Belgische Hof van Cassatie 16 juni 2000

Overwegende dat het te dezen toepasselijke artikel 1287, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de echtgenoten die besloten zijn tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, ertoe gehouden zijn vooraf hun wederzijdse rechten te regelen waaromtrent het hun vrij staat een vergelijk te treffen;

     Dat krachtens het te dezen toepasselijke artikel 1288, 4°, van hetzelfde wetboek, de echtgenoten gehouden zijn hun overeenkomst omtrent het bedrag van de eventuele uitkering te betalen door de ene echtgenoot aan de andere gedurende de proeftijd en na de echtscheiding, bij geschrift vast te leggen;

     Overwegende dat overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 1298 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank de partijen aan de voorwaarden hebben voldaan en de formaliteiten hebben in acht genomen die door de wet bepaald zijn, zij de echtscheiding toestaat;

     Dat krachtens het ten deze toepasselijke artikel 1304 van hetzelfde wetboek, het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt toegestaan, zijn gevolgen heeft vanaf de dag van de overschrijving;

     Overwegende dat de overeenkomst houdende de voorafgaandelijke regeling van de wederzijdse rechten van de echtgenoten waaromtrent zij kunnen overeenkomen, onderworpen is aan de regels van het verbintenissenrecht;

     Dat deze overeenkomst een vereiste is waaraan moet worden voldaan opdat de rechtbank de echtscheiding zou kunnen toestaan;

     Dat wanneer de echtscheiding voltrokken is, uit de aard van dat instituut volgt dat de nietigheid van het beding bedoeld in artikel 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek de echtscheiding zelf niet kan aantasten;

     Dat het vorenstaande er niet aan in de weg staat dat dit beding wordt vernietigd op grond van bedrog;