Belgische Hof van Cassatie 29 oktober 1973

Overwegende dat, luidens de artikelen 1175 en 1183-8° van het Gerechtelijk Wetboek, de boedelbeschrijving ten doel heeft de omvang van de nalatenschap, van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen en het proces-verbaal waartoe zij aanleiding geeft, met name de opgave van de verklaringen door de partijen gedaan ten laste of ten bate van de boedel, alsmede de aan partijen gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden moet bevatten;


Overwegende dat uit de algemene en bij wijze van voorbeeld gebruikte bewoordingen van die wetsbepalingen blijkt dat de boedelbeschrijving weliswaar een akte tot bewaring van recht is, maar ook ten doel heeft alle baten en lasten van een onverdeelde massa vast te stellen, zodat de behoorlijk ingelichte partijen met volle kennis van zaken een keus kunnen doen;

Overwegende dat inzake nalatenschap de massa niet alleen de goederen omvat waarvan het bestaan algemeen bekend is of blijkt uit de ontleding van de titels en papieren die de erflater heeft nagelaten, maar ook die welke krachtens de wet tot de massa behoren, zoals de aan inbreng of inkorting onderwerpen schenkingen;

Dat de verklaringen ten laste of ten bate van de boedel, waartoe de partijen in de boedelbeschrijving gehouden zijn, de inlichtingen moeten aanvullen, die zijn gebleken uit een algemeen bekende staat van zaken of uit een ontleding van de titels en de papieren betreffende een nalatenschap; dat de verklaringen moeten worden gedaan ontrent elk goed, waarvan het bestaan bij ontstentenis van enige verklaring van de partijen nooit ter kennis zou komen, zoals de goederen die de erflater gedurende zijn leven aan vreemden of zelfs aan erfgerechtvaardigden heeft gegeven;

Overwegende dat de boedelbeschrijving aldus ten grondslag ligt aan de vereffenings- en verdelingsverrichtingen; dat, zo de boedelbeschrijving in de vorm van een authentieke akte moet opgemaakt worden, de oprechtheid ervan bovendien naar de eis van artikel 1183-11° van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewaarborgd door de eed opgelegd aan de partijen die zich bevinden in de omstandigheden bepaald bij genoemd artikel, terwijl artikel 226, lid 2, van het Strafwetboek (artikel 3-137 van de wet van 10 oktober 1967) op de desbetreffende valse eed correctionele straffen stelt;

Overwegende dat de boedelbeschrijving derhalve niet enkel een louter bewarende maatregel is en dat het proces-verbaal waarin zij wordt vastgesteld, overeenkomstig het beginsel gehuldigd in de artikelen 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek, een bewijskrachtige akte is, tot de juistheid waarvan de partijen wettelijk verplicht zijn bij te dragen;

Overwegende dat artikel 1183-11° van het Gerechtelijk Wetboek die interpretatie bevestigt; dat voornoemd artikel 1183-11, dat verder gaat dan wat artikel 1158-8 van datzelfde wetboek bepaalt inzake verzegeling, niet alleen de eed oplegt aan diegenen die de plaatsen hebben bewoond, maar eveneens aan degenen die, zonder enig onderscheid, in het bezit zijn geweest van de voorwerpen behorende tot de massa;

Overwegende dat enerzijds dat een geldsom geschonken door de erflater gedurende zijn leven een voorwerp kan zijn, dat tot de massa behoort en door artikel 1183-11 van het Gerechtelijk Wetboek wordt beoogd, dat anderzijds volgens de algemene opzet van de teksten waarbij de boedelbeschrijving wordt geregeld, onder verduistering, zoals bedoeld in voornoemd artikel, moet worden verstaan elke daad of verzuim strekkende tot de verberging, ten nadele van de massa, van een goed dat hiertoe behoort;

Overwegende dat uit die overwegingen volgt dat het arrest wettelijk heeft beslist enederzijds dat de eiser R ... , partij bij de boedelbeschrijving, verplicht was uit eigen beweging melding te maken van het bestaan van de schenking onder de levenden die hem door zijn grootouders werd gedaan en anderzijds dat, door wetens hiervan geen melding te maken en door niettemin de bij de wet opgelegde eed af te leggen, genoemde eiser het bij artikel 226, lid 2, van het Strafwetboek gestrafte misdrijf heeft gepleegd, waaruit volgt dat de akte van boedelbeschrijving vals is;

Dat het eerste onderdeel van het middel naar recht faalt;

...

(Bron: Arr. Cass., 1974, p. 237-241.)

De principes van dit arrest worden herhaald in het arrest van 15 juni 1999.