun
bijzondere bevoegdheid en ervaring op financieel-economisch gebied, op
voordracht van de Ministers van Financiën en van Begroting. De
helft van de leden wordt voorgedragen op voorstel van de Executieven.
De andere helft omvat de vertegenwoordiger van de Minister van
Financiën in het bureau van deze Raad, alsook drie leden
voorgesteld door de Nationale Bank van België, waaronder de
vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België in het genoemde
bureau. De afdeling telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige
leden. De Koning regelt de samenstelling en werking van de afdeling
evenals het stelsel van de onverenigbaarheden bij een in Ministerraad
overlegd besluit, genomen na advies van de Executieven.
De afdeling stelt jaarlijks een advies op over de financieringsbehoeften van de overheden.
De afdeling kan ambtshalve of op vraag van de Minister van
Financiën een advies uitbrengen over de opportuniteit de
leningcapaciteit van een overheid te beperken, in functie van de
noodzaak om de economische unie en de monetaire eenheid niet in het
gedrang te brengen, verstoringen van het interne en externe monetaire
evenwicht te vermijden en een structurele ontsporing van de
financieringsbehoeften te voorkomen.
Ieder advies van de afdeling wordt medegedeeld aan de Regering en desgevallend aan de betrokken Executieve.
Bij de beoordeling van de financieringsbehoeften van de
overheden houden de ter uitvoering van deze paragraaf opgestelde
adviezen niet alleen rekening met de financieringsbehoeften van de
betrokken overheden zelf, maar ook met die van de instellingen waarvan
de financiële dienst de begroting van die overheden bezwaart.
§ 7. Na het advies van de in § 6 genoemde afdeling te
hebben ontvangen, kan de Koning, op voorstel van de Minister van
Financiën en bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor een
periode van ten hoogste twee jaar de leningmogelijkheid van een
Gemeenschap of Gewest beperken. Dat besluit wordt genomen na overleg
met de betrokken Executieve.
Zolang het in voorgaand lid vermelde besluit van kracht is,
worden alle leningen bedoeld in § 3 van de betrokken Gemeenschap,
het betrokken Gewest of de instellingen bedoeld in § 5 voorgelegd
aan de goedkeuring van de Minister van Financiën.
§ 8. Jaarlijks wordt bij de middelenbegroting van de
Gemeenschappen en de Gewesten een staat gevoegd om hun totale
uitstaande schuld op 31 december van de laatste drie jaren.
Maandelijks wordt een gedetailleerde staat van de totale
uitstaande schuld van iedere Gemeenschap en ieder Gewest medegedeeld
aan de Minister van Financiën. Deze staat wordt maandelijks
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Onder schuld wordt in deze paragraaf verstaan de schuld van de
Gemeenschappen en Gewesten, met inbegrip van de verbintenissen van
instellingen waarvan de financiële dienst de begroting van de
Gemeenschappen en Gewesten bezwaart.
Art. 49bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 37;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> De bepalingen van artikel 49 met
uitzondering van § 6, eerste lid, zijn van toepassing op de
krachtens artikel 138 van de Grondwet toegekende bevoegdheden aan de
Franse Gemeenschapscommissie.
TITEL VII. - BEPALINGEN VAN BUDGETTAIRE EN FINANCIELE ORGANISATIE.
Art. 50. § 1. (Elk Parlement) keurt jaarlijks de begroting
goed en sluit de rekeningen af. <W 2006-03-27/33, art. 11, 005;
Inwerkingtreding : 21-04-2006>
De algemene rekening van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt,
samen met de opmerkingen van het Rekenhof, aan (hun Parleent)
overgezonden. <W 2006-03-27/33, art. 12, 005; Inwerkingtreding :
21-04-2006>
Alle ontvangsten en uitgaven worden ingeschreven in de begroting en de rekeningen.
§ 2. De wet bepaalt de algemene bepalingen die van
toepassing zijn op de begrotingen en de boekhouding van de
Gemeenschappen en de Gewesten, alsook op de organisatie van de controle
uitgeoefend door het Rekenhof.
Wat de instellingen van openbaar nut betreft die afhangen van de
Gemeenschappen en de Gewesten, bepaalt de wet de algemene bepalingen
betreffende de organisatie van de controle door het Rekenhof.
De wet bepaalt de algemene bepalingen op de controle inzake het verlenen en het gebruik van subsidies.
Art. 51. De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren een eigen
administratieve- en begrotingscontrole en doen daartoe een beroep op
inspecteurs van Financiën die hun ter beschikking worden gesteld
en onder hun gezag staan.
De inspecteurs van Financiën stellen hun verslagen op in
volle onafhankelijkheid, en delen deze alleen mee aan de Executieve
waaronder zij ressorteren.
Na akkoord van de Executieven, organiseert de Koning, bij een in
Ministerraad overlegd besluit, het korps van de Inspectie van
Financiën, de betrokkenheid van de Gemeenschappen en de Gewesten
aan het beheer ervan alsook de terbeschikkingstelling van de
inspecteurs van Financiën bij de Gemeenschappen en Gewesten met
het oog op de uitvoering van de opdrachten die hun krachtens het eerste
lid zijn toevertrouwd.
Art. 52. De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren hun eigen
thesaurie, volgens modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de Executieven. Gedurende
een overgangsperiode van twee jaar eindigend op 31 december 1990 wordt
de thesaurie van de Gemeenschappen en de Gewesten evenwel waargenomen
door de thesaurie van de Staat, volgens modaliteiten bepaald bij een in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de Executieven.
Art. 53. De Rijksmiddelenbegroting bepaalt :
1° de bedragen vastgesteld, per Gewest, van de belastingen
bedoeld in artikel 3, behalve wanneer het Gewest gebruik maakt van de
mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3;
1°bis (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2° de bedragen vastgesteld per Gemeenschap en bedoeld in artikel 36;
3° de bedragen vastgesteld per Gewest en bedoeld in de artikelen 12 en 34.
Over het ontwerp houdende de Rijksmiddelenbegroting wordt inzake
deze punten vooraf overleg gepleegd tussen de nationale overheid en de
Gemeenschaps- en Gewestexecutieven. Over het bedrag van de nationale
solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48 wordt hetzelfde
voorafgaand overleg gepleegd.
Art. 54. § 1. De middelen bedoeld in titel II, die
krachtens een internationaal verdrag aan de nationale overheid worden
gestort, worden door deze laatste aan de bevoegde instelling van de
Gemeenschap of van het Gewest overgemaakt op het einde van de maand die
volgt op de maand waarin ze worden geïnd.
Onverminderd artikel 5, § 3, worden de middelen bedoeld in
titel III en in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, door het
Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van het Gewest
overgemaakt op het einde van de maand die volgt op de maand waarin ze
door het Ministerie van Financiën worden geïnd.
De middelen bedoeld in titel IV, met uitzondering van deze
bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, worden, op de
eerste werkdag van elke maand, door het Ministerie van Financiën
aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest
overgemaakt ten belope van één twaalfde van het begrote
bedrag. Elke twaalfde is een voorschot dat verrekend wordt met de
opbrengst van de inning van de betrokken belasting gedurende dezelfde
maand. Na afloop van het jaar deelt het Ministerie van Financiën
aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest een
tabel mee die, voor iedere maand van het afgelopen jaar, het bedrag van
het gestorte twaalfde en het bedrag van het overeenkomstige deel van de
werkelijk ontvangen opbrengst van de toegewezen belasting aangeeft. Het
positieve saldo ten voordele van de Gemeenschap of van het Gewest wordt
maandelijks geboekt als een lening aan het Ministerie van
Financiën. Het positieve saldo ten voordele van het Ministerie van
Financiën wordt maandelijks geboekt als een lening aan de
betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest. De financiële
modaliteiten van deze verrichtingen worden geregeld door een
overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de Executieven.
De middelen bedoeld in titel V worden, op de eerste werkdag van
elke maand, door het Ministerie van Financiën aan de bevoegde
instelling van het Gewest overgemaakt ten belope van één
twaalfde van het begrote bedrag.
§ 2. In geval van overschrijding van deze termijnen of van
ontoereikende storting en na mededeling daarvan aan de Minister van
Financiën, heeft de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest
het recht een lening aan te gaan bij een vooraf in akkoord met de
Minister van Financiën aangeduide kredietinstelling. Deze lening
geniet van rechtswege de staatswaarborg. Het financiële stelsel
van deze lening maakt het voorwerp uit van een algemene vooraf gesloten
overeenkomst tussen de Minister van Financiën, elke Executieve en
de betrokken kredietinstelling.
De financiële dienst van deze lening is rechtstreeks ten laste van de Staat.
TITEL VIII. - DIVERSE BEPALINGEN.
Art. 55. § 1. De aandelen en vorderingen van de Nationale
Maatschappij voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren (NMNS)
in en ten opzichte van de ondernemingen, investen inbegrepen, die in
het Vlaamse Gewest, in het Waalse Gewest en in het Brusselse
Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, worden respectievelijk aan het
Fonds voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren in het Vlaamse
Gewest (FNSV), aan het " Fonds pour la restructuration des Secteurs
nationaux en Région wallonne (FSNW) " en aan de Gewestelijke
Investeringsmaatschappij voor Brussel (GIMB) overgedragen.
Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van
rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze
wet.
De inventaris van de aandelen en vorderingen die aan iedere
instelling worden overgedragen, wordt in het Belgisch Staatsblad
bekendgemaakt, ten laatste één maand na de
inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. Op de datum van inwerkingtreding van onderhavige wet
worden aan de fondsen en de GIMB bedoeld in § 1, ieder voor wat
hem betreft, de financiële middelen overgedragen die
overeenstemmen met de saldi van de op die datum bestaande
reconversie-enveloppes. De fondsen moeten de beleggingsopbrengst van
deze financiële middelen aan de NMNS storten, zolang die middelen
niet voor reconversieprojecten aangewend zijn.
De stortingsmodaliteiten van de beleggingsopbrengst zullen, na
overleg met de betrokken Executieven, bij een in Ministerraad overlegd
koninklijk besluit worden bepaald.
§ 3. Iedere verkrijgende instelling bedoeld onder § 1
draagt kapitaalsaandelen over aan de overdragende instelling, voor een
bedrag dat overeenstemt met de krachtens §§ 1 en 2 ontvangen
aandelen, vorderingen en financiële middelen.
§ 4. De Nationale Maatschappij voor de Nationale Sectoren
draagt onverwijld aan de Staat alle aandelen over, die zij bezit in de
instellingen bedoeld onder § 1, met inbegrip van de aandelen
bedoeld in § 3. De Staat draagt deze op zijn beurt onverwijld en
kosteloos over aan de bevoegde Gewesten.
§ 5. De overdracht van aandelen, vorderingen en
financiële middelen bedoeld in §§ 1 en 2 zijn
vrijgesteld van registratierechten.
§ 6. Vanaf 1 januari 1989 worden de in artikel 12 van de
wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden
van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische
sectoren bedoelde bevoegdheden van de Staat uitgeoefend door het
Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk
Gewest, ieder voor wat betreft de ondernemingen die op zijn grondgebied
zijn gevestigd.
§ 7. De Gewesten moeten, ieder voor wat hem betreft, in de
nodige middelen voorzien om de verbintenissen na te komen, die werden
aangegaan respectievelijk door het FNSV en het FSNW, en die reeds
bestonden op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
§ 8. De Staatswaarborg toegekend bij koninklijk besluit van
29 juni 1981 tot oprichting van een Belgische Maatschappij voor de
Financiering van de Nijverheid wordt, tot 31 december 2004, behouden
ten belope van een bedrag van 20 miljard frank voorzien voor de
staalsector, aan de voorwaarden bepaald in voormeld koninklijk besluit.
De Staatswaarborg toegekend in toepassing van de wet van 23
augustus 1948 strekkende tot het in stand houden en het uitbreiden van
de koopvaardij- en de vissersvloot en de scheepsbouw en houdende
instelling ten dien einde, van een Fonds voor het uitreden en het
aanbouwen van zeeschepen, wordt, tot 31 december 2004, behouden op het
huidige bedrag van 18 miljard frank, aan de voorwaarden in deze wet
voorzien.
§ 9. De schuldvorderingen op het FSNW, ingevolge de
Overeenkomst betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 4
juni 1984, genieten een bijzonder voorrecht op :
1° de successierechten aan het Waalse Gewest toegekend met
toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en
eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
2° de schuldvorderingen die het FSNW bezit op de
ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de
scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de
textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer
van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze
ondernemingen bezit.
De schuldvorderingen op het FNSV, ingevolge de Overeenkomst
betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 16 juli 1987,
genieten een bijzonder voorrecht op :
1° de successierechten aan het Vlaamse Gewest toegekend met
toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en
eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
2° de schuldvorderingen die het FNSV bezit op de
ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de
scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de
textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer
van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze
ondernemingen bezit.
Het bijzonder voorrecht bedoeld in onderhavige paragraaf neemt
rang onmiddellijk na deze voorzien bij artikel 20, 4°, van de wet
van 16 december 1851, betreffende de voorrechten en hypotheken.
§ 10. De vorderingen van het Fonds voor het Scheepskrediet
alsook het saldo van het Fonds op postcheckrekening worden aan het
Vlaamse Gewest overgedragen bij de inwerkingtreding van deze wet.
Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van
rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze
wet.
§ 11. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te
nemen welke voortvloeien uit beslissingen die door de nationale
overheid vóór de inwerkingtreding van deze wet werden
genomen met toepassing van de wet van 17 juli 1959 tot invoering en
ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en
de oprichting van nieuwe industrieën, de wet van 30 december 1970
betreffende de economische expansie of de wet van 4 augustus 1978 tot
economische heroriëntering en die betrekking hebben op
ondernemingen die behoren tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de
scheepsbouw en scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de
textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer
van ersten en cokes.
Art. 56. § 1. Als saldi voor de eerste, tweede en derde
opdracht van het Fonds voor Industriële Vernieuwing, bepaald in
artikel 3 van het koninklijk besluit nr 31 van 15 december 1978 tot
instelling van een Fonds voor Industriële Vernieuwing, worden aan
de Gewesten de volgende bedragen overgedragen :
876,8 miljoen frank aan het Vlaamse Gewest;
547,3 miljoen frank aan het Waalse Gewest;
237,7 miljoen frank aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Deze bedragen worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk
besluit, genomen na overleg met de betrokken Executieven, verminderd
met de na 30 november 1988 op de begroting van het jaar 1988
geordonnanceerde bedragen. Dat koninklijk besluit wordt genomen binnen
drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. Voor het jaar 1989 wordt aan het Fonds voor
Industriële Vernieuwing een bedrag van 400 miljoen frank toegekend
voor de betaling van de voor de inwerkingtreding van deze wet aangegane
verbintenissen voor het Brusselse Gewest. Het saldo van dit bedrag op
31 december 1989 zal aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest worden
overgedragen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit,
genomen, na overleg met de betrokken Executieve, vóór 1
april 1990.
Art. 57. § 1. In afwijking van artikel 12 van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat,
zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die
uitsluitend voor het Nederlandstalig of voor het Franstalig onderwijs
worden aangewend, overgedragen, zonder vergoeding, respectievelijk aan
de Vlaamse Gemeenschap en aan de Franse Gemeenschap.
§ 2. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8
augustus 1980, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat,
zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die
ressorteren onder de bevoegdheid van de Gewesten krachtens artikel 6,
§ 1, III, 8° en X, van dezelfde wet, alsmede de grote
waterbouwkundige werken, overgedragen, zonder vergoeding, aan het
Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk
Gewest naar gelang van hun ligging.
§ 3. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8
augustus 1980 worden zonder vergoeding naar de Gewesten overgedragen,
ieder wat hem betreft, de roerende en onroerende goederen van de Staat,
zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die
verworven of gebouwd werden, ingevolge beraadslagingen na 1 januari
1975 van de ministeriële comités voor de Gewestelijke
Vlaamse, Waalse en Brusselse aangelegenheden, ingesteld door de wet van
1 augustus 1974 tot oprichting van de gewestelijke instellingen ter
voorbereiding van de toepassing van artikel 107quater van de Grondwet.
In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus
1980 worden zonder vergoeding overgedragen naar de Gemeenschappen,
ieder wat haar betreft, de roerende en onroerende goederen van de
Staat, zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die
verworven of gebouwd werden :
1° hetzij ingevolge een beslissing die na 1 januari 1972 door de Ministers van Cultuur werd genomen;
2° hetzij ingevolge beraadslagingen na 1 januari 1980 van de
ministeriële comités voor de Nederlandse Gemeenschap en
voor de Franse Gemeenschap, ingesteld door de wet van 5 juli 1979.
§ 4. De in §§ 1 tot 3 bedoelde overdrachten
worden van rechtswege uitgevoerd. Zij zijn zonder verdere formaliteiten
van rechtswege tegenstelbaar aan de derden, vanaf de inwerkingtreding
van onderhavige wet.
Onverminderd het eerste lid van deze paragraaf, wordt de lijst
van de goederen waarvan sprake is in de §§ 1 tot 3 opgemaakt
bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend
advies van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven, en bekendgemaakt in
het Belgisch Staatsblad.
§ 5. De Gemeenschappen en de Gewesten nemen de rechten en
verplichtingen van de Staat betreffende de hen krachtens dit artikel
overgedragen goederen over, met inbegrip van de rechten en
verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke
procedures.
De Staat blijft echter de verantwoordelijkheid dragen voor de
verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering kon worden
geëist voor de eigendomsoverdracht wat de goederen betreft waarvan
sprake is in dit artikel.
§ 6. Voor ieder goed dat wordt overgedragen, bezorgt de
Staat aan de betrokken Gemeenschap of aan het betrokken Gewest de akten
en bescheiden, met inbegrip van de uittreksels uit de kadastrale
leggers en uit het kadastraal plan, met vermelding van de rechten,
lasten en verplichtingen verbonden aan het goed.
De inventaris van deze akten en bescheiden wordt zo spoedig
mogelijk opgemaakt. Deze inventaris wordt ondertekend door de Minister
van Financiën of door de Minister die het goed beheerde of door
hun afgevaardigde en door de betrokken Executieve of haar afgevaardigde.
§ 7. Indien er een geschil rijst in verband met een
overgedragen goed, kan de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest
de Staat bij de zaak betrekken en kan deze laatste steeds in de zaak
tussenkomen.
Art. 58. § 1. De Gewestelijke Economische Raad voor Brabant
wordt afgeschaft op de door de Koning bepaalde datum, bij een in
Ministerraad overlegd besluit.
§ 2. Met het oog op de afschaffing van de in § 1
vermelde instelling regelt de Koning, bij in Ministerraad overlegde
besluiten, de ontbinding alsmede alle daarmee verband houdende
vraagstukken, met name de overdracht van de personeelsleden, goederen,
rechten en verplichtingen van de instelling aan de Gewesten, ieder wat
hem betreft.
De bestaande schuldenlast in de Gewestelijke Economische Raad
van Brabant zal worden verdeeld over de Gewesten en dat in functie van
de ongelijkmatige bijdrage die ieder van hen in de voorbije jaren heeft
geleverd met het oog op de beheersing of vermindering van die
schuldenlast.
§ 3. In de in § 2 bedoelde koninklijke besluiten
worden, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het
personeel, de modaliteiten inzake de overdracht van personeelsleden en
de maatregelen voor het waarborgen van hun rechten vastgesteld, met
inachtneming van de beginselen vermeld in artikel 88, § 2, tweede,
derde en vierde lid, van de <bijzondere> <wet> van 8
augustus 1980.
§ 4. Het bedrag van het pensioen dat, ter uitvoering van
§ 2, aan de overgedragen personeelsleden zal worden toegekend,
alsook het bedrag van het pensioen van hun rechthebbenden mag niet
minder zijn dan het bedrag van het pensioen dat aan de belanghebbende
zou zijn toegekend overeenkomstig de wettelijke of reglementaire
bepalingen die op hen van toepassing waren op het ogenblik van de
overdracht, waarbij echter rekening wordt gehouden met de wijzigingen
die later in deze bepalingen zijn aangebracht krachtens algemene
maatregelen die van toepassing zijn op alle instellingen die behoren
tot de categorie waarvan de af te schaffen instelling deel uitmaakt.
De modaliteiten betreffende de tenlasteneming van de bijkomende
uitgaven die voortvloeien uit de bij het voorgaande lid ingestelde
waarborg, kunnen door de Koning worden vastgesteld, op voorstel van de
Minister tot wiens bevoegdheid de Administratie der Pensioenen behoort.
§ 5. De in §§ 2 en 3 bedoelde koninklijke
besluiten worden genomen na advies van de betrokken Gewestexecutieven.
§ 6. De bepalingen van de wet van 15 juli 1970 houdende
organisatie van de planning en economische decentralisatie worden, op
de datum van inwerkingtreding van het in § 1 bedoelde koninklijk
besluit, opgeheven voor zover ze betrekking hebben op de Gewestelijke
Economische Raad voor Brabant.
De Koning kan voormelde wet aanpassen teneinde de tekst ervan in
overeenkomst te brengen met de in het vorig lid vermelde opheffingen.
Daartoe kan Hij :
1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de vorm van de bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen wijzigen die zouden zijn vervat in de te
vereenvoudigen bepalingen met het oog op de overeenstemming ervan met
de nieuwe nummering;
3° de tekst van de te coördineren bepalingen wijzigen
met het oog op de overeenstemming ervan en de eenvormigheid in de
terminologie, zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de in deze
bepalingen vastgestelde beginselen.
Art. 59. <wijzigingsbepaling van artikel 91bis van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen>
Art. 60. <wijzigingsbepaling van artikel 18 van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1988 tot wijziging van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen>
Art. 61. § 1. Tenzij in deze wet anders wordt bepaald,
nemen de Gemeenschappen en Gewesten de rechten en verplichtingen van de
Staat over die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden
toegekend bij de <wet> van 8 augustus 1988 tot wijziging van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die
voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
Blijven echter ten laste van de Staat de verplichtingen bedoeld
in het eerste lid met betrekking tot de leningen aangegaan
vóór de inwerkingtreding van deze wet :
- door het Wegenfonds;
- in het kader van de wet van 8 januari 1981 met betrekking tot
de consolidatieleningen ten gunste van de Brusselse ondergeschikte
besturen en van artikel 51 van de wet van 26 juli 1971 houdende
organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten;
- in het kader van het koninklijk besluit nr. 31 van 15 december
1978 tot instelling van een Fonds voor industriële vernieuwing;
- door de maatschappijen voor intercommunaal gemeenschappelijk
vervoer die aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten
laste van artikel 31.03 van de begroting van het Ministerie van
Verkeerswezen;
- door de N.V. Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel die
aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten laste van
artikel 21.02 en artikel 51.08 van de begroting van Openbare Werken.
- in toepassing van de raamcontracten van 30 maart 1979, van 1
juni 1981 en van 15 juni 1981 met de Nationale Maatschappij voor
Krediet aan de Nijverheid en van 2 juli 1979 aangegaan met de Algemene
Spaar- en Lijfrentekas.
Onverminderd het bepaalde bij artikel 73, § 1, blijft de
Staat daarenboven alléén gebonden door de contractuele
verplichtingen die hij heeft aangegaan en vastgelegd vóór
de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gesplitste kredieten
van het Deel I - Kredieten bestemd voor de uitvoering van het
Investeringsprogramma, van de Titel II - Kapitaaluitgaven, of van de
Fondsen van de Titel IV - Afzonderlijke sectie van de begroting, die
worden gestijfd door niet gesplitste kredieten van het voormelde Deel I
van de Titel II van de begroting.
Dezelfde regeling is van toepassing op de contractuele
verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan
vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de
vastleggingskredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling.
De in de twee voorgaande leden bedoelde contractuele
verplichtingen hebben betrekking op de vóór de
inwerkingtreding van deze wet aangegane vastleggingen, zoals blijkt uit
de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding
van het Wegenfonds.
Wat andere uitgaven betreft dan deze die beoogd worden in de
hierboven vermelde leden 2, 3 en 4 blijft de Staat eveneens gebonden
door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988 :
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum
als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen
betalingsaanvraag moet voorgelegd worden;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de
betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum
in overeenstemming met geldende wetten en reglementen.
De Staat bezorgt onverwijld aan de Gemeenschappen en Gewesten,
ieder wat hem betreft, de akten en bescheiden die de rechten en
verplichtingen vermelden die door hen krachtens deze paragraaf worden
overgenomen. Een inventaris van de verstrekte akten en documenten wordt
opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Minister of zijn
afgevaardigde en door de bevoegde Executieve of haar afgevaardigde.
In geval van geschil kan de Gemeenschap of het Gewest steeds de
Staat bij de zaak betrekken en kan laatstgenoemde steeds in de zaak
tussenkomen.
§ 2. De artikelen 1, 2 en 8 van de wet van 5 maart 1984
betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen
en Gewesten en betreffende de nationale economische sectoren blijven
van toepassing, voor zover zij verwijzen naar aangelegenheden bedoeld
bij de <bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen en bij de wet tot oprichting van
gemeenschaps- en gewestelijke instellingen, gecoördineerd op 20
juli 1979, zonder dat rekening wordt gehouden met de wijzigingen in
deze wetten aangebracht na de inwerkingtreding van voornoemde wet van 5
maart 1984.
De artikelen 1, 2 en 8 van voornoemde wet kunnen niet worden
gewijzigd dan bij de meerderheid vermeld in artikel 1, laatste lid, van
de Grondwet.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt met de woorden " van
de begroting van het Ministerie van het Brusselse Gewest " en " het
krediet voor het Ministerie voor het Brusselse Gewest vastgesteld met
toepassing van het artikel 7 van de in § 1 bedoelde wet "
respectievelijk vermeld in § 1 en § 3 van artikel 8 van de
voornoemde wet van 5 maart 1984, vanaf de datum van inwerkingtreding
van deze wet, bedoeld respectievelijk " van het Brusselse
Hoofdstedelijk Gewest " en " de financiële middelen die aan het
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest toekomen krachtens de
<bijzondere> <wet> betreffende de financiering van de
Gemeenschappen en de Gewesten ".
§ 3. De Gemeenschappen en Gewesten nemen, ieder wat hem
betreft, de goederen, rechten en verplichtingen over van de
instellingen van openbaar nut waarvan de taken ressorteren onder de
bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen, op de bij de wet
vastgestelde wijze, met inachtneming van de beginselen vervat in
artikel 57 en in § 1, tweede tot achtste lid, van dit artikel.
§ 4. De Gewesten nemen op de datum van inwerkingtreding van
deze wet van de Gemeenschappen de rechten en de verplichtingen over
inzake de monumenten en de landschappen gelegen op hun grondgebied.
§ 5. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te
nemen welke voortvloeien uit de verbintenissen die vóór
de inwerkingtreding van deze wet werden aangegaan inzake de sociale
begeleiding van de herstructurering van de ondernemingen die behoren
tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de
scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid
en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ersten en cokes.
§ 6. (Met betrekking tot de verbintenissen die
vóór 1 januari 1993 werden aangegaan inzake het
Landbouwinvesteringsfonds, behoudt de Staat alle rechten en
verplichtingen.
Wat de andere uitgaven betreft dan die welke beoogt worden in
het vorige lid blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande
verplichtingen op 31 december 1992 :
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum
als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen
betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de
betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum
in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.) <W
1993-07-16/30, art. 116, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
(§ 7. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, nemen de
gewesten de rechten en verplichtingen over van de Staat die betrekking
hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de
<bijzondere> <wet> van 13 juli 2001 houdende overdracht van
diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, met inbegrip
van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en
toekomstige gerechtelijke procedures.
Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 januari
2002 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de Staat gebonden
door de bestaande verplichtingen op 31 december 2001 :
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum
als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen
betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de
betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum
in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.
Met betrekking tot de prefinanciering door de Staat, voor
rekening van de lokale besturen die een beroep doen op de diensten van
een gewestelijke ontvanger, van de kosten die verband houden met de
bezoldigingen en andere vaste uitgaven voor de gewestelijke ontvangers
en met de werkingsuitgaven van de gewestelijke gemeenteontvangerijen,
behoudt de Staat zijn rechten tot terugvordering, op die lokale
besturen, van de tot en met 31 december 2001 door hem geprefinancierde
bedragen.) <W 2001-07-13/35, art. 39, 003; Inwerkingtreding :
01-01-2002>
Art. 62. § 1. Onverminderd de toepassing van deze wet wordt
jaarlijks, in de Rijksbegroting, voor de Gemeenschappen een krediet
vastgesteld voor de financiering van het universitair onderwijs dat aan
buitenlandse studenten wordt verstrekt.
Voor het begrotingsjaar 1989 zijn deze bedragen respectievelijk
1.200 miljoen voor de Franse Gemeenschap en 300 miljoen voor de Vlaamse
Gemeenschap.
(Voor het begrotingsjaar 2000 zijn deze bedragen respectievelijk
56 162 756,97 EUR voor de Franse Gemeenschap en 27 662 438,42 EUR voor
de Vlaamse Gemeenschap.) <W 2001-07-13/35, art. 40, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Voor het begrotingsjaar 1990 en voor elk van de
volgende begrotingsjaren worden de bedragen vermeld in § 1
aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer
van de consumptieprijzen, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13,
§ 2.
(Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing
aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, §
3.) <W 2001-07-13/35, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 3. De in § 2 bedoelde bedragen kunnen vanaf 1990
worden verhoogd, inzonderheid om rekening te houden met de eventuele
financiële gevolgen voor de Gemeenschappen van beslissingen die de
nationale overheid bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheid heeft
genomen.
Voor het wetsontwerp tot vaststelling van het onder § 1
bedoelde krediet wordt op dat punt ieder jaar vooraf overleg gepleegd
tussen de nationale Regering en de Gemeenschapsexecutieven.
§ 4. Artikel 54, § 1, vierde lid, en § 2 is op dit krediet van toepassing.
Art. 62bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 41;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt
jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met 27,44 % van de te
verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt
jaarlijks verminderd met een bedrag dat overeenstemt met 0,8428 % van
het in het eerste lid verkregen bedrag.
Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt
jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld
volgens het aandeel van elke gemeenschap in het totaal van de met
toepassing van artikel 36, 1° en 2° voor beide gemeenschappen
samen verkregen bedrag.
De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten
die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger
mogen zijn dan respectievelijk 50 % en 80 % van de voorlopige
winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald.
Art. 62ter. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 42;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar waarin de
Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen, worden aan de
Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap bijkomende middelen
toegekend gelijk aan een bedrag van 5 659 409,17 EUR, uitgedrukt in
prijzen van 2002. De verdeling van dit bedrag over beide gemeenschappen
geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol
van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de
dag van de overdracht, zoals bedoeld in artikel 18, 4°, van de
<bijzondere> <wet> van 13 juli 2001 houdende overdracht van
diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.
Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen
evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het
betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47,
§ 2.
Art. 63. <W 1993-07-16/30, art. 117, 002; Inwerkingtreding :
1994-01-01> § 1. Een bijzonder krediet wordt jaarlijks
uitgetrokken op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Openbaar Ambt voor de gemeenten op het grondgebied waarvan zich
eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing.
§ 2. Deze eigendommen zijn :
1° de onroerende goederen, eigendom van een vreemde Staat of van een instelling van internationaal publiek recht;
2° de onroerende goederen, uitsluitend eigendom of
medeëigendom van de federale overheid, van een federale instelling
van openbaar nut of van een federaal autonoom overheidsbedrijf, die
aangewend worden voor een openbare dienst of voor een dienst van
algemeen nut, waarvan de werking zich uitstrekt over het Rijk, een
Gemeenschap, een Gewest of ten minste een provincie.
De eigendommen bedoeld in het eerste lid, 2°, zijn niet :
1° de gebouwen bestemd voor de buitendiensten van de
bedoelde administratieve diensten, instellingen en bedrijven, met
uitzondering van die welke de gewestelijke, provinciale of daarmee
gelijkgestelde besturen onderbrengen van de ministeriële
departementen, van De Post, van Belgacom en van de Nationale
Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
2° de gebouwen bestemd voor de diensten van de rechterlijke
macht, met uitzondering van het Hof van cassatie, de hoven van beroep,
het Militair Gerechtshof en de arbeidshoven;
3° de ziekenhuizen;
4° de gebouwen bestemd voor de centra van de administratieve
diensten die bevoegd zijn voor sport en openluchtrecreatie;
5° de gebouwen bestemd voor de diensten die bevoegd zijn voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
6° de onderwijsinstellingen, met inbegrip van de
universiteiten en de administratieve gebouwen die afhankelijk zijn van
de genoemde instellingen;
7° de gebouwen bestemd voor de erediensten;
8° de stations.
Onder onroerende goederen worden verstaan de gebouwde en
ongebouwde percelen met uitsluiting van het materieel en de outillering
bedoeld in artikel 471 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De vereiste voorwaarden worden beoordeeld per volledig
kadastraal perceel en, in voorkomend geval, volgens de bestemming van
het belangrijkste deel van het kadastraal perceel.
§ 3. Dat bijzonder krediet dekt voor ten minste 72 pct. de
niet-inning van de gemeentelijke opcentiemen op deze voorheffing.
Dat krediet wordt berekend :
- op basis van de gewestelijke aanslagvoeten en de gemeentelijke opcentiemen vastgesteld op 1 januari 1993;
- op basis van de meest recent beschikbare officiële gegevens over de kadastrale inkomens;
- met toepassing van de indexering van de kadastrale inkomens ingevoerd vanaf 1 januari 1991;
- voor de onroerende goederen waarvan de federale overheid
medeëigenaar is, op basis van het gedeelte van het kadastrale
inkomen dat overeenstemt met het aandeel van de federale overheid in de
medeëigendom.
Het wordt verdeeld op basis van het bedrag aan fiscale
minderopbrengst per gemeente, berekend overeenkomstig het tweede lid.
De berekeningswijze en de verdeling van dat krediet worden,
overeenkomstig de vorenstaande leden, bepaald bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit, na overleg met de betrokken
Gewestregeringen.
Het krediet dat overeenstemt met dat van de gemeenten van het
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt aan het Gewest overgedragen.
Art. 64. § 1. Aan de Stad Brussel wordt een bijzondere
dotatie toegekend. Het basisbedrag van deze dotatie bedraagt 2,5654
miljard frank.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 wordt dit bedrag
aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer
van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13,
§ 2.
(Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing
aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de
consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, §
3.) <W 2001-07-13/35, art. 43, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 3. Dit krediet zal jaarlijks worden ingeschreven op de
begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt.
Art. 65. § 1. De financiering van de begroting van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor de uitoefening van de
bevoegdheden vermeld in artikel 63 van de <bijzondere>
<wet> van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse
Instellingen, gebeurt door :
1° eigen niet-fiscale middelen vermeld in § 3;
2° een dotatie ten laste van de nationale begroting, vermeld in § 4;
3° leningen.
§ 2. De bepalingen van artikel 49 zijn van toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
§ 3. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de
uitoefening van de bevoegdheden vermeld in § 1 komen toe aan de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. De Gemeenschappelijke
Gemeenschapscommissie kan schenkingen en legaten ontvangen. Artikel 54,
§ 1, eerste lid, en § 2, zijn desgevallend van toepassing op
deze inkomsten.
§ 4. Op de Staatsbegroting van 1989 is het globaal krediet
voor de bevoegdheden vermeld in § 1, 2°, gelijk aan 2,3817
miljard frank.
Ieder jaar wordt dat bedrag aangepast aan de procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op
dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2. (Vanaf het
begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op
dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W
2001-07-13/35, art. 44, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Voor 1989 en 1990 wordt er evenwel een uitzonderlijk en niet
terugkerende vermindering van respectievelijk 264 miljoen en 132
miljoen toegepast op dit krediet.
Artikel 54, § 1, vierde lid, en § 2, is van toepassing op dat krediet.
§ 5. In akkoord met de bevoegde overheden worden de
bedragen bedoeld in artikel 42, § 1, door de Koning, bij een in
Ministerraad overlegd besluit, verhoogd met de middelen die bestemd
zijn voor de betoelaging van de instellingen en organisaties, behorend
tot de private sector, die vóór 30 juni 1989 opteren voor
een unicommunautair statuut. De Koning regelt de modaliteiten voor de
uitvoering van deze bepaling na overleg met de betrokken Executieven.
Het bedrag bedoeld in § 4, eerste lid, wordt door de
Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, met eenzelfde bedrag
als bedoeld in het vorige lid, verminderd.
Art. 65bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 45, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden
bijzondere middelen ten laste van de federale overheid toegekend aan de
Vlaamse Gemeenschapscommissie en aan de Franse Gemeenschapscommissie
ingesteld bij artikel 60, tweede en derde lid, van de
<bijzondere> <wet> van 12 januari 1989 met betrekking tot
de Brusselse instellingen. Het basisbedrag van die middelen is gelijk
aan 24 789 352,48 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt dat basisbedrag jaarlijks
aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer
van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto
nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze
als bepaald in artikel 47, § 2.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
80 % van dat bedrag gaat naar de Franse Gemeenschapscommissie en 20 % naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
Art. 66. <wijzigingsbepaling van artikel 92bis van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen>
Art. 67. <wijzigingsbepaling van artikel 94 van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen>
Art. 68. <wijzigingsbepaling van de <bijzondere>
<wet> op het Arbitragehof van 6 januari 1989, art. 124bis>
Art. 68bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 118,
Inwerkingtreding : 1993-07-30> In afwijking van artikel 273 van het
Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is de Vlaamse Gemeenschap geen
bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eindejaarstoelagen welke het "
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs " voor 1991
en 1992 rechtstreeks heeft betaald aan de personeelsleden.
Deze bepaling blijft zonder gevolg ten aanzien van de fiscale
toestand inzake personenbelasting van de verkrijgers van de bedoelde
toelage.
Art. 68ter. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 46;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar waarin het
gewest de dienst van de in het tweede lid bedoelde belastingen
verzekert, en ten vroegste vanaf het begrotingsjaar 2004, wordt
jaarlijks een dotatie op de begroting van het Ministerie van
Financiën voor het betrokken gewest ingeschreven. Deze dotatie
stemt overeen met de met toepassing van het tweede en derde lid
bepaalde kostprijs voor de betrokken belasting en zal slechts worden
doorgestort in de mate dat het gewest het personeel van de betrokken
administraties heeft overgenomen.
De totale kostprijs van de dienst van de belastingen bedoeld in
artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, wordt
vóór 31 december 2003 bij wet, na voorafgaand overleg met
de betrokken gewestregeringen bepaald. Deze totale kostprijs wordt per
belasting berekend als het gemiddelde van de voor de begrotingsjaren
1999 tot en met 2001 bepaalde kostprijs die vooraf werd uitgedrukt in
prijzen van 2002.
De verhouding wordt bepaald van de met toepassing van het tweede
lid verkregen totale kostprijs tot het totaal van de in de drie
gewesten gelokaliseerde ontvangsten van de betrokken belasting. Dit
percentage wordt toegepast op de in elk gewest gelokaliseerde
ontvangsten inzake de betrokken belasting. De in dit lid bedoelde
ontvangsten worden berekend als het gemiddelde van de ontvangsten voor
de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 die vooraf werden uitgedrukt in
prijzen van 2002, nadat eventuele interregionale tariefverschillen
werden geneutraliseerd.
Het met toepassing van het derde lid verkregen bedrag, per
belasting en per gewest, wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks
aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer
van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38,
§ 3.
Art. 68quater. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 57;
Inwerkingtreding : 01-01-2002> Op basis van de overeenstemmende
middelen, zoals voorzien in de begroting 2001 en volgens de
verschillende verdeelsleutels, respectievelijk voor de gemeenschappen
en de gewesten, zoals die uit deze <bijzondere> <wet>
kunnen worden afgeleid, worden de voor de overdracht van de
bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking noodzakelijke
financiële middelen overgeheveld. De in artikel 6ter van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen, ingevoegd bij de <bijzondere> <wet> van 13
juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten
en de gemeenschappen, bedoelde werkgroep bereidt deze overheveling voor.
TITEL IX. - OPHEFFINGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN.
Art. 69. § 1. Worden opgeheven :
1° de artikelen 1 tot 15 van de gewone wet van 9 augustus
1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van
toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap en in de mate dat zij
noodzakelijk zijn voor de door de Staat op 31 december 1988
verschuldigde ristorno's;
2° de artikelen 13, §§ 1, 2 en 4, wat het Rekenhof
betreft, en 14 van de <bijzondere> <wet> van 8 augustus
1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van
toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap;
3° artikel 76 van de wet van 5 januari 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976;
4° de artikelen 5 tot 7 en 8bis van de wet van 5 maart 1984
betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de
Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren;
5° de artikelen 15, 16, 22 en 26 van het koninklijk besluit
van 31 maart 1984 betreffende de financieringsmaatschappijen voor de
herstructurering van de nationale economische sectoren (A), gewijzigd
bij het koninklijk besluit nr. 489 van 31 december 1986.
§ 2. <wijzigingsbepaling van artikel 13, § 5, van
de <bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming
der instellingen>
§ 3. In artikel 48 van de gewone wet van 9 augustus 1980
tot hervorming der instellingen worden de woorden " met uitzondering
van artikel 7 " geschrapt.
§ 4. Artikel 4, § 1, van de wet van 5 maart 1984
betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de
Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren
wordt opgeheven met ingang van 1 januari 1991.
Art. 70. <wijzigingsbepaling van artikel 6, § 1, IX,
2°, van de <bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen>
TITEL X. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
Art. 71. § 1. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in
artikel 50, § 2, zijn de vigerende bepalingen betreffende de
organisatie van de controle van het Rekenhof en de controle op het
verlenen en het gebruik van subsidies, evenals de bepalingen inzake de
Rijkscomptabiliteit, onverminderd hetgeen in § 2 omtrent artikel
32bis van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de
wetten op de Rijkscomptabiliteit is gesteld, van overeenkomstige
toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.
§ 2. Tot de organisatie van een administratieve en
begrotingscontrole, bedoeld in artikel 51, zijn de bepalingen vermeld
in artikel 32bis van de wet van 28 juni 1963 van overeenkomstige
toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.
§ 3. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel
50, § 2, blijven de bepalingen van de wet van 16 maart 1954
betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wat
de wijze van uitoefening van de controle van het Rekenhof betreft, van
overeenkomstige toepassing op de instellingen van openbaar nut die
afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten.
Art. 72. Tot de datum vastgesteld door de Koning bij een in
Ministerraad overlegd besluit worden de bedragen en het percentage
vermeld in artikel 13, §§ 1 en 3, en in artikel 38,
§§ 1 en 2, als volgt vastgesteld :
- in artikel 13, § 1 :
- voor het Vlaamse Gewest : 30,7054 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest : 21,0052 miljard frank;
- voor het Brusselse Gewest : 10,3383 miljard frank;
- in artikel 13, § 3 : 98 %;
- in artikel 38, § 1 :
- voor de Vlaamse Gemeenschap : 164,3399 miljard frank;
- voor de Franse Gemeenschap : 126,5602 miljard frank;
- in artikel 38, § 2 : 4,4961 miljard frank en 3,4532 miljard frank.
<NOTA : Volgens KB 1989-10-17/30, de datum bedoeld in artikel 72 wordt vatgesteld op 29 september 1989>
Art. 73. § 1. De saldi, die op 31 december 1988 als
betalingsmiddelen beschikbaar zullen zijn op elk van de artikelen van
de afzonderlijke sectie van de begroting van de Gemeenschappelijke
Culturele Aangelegenheden en van Nationale Opvoeding van het
Nederlandse stelsel, van het Franse stelsel en van de sector, die
gemeen is aan beide stelsels, en met inbegrip van de stijving, die voor
het lopend jaar is voorzien maar niet aangewend, worden aan de
Gemeenschappen toegekend voor zover de saldi betrekking hebben op
aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren.
Bij de inwerkingtreding van deze wet, nemen de Gemeenschappen
inzonderheid de verplichtingen over die verband houden met de
begrotingsartikelen bedoeld in het vorige lid.
§ 2. Van het bedrag waarvoor, overeenkomstig artikel 22,
§ 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige
bepalingen van de onderwijswetgeving, het Nationaal Waarborgfonds voor
schoolgebouwen machtiging tot lening met staatswaarborg en
rentetoelagen kan verlenen, vervalt het deel dat op 31 december 1988
niet is aangewend of waarvoor geen principiële beloften zijn
gedaan.
In de plaats daarvan wordt aan elke Gemeenschap voor elk van de
jaren 1989 tot 1998 een krediet toegestaan, telkens gelijk aan 5,28 %
van haar nominaal deel in het vervallen deel.
§ 3. De verbintenissen welke ter uitvoering van het
bepaalde in artikel 22, § 1, § 1bis, en § 2, van
dezelfde wet van 29 mei 1959, vóór de inwerkingtreding
van deze wet lastens de Staat zijn aangegaan, blijven voor de
geheelheid te zijnen laste.
§ 4. De bepalingen van dezelfde wet van 29 mei 1959 hebben
geen uitwerking in de mate dat zij de stijving bepalen van de Fondsen
die ze oprichten.
Art. 74. Voor het begrotingsjaar 1989 worden de financiële
middelen die toekomen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
krachtens deze wet, verminderd met het totaal bedrag van de sommen die
de Ministers bevoegd voor de persoonsgebonden aangelegenheden die
krachtens artikel 59bis, § 4bis, van de Grondwet niet tot de
bevoegdheid van de Gemeenschappen behoren, als dusdanig hebben
geordonnanceerd tot aan de installatie van de Verenigde Vergadering en
van het Verenigd College.
Dat bedrag wordt vastgesteld binnen twee weken na de installatie
van de Verenigde Vergadering en van het Verenigd College, bij een in
Ministerraad overlegd Koninklijk besluit genomen op het advies van het
Verenigd College.
Art. 75. § 1. De vastlegging, de ordonnancering en de
vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen
administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten
laste worden genomen door de Gemeenschappen, de Gewesten en de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, worden gemachtigd ten laste
van de kredieten geopend door de wet. De nationale overheid houdt
daartoe op de aan de Gemeenschappen en Gewesten over te dragen middelen
de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van die uitgaven.
Deze inhoudingen worden vastgesteld bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven of
met het Verenigd College.
Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1990.
§ 1bis. (De vastlegging, de ordonnancering en de
vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen
administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten
laste worden genomen door de Gewesten, worden gemachtigd ten laste van
de kredieten geopend door de wet. De federale overheid houdt daartoe op
de aan de Gewesten over te dragen middelen de bedragen in die nodig
zijn voor het dekken van deze uitgaven.
Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven.
Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de
administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1994.) <W
1993-07-16/30, art. 119, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
(§ 1ter. De vastlegging, de ordonnancering en de
vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen
administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten
laste worden genomen door de gewesten en de gemeenschappen, worden
gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet gedurende een
periode van 12 maanden. De federale overheid houdt daartoe op de aan de
gewesten en de gemeenschappen over te dragen middelen de bedragen in
die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de
betrokken regeringen.) <W 2001-07-13/35, art. 47, 003;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. De Gemeenschappen, de Gewesten en de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dragen bij tot de financiering
van de instellingen van openbaar nut die hun moeten worden
overgedragen, zolang deze laatste niet daadwerkelijk zijn overgedragen.
Indien er geen akkoord is over deze bijdragen en de betrokken
instelling de toezichthoudende minister daarover inlicht, worden deze
bijdragen vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk
besluit na overleg met de betrokken Executieven of met het Verenigd
College. In dat geval is § 1, eerste en tweede lid, van toepassing.
§ 3. In afwijking van § 2, eerste lid, neemt de Staat
de schuld van het Hulpfonds voor financieel herstel van de gemeenten,
opgericht bij koninklijk besluit nr. 208 van 23 september 1983, ten
laste, die overeenkomt met de als oninbaar beschouwde schuldvorderingen
die het Fonds op de gemeenten en de Brusselse Agglomeratie heeft,
krachtens de overeenkomsten bepaald in artikel 6 van het voornoemd
koninklijk besluit. Een in Ministerraad, na overleg met de
Gewestexecutieven, overlegd koninklijk besluit bepaalt de
berekeningswijze en raamt de schuldvorderingen.
Voor de schuld die met de inbare schuldvorderingen van het Fonds
overeenstemt, bepaalt een, na overleg met de Gewestexecutieven, in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de nadere regels van de
tenlasteneming, door elk Gewest, van de verplichtingen van het Fonds
alsmede de nadere regels voor de overdracht van de rechten aan ieder
Gewest.
§ 4. In afwijking van § 2 kan de Koning, na overleg
met de Gewestexecutieven, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de
Regie der Luchtwegen, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, ermee
belasten om gedurende een periode van drie jaar, die aanvangt op de
datum van inwerkingtreding van deze wet, de deficits van de
gewestelijke openbare luchthavens en vliegvelden voor het geheel of
voor een deel ten laste te nemen.
De Koning kan, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het
vorige lid, de Regie der Luchtwegen ermee belasten om gedurende een
beperkte tijd bepaalde investeringen in de gewestelijke openbare
luchthavens en vliegvelden ten laste te nemen.
Art. 76. Onverminderd de bepalingen van artikel 35 neemt elk
Gewest de verplichtingen van de Staat over inzake de projecten en
overeenkomsten voor wedertewerkstelling van werklozen goedgekeurd
vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet voor de
werknemers in dienst genomen vóór deze datum van
inwerkingtreding en die hun woonplaats hebben op zijn grondgebied. Elk
Gewest ontvangt voor deze werknemers het bedrag bedoeld bij artikel 35,
§ 1.
Art. 77. (§ 1.) Onverminderd artikel 75, wordt gedurende
het jaar 1989 aan de nationale overheid machtiging verleend om, ten
laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de
Executieven van de Gemeenschappen en de Gewesten, vastleggingen,
ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de
Executieven hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden
die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de
Grondwet aan de Gemeenschappen en de Gewesten werden toegewezen. <W
2001-07-13/35, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Gedurende deze periode wordt de nationale overheid gemachtigd om
ten laste van door de wet geopende voorlopige kredieten aan de
Gemeenschappen en Gewesten dotaties te storten die gelijk zijn aan de
in 1988 gestorte dotaties, aangepast in functie van de procentuele
verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen
voor 1988.
De in 1989 krachtens deze wet aan de betrokken Gemeenschap of
Gewest te verstrekken middelen worden verminderd ten belope van het
bedrag van de uitgaven vermeld in het eerste lid en van de stortingen
vermeld in het tweede lid.
De modaliteiten voor de uitoefening van de machtiging bedoeld in
het eerste lid worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de Regering
en iedere Executieve. De overeenkomst wordt onmiddellijk medegedeeld
aan (het bevoegde Parlement). Deze machtiging houdt op te bestaan met
ingang van de inwerkingtreding van het decreet of de ordonnantie tot
goedkeuring van de begroting van de Gemeenschap of van het Gewest
waartoe de betrokken Executieve behoort. <W 2006-03-27/33, art. 12,
005; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
(§ 2. Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar
2002 aan de federale overheid machtiging verleend om, ten laste van de
bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de regeringen van de
gemeenschappen en de gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en
betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de regeringen hebben
beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 januari
2002 door of krachtens de Grondwet aan de gemeenschappen en de gewesten
werden toegewezen.) <W 2001-07-13/35, art. 48, 003; Inwerkingtreding
: 01-01-2002>
Art. 78. <wijzigingsbepaling van titel VI van de
<bijzondere> <wet> van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen>
Art. 79. De artikelen 2, 3, 4, § 2, en 8 van de wet van 5
maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de
Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren
blijven van toepassing.
Art. 80. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd
besluit, genomen in akkoord met de Executieven van de Gemeenschappen en
de Gewesten, de wettelijke bepalingen goedgekeurd met de in artikel 1,
laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid en genomen krachtens
artikel 59bis, 107ter, 107quater, 108ter en 115, laatste lid, van de
Grondwet, geheel of ten dele coördineren.
Te dien einde kan Hij :
1° de rangorde, de nummering en in het algemeen de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de referenties die zouden opgenomen zijn in de te
coördineren bepalingen wijzigen ten einde ze in overeenstemming te
brengen met de nieuwe nummering;
3° de redactie van de te coördineren bepalingen
wijzigen ten einde hun concordantie te verzekeren en hun terminologie
te harmoniseren, zonder dat kan geraakt worden aan de in deze
bepalingen ingeschreven principes.
De coördinerende bepalingen dragen volgende titel : "
Wetten betreffende de Gemeenschaps- en de Gewestelijke instellingen,
gecoördineerd op ... ".
Art. 81. De beslissingen die, vanaf 1 januari 1989 tot de dag
van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, worden
genomen door organen van de nationale overheid over aangelegenheden die
vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet
aan de Gemeenschappen en aan de Gewesten werden toegewezen, worden
geacht genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd
geworden organen van de Gemeenschappen en de Gewesten, ieder wat hem
betreft.
De middelen die in 1989 aan iedere Gemeenschap en aan ieder
Gewest krachtens deze wet worden overgedragen, worden tot beloop van
het bedrag van de overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met
toepassing van het vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om
uitgaven die krachtens deze wet ten laste blijven van de nationale
overheid. De Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad
overlegd besluit, na overleg met de betrokken Executieven.
Art. 81bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 120, 002;
Inwerkingtreding : 1993-07-30> De beslissingen die, vanaf 1 januari
1993 tot de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch
Staatsblad, worden genomen door organen van de federale overheid over
aangelegenheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of
krachtens de Grondwet aan de Gewesten werden toegewezen, worden geacht
genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd geworden
organen van de Gewesten, ieder wat hem betreft.
De middelen die in 1993 aan ieder Gewest krachtens deze wet
worden overgedragen, worden tot beloop van het bedrag van de
overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met toepassing van het
vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om uitgaven die
krachtens deze wet ten laste blijven van de federale overheid. De
Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad overlegd
besluit, na overleg met de betrokken Executieven.
Art. 82. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1989.
GEWIJZIGD DOOR
# BEELD :WET VAN 27-03-2006 GEPUBL. OP 11-04-2006
(GEWIJZIGDE ART. : 1;9BIS;50;77)
# BEELD :WET VAN 13-07-2001 GEPUBL. OP 03-08-2001
(GEWIJZIGDE ART. : 1;1BIS;1TER;3;4;5;5BIS;6;7;9)
(GEWIJZIGDE ART. : 9BIS;10;11;33;33BIS;34;35)
(GEWIJZIGDE ART. : 35QUA-35OCT;36;38;39)
(GEWIJZIGDE ART. : 40BIS;40TER;41;47;47BIS;48)
(GEWIJZIGDE ART. : 49;49BIS;53;61;62;62BIS)
(GEWIJZIGDE ART. : 62TER;64;65;65BIS;68TER)
(GEWIJZIGDE ART. : 68QUA;75;77)
# WET VAN 16-07-1993 GEPUBL. OP 20-07-1993
(GEWIJZIGDE ART. : 1;3;4;5;5BIS;6;7;10;11;12;13)
(GEWIJZIGDE ART. : 16BIS;16TER;17;20;23BIS;27)
(GEWIJZIGDE ART. : 32BIS;33;35BIS;35TER;36;37)
(GEWIJZIGDE ART. : 45BIS;45TER;46;47;53;61;63)
(GEWIJZIGDE ART. : 68BIS;75;81BIS)
# WET VAN 21-03-1991 GEPUBL. OP 27-03-1991
(GEWIJZIGD ART. : 75)
Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
Gewone zitting 1988-1989. Kamer van
Volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. Ontwerp van wet +
advies van de Raad van State, nr. 635/1. - Amendementen, nrs. 635/2
t.e.m. 13. - Advies van de Raad van State, nr. 635/14. - Amendementen,
nr. 635/15. - Advies van de Raad van State, nr. 635/16. - Verslag
(algemene bespreking), nr. 635/17. - Verslag (artikelsgewijze
bespreking), nr. 635/18. - Tekst aangenomen door de Commissie, nr.
635/19. - Verslag (bijlagen), nr. 635/20. - Amendementen, nr. 635/21. -
Advies van de Raad van State, nr. 635/22. - Amendementen, nrs. 635/23
en 24. Parlementaire handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 4, 5
en 6 januari 1989. - Aanneming. Vergadering van 9 januari 1989. Senaat.
Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers, nr. 562/1. - Verslag, nr. 562/2. -
Amendementen voorgesteld in de Commissie, nr. 562/2bis. - Bijlagen, nr.
562/2ter. - Amendementen, nr. 562/3 t.e.m. 61. Parlementaire
handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 12 en 13 januari 1989. -
Aanneming. Vergadering van 14 januari 1989.
330 uitvoeringbesluiten