Belgisch Burgerlijk Wetboek

Titel III. Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen

Hoofdstuk II. Voorwaarden die tot de geldigheid van de overeenkomsten vereist zijn

Afdeling III. - Voorwerp en inhoud van de contracten.

Art. 1126. Ieder contract heeft tot voorwerp iets dat een partij zich verbindt te geven, of dat een partij zich verbindt te doen of niet te doen.

Art. 1127. Het enkel gebruik of het enkel bezit van een zaak kan, evenals de zaak zelf, het voorwerp van een contract uitmaken.

Art. 1128. Alleen zaken die in de handel zijn, kunnen het voorwerp van overeenkomsten uitmaken.

Art. 1129. De verbintenis moet tot voorwerp hebben een zaak die ten minste ten aanzien van haar soort bepaald is. De hoeveelheid van de zaak mag onzeker zijn, mits deze hoeveelheid nader bepaald kan worden.

Art. 1130. Toekomstige zaken kunnen het voorwerp van een verbintenis uitmaken.
Men kan echter een nalatenschap die nog niet is opengevallen, niet verwerpen en evenmin omtrent zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.

 Art. 1131 BW.

2747.com / law / overeenkomstenrecht

contact

Publiekrecht Burgerlijk recht