Wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet. Titel I. - Het hypothecair krediet

Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen

Artikel 9 <W 1998-03-13/37, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1998>

§ 1. Indien de veranderlijkheid van rentevoet overeengekomen werd, mag er maar één rentevoet zijn per kredietovereenkomst. Op deze rentevoet zijn de volgende regels van toepassing :
  1° De rentevoet moet zowel in meer als in min schommelen.
  2° De rentevoet mag slechts veranderen bij het verstrijken van bepaalde periodes die niet minder dan één jaar mogen bedragen.
  3° De verandering van de rentevoet moet gebonden zijn aan de schommelingen van een referteïndex, genomen uit een reeks referteindexen in functie van de duur van de perioden van verandering van de rentevoet.
  De lijst en de berekeningswijze van de referteïndexen worden bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de Nationale Bank van België, van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen en van de (CBFA) nadat deze de Commissie voor Verzekeringen geraadpleegd heeft. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  4° De oorspronkelijke rentevoet is de rentevoet waartegen de rente wordt berekend die de kredietnemer verschuldigd is op het tijdstip van de eerste rentebetaling.
  5° De oorspronkelijke waarde van de referteïndex is die van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van het aanbod bedoeld in artikel 14. In afwijking op die regel dienen de aan titel II van deze wet onderworpen hypotheekondernemingen echter de waarde van de referteïndex te hanteren die voorkomt op hun tarieflijst van rentevoeten voor het desbetreffende type van krediet. In dat geval is die waarde die van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van dat tarief.
  6° Bij het verstrijken van de periodes bepaald in de vestigingsakte is de rentevoet voor de nieuwe periode gelijk aan de oorspronkelijke rentevoet vermeerderd met het verschil tussen de waarde van de referteïndex verschenen in de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van de verandering, en de oorspronkelijke waarde van die index.
  Indien de oorspronkelijke rentevoet het resultaat is van een voorwaardelijke vermindering, mag de kredietgever voor het bepalen van de nieuwe rentevoet uitgaan van een hogere rentevoet indien de kredietnemer de gestelde voorwaarde of voorwaarden niet langer nakomt. De verhoging mag niet meer bedragen dan de vermindering toegekend in het begin van het krediet uitgedrukt in percent per periode.
  7° Onverminderd hetgeen bepaald is in 8° hierna, moet de vestigingsakte bepalen dat de verandering van de rentevoet beperkt wordt zowel in meer als in min, tot een bepaald verschil ten opzichte van de oorspronkelijke rentevoet, zonder dat dit verschil in geval van stijging van de rentevoet meer mag bedragen dan het verschil in geval van daling.
  Indien de oorspronkelijke rentevoet het resultaat is van een voorwaardelijke vermindering, mag de vestigingsakte bepalen dat bij de in het eerste lid beoogde verandering rekening wordt gehouden met een hogere rentevoet, indien de gestelde voorwaarde of voorwaarden voor de vermindering niet langer worden nagekomen. De toegepaste verhoging mag niet meer bedragen dan de vermindering toegekend in het begin van het krediet uitgedrukt in percent per periode.
  De vestigingsakte mag verder bepalen dat er geen wijziging van rentevoet is dan wanneer de wijziging in meer of in min, ten aanzien van de rentevoet van de vorige periode, een bepaald minimumverschil bereikt.
  8° Indien de eerste periode een kortere duur heeft dan drie jaren, kan een verhoging van de rentevoet niet tot gevolg hebben dat de rentevoet die van toepassing is gedurende het tweede jaar verhoogd wordt met meer dan wat overeenstemt met één procentpunt 's jaars ten opzichte van de oorspronkelijke rentevoet, noch dat de rentevoet die van toepassing is gedurende het derde jaar verhoogd wordt met meer dan wat overeenstemt met twee procentpunten 's jaars ten opzichte van die oorspronkelijke rentevoet.

  § 2. a) In geval van verandering van de rentevoet en wanneer er aflossing is van het kapitaal, worden de bedragen der periodieke lasten berekend aan de nieuwe rentevoet volgens de bepalingen van de vestigingsakte.
  Bij gebrek aan zulke bepalingen worden de periodieke lasten berekend in functie van het verschuldigd blijvend saldo en van de overblijvende looptijd, volgens de technische methode die oorspronkelijk gebruikt werd.
  b) In geval van verandering van de rentevoet en wanneer er geen aflossing is van het kapitaal, worden de interesten berekend aan de nieuwe rentevoet volgens de technische methode die oorspronkelijk gebruikt werd.

  § 3. De tijdstippen, voorwaarden en modaliteiten van de verandering van de rentevoet evenals de oorspronkelijke waarde van de referteindex moeten voorkomen in de vestigingsakte.

  § 4. Bij verandering van de rentevoet moet de wijziging medegedeeld worden aan de kredietnemer ten laatste op de datum dat de interesten aan de nieuwe rentevoet beginnen te lopen. In voorkomend geval moet bij die mededeling kosteloos een nieuw aflossingsplan worden gevoegd waarin de gegevens bedoeld in artikel 21, § 1, zijn opgenomen voor de overblijvende looptijd.
  § 5. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de nadere regels welke voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.


Verhaaltje

Er was eens een bankier genaamd Dalton. En hij leende geld uit aan de herbergier Goofy. De contractsvoorwaarden van de lening waren als volgt:

1. Dalton leent aan Goofy de som van 1.000 goudstukken voor de duur van 15 jaar.

2. Iedere eerste dag van de maand moet Goofy 15 goudstukken betalen aan Dalton, zijnde de interest en de terugbetaling van het kapitaal.

Maar dan komt het.

3. Indien Goofy het contract niet stipt naleeft, is het openstaande saldo onmiddellijk opeisbaar en iedere maand vertraging bij de terugbetaling zal Goofy 30 goudstukken aan Dalton moeten betalen.

De eerste zeven jaren waren schitterend. Er kwam veel volk op de herberg en Goofy verdiende goed. Iedere maand betaalde hij stipt 15 goudstukken aan Dalton.

Maar toen was er een heel koude winter en een heel natte zomer. Goofy had bijna geen klanten en op een maand kon hij de 15 goudstukken niet meer betalen.

Wie het leningsovereenkomst goed gelezen heeft weet dat Goofy juist op een moment dat hij nog niet eens 15 goudstukken kan betalen, heel het openstaande saldo in kapitaal aan Dalton moet terugbetalen. Dat komt neer op een som van 850 goudstukken. Omdat Goofy die niet kan betalen, mag Dalton nu ineens volgens het contract 30 goudstukken per maand aanrekenen voor de interest op het openstaande kapitaal.

Dat jaar steeg de schuld van Goofy van 850 goudstukken naar 1100 goudstukken en daardoor moest hij het jaar daarna nog meer interest aan Dalton betalen. De maandelijks te betalen som was ondertussen al opgelopen tot 35 goudstukken.

Toen ging Goofy naar Oom Dagobert om te vragen of hij hem geen geld wilde lenen aan 20 goudstukken per maand om met het geleende kapitaal de Dalton bank terug te betalen, maar oom Dagobert weigerde. Toen vroeg Goofy aan Oom Dagobert of hij de herberg niet wilde kopen voor 1.100 goudstukken, maar Dagobert weigerde opnieuw omdat hij zei dat nu de zaken zo slecht gingen de herberg geen 1.100 goudstukken waard was. 950 wilde hij er wel voor geven maar dat vond Goofy te weinig.

De maanden gingen voorbij en Goofy moest alsmaar meer goudstukken aan de Daton bank terugbetalen. De maandelijkse interestlast steeg voortdurend van 45 naar 46, 47, 48 tot wel 50 goudstukken per maand, omdat Goofy geen enkele maand de contractuele terugbetaling aan de Dalton Bank kon voldoen.


Uiteindelijk legde de Dalton Bank beslag op de herberg van Goofy en bij de verkoop bracht de herberg na aftrek van alle kosten van deurwaarders en advocaten nog 650 goudstukken op. Daarmee was de schuld van Goofy aan de bank niet terugbetaald en hij bleef nog heel zijn leven het geld aan de bank verschuldigd.

Maar toen verhuisde Goofy naar Belgie en hij vroeg de collectieve schuldenregeling aan. Na 5 jaar heeft de rechter Goofy toen bevrijd van al zijn schulden en hij kon met een schone lei opnieuw beginnen.

En wat heeft heel dit verhaal nu met artikel 9 van de Belgische wet op het hypothecair krediet te maken?

Wel dat arikel 9 maakt het in Belgie verboden voor de Dalton bank om een in een contract van lening overeengekomen interest ineens te verhogen. Dat artikel beschermt alleen de natuurlijke persoon die zijn eigen huisje gaat kopen met een hypotehcaire lening. Maar al de andere kredietnemers in de Belgische samenleving lopen het risico dat als ze niet betalen de bank heel het contract zo goed in haar voordeel heeft gemaakt dat ze in feite de kredietnemer volledig in haar greep heeft en hij geen kant meer op kan.