Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten
Versie 2006:
Titel III. - Gewestelijke belastingen
Dit is de versie 2006 (ongewijzigd in sinds de invoering in 2001)
Art. 4.
§ 1. De gewesten zijn bevoegd om de
aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde
belastingen te wijzigen.
§ 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal
inkomen
kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens
van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een
samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van
de van 8 augustus 1980 tot
hervorming der
instellingen.
§ 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval
de
belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld
in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een
autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met
leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden
afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten
samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van
de van 8 augustus 1980 tot
hervorming der
instellingen.
§ 4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de
heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid,
12°, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het
buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden
afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten
samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van
de van 8 augustus 1980 tot
hervorming der
instellingen.
§ 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen,
regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last
van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en
proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3
zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.
Wetsgeschiedenis