Doodslag,  moord, ...

AFDELING I. - DOODSLAG EN VERSCHILLENDE SOORTEN VAN DOODSLAG.

Art. 393. Doden met het oogmerk om te doden wordt doodslag genoemd. Het wordt gestraft met levenslange dwangarbeid.

Art. 394. Doodslag met voorbedachten rade wordt moord genoemd. Hij wordt gestraft met (levenslange opsluiting).

Art. 395. Doodslag op de vader, de moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn wordt oudermoord genoemd en wordt gestraft met (levenslange opsluiting).

Art. 396. Doodslag gepleegd op een kind bij de geboorte of dadelijk daarna, wordt kindermoord genoemd. Kindermoord wordt naar gelang van de omstandigheden gestraft als doodslag of als moord.

Art. 397. Vergiftiging wordt genoemd de doodslag gepleegd door middel van stoffen die min of meer snel de dood kunnen teweegbrengen, op welke wijze die stoffen ook aangewend of toegediend zijn. Zij wordt gestraft met (levenslange opsluiting).

 

AFDELING II. - OPZETTELIJK DODEN, NIET DOODSLAG GENOEMD, EN OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN LICHAMELIJK LETSEL. Art. 398. Hij die opzettelijk verwondingen of slagen toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank of met een van die straffen alleen. Ingeval de schuldige heeft gehandeld met voorbedachte rade, wordt hij veroordeeld tot gevangenisstraf van een maand tot een jaar en tot geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank. Art. 399. Indien de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank, indien hij met voorbedachten rade heeft gehandeld. Art. 400. (Zie NOTA 1 onder TITEL) De straf is gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en geldboete van tweehonderd frank tot vijfhonderd frank, indien de slagen of verwondingen, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolg hebben. De straf is opsluiting, ingeval de schuldige heeft gehandeld met voorbedachten rade. Art. 401. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Wanneer de slagen of verwondingen opzettelijk worden toegebracht, maar zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met opsluiting. Hij wordt gestraft met dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar, indien hij die gewelddaden met voorbedachten rade pleegt. Art. 401bis. (opgeheven) <W 2000-11-28/35, art. 52, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Art. 402. Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die bij een ander een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid veroorzaakt door hem, opzettelijk maar zonder het oogmerk om te doden, stoffen toe te dienen die de dood kunnen teweegbrengen, of stoffen die, al zijn zij niet van die aard dat zij de dood teweegbrengen, toch de gezondheid zwaar kunnen schaden. Art. 403. (Zie NOTA 1 onder TITEL) De straf is opsluiting, wanneer die stoffen hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan ten gevolge hebben. Art. 404. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Indien de stoffen opzettelijk worden toegediend, maar zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met dwangarbeid van vijftien jaar tot twintig jaar. Art. 405. Poging om iemand stoffen als bedoeld in artikel 402 toe te dienen, zonder het oogmerk om te doden, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank. Art. 405bis. <Ingevoegd bij W 2000-11-28/35, art. 28, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> In de hierna bedoelde gevallen, indien de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, zijn de straffen de volgende : 1° in de gevallen bedoeld in artikel 398, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een maand tot een jaar en geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank; 2° in de gevallen bedoeld in artikel 398, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank; 3° in de gevallen bedoeld in artikel 399, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van vier maanden tot vier jaar en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank; 4° in de gevallen bedoeld in artikel 399, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank; 5° in de gevallen bedoeld in artikel 400, eerste lid, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar; 6° in de gevallen bedoeld in artikel 400, tweede lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar; 7° in de gevallen bedoeld in artikel 401, eerste lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar; 8° in de gevallen bedoeld in artikel 401, tweede lid, is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar; 9° in de gevallen bedoeld in artikel 402 is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar; 10° in de gevallen bedoeld in artikel 403 is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. 11° in de gevallen bedoeld in artikel 404 is de straf opsluiting van zeventien jaar tot twintig jaar. Art. 405ter. <Ingevoegd bij W 2000-11-28/35, art. 28, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> In de gevallen bepaald in de artikelen 398 tot 405bis, indien de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die, uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, of door enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige of de onbekwame, of door een persoon die hen onder zijn bewaring heeft, of door een persoon die occasioneel of gewoonlijk samenwoont met het slachtoffer, wordt het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. Art. 406. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 07-06-1963, art. 2> Met opsluiting wordt gestraft hij die kwaadwillig het verkeer op de spoorweg, de weg, de binnenwateren of op zee belemmert door enige handeling die een aanslag uitmaakt op de verkeerswegen, de kunstwerken of het materieel, of door enige andere handeling die het verkeer met of het gebruik van vervoermiddelen gevaarlijk kan maken of die ongevallen kan veroorzaken bij het gebruik van of het verkeer met die vervoermiddelen. Buiten de gevallen van het vorige lid wordt met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden, en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank gestraft hij die kwaadwillig het verkeer op de spoorweg, de weg, de binnenwateren of op zee belemmert door enig voorwerp dat een belemmering voor het verkeer met of voor het gebruik van vervoermiddelen uitmaakt. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die, door enige andere handeling, kwaadwillig het verkeer dat gaande is op de spoorweg of op de weg, belet. Art. 407. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Indien het feit verwondingen als bedoeld in artikel 399 ten gevolge heeft, wordt de schuldige veroordeeld tot dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar. Hij wordt veroordeeld tot dwangarbeid van vijftien jaar tot twintig jaar, indien het verwondingen betreft als bedoeld in artikel 400. Art. 408. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange dwangarbeid. Art. 409. <W 2000-11-28/35, art. 29, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> § 1. Hij die eender welke vorm van verminking van de genitaliėn van een persoon van het vrouwelijk geslacht uitvoert, vergemakkelijkt of bevordert, met of zonder haar toestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie jaar tot vijf jaar. De poging wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar. § 2. Indien de verminking uitgevoerd wordt op een minderjarige of met een winstoogmerk, is de straf opsluiting van vijf jaar tot zeven jaar. § 3. Indien de verminking een ongeneeslijk lijkende ziekte of een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. § 4. Wanneer de verminking zonder het oogmerk om te doden, toch de dood ten gevolge heeft, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. § 5. Is de in § 1 bedoelde verminking op een minderjarige of een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, uitgevoerd door zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, of door enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige of de onbekwame, of door een persoon die hen onder zijn bewaring heeft, of door een persoon die occasioneel of gewoonlijk samenwoont met het slachtoffer, dan wordt het minimum van de bij de §§ 1 tot 4 bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. Art. 410. <W 2000-11-28/35, art. 30, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Indien de schuldige, in de gevallen omschreven in de artikelen 398 tot 405, de misdaad of het wanbedrijf pleegt tegen zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, wordt de minimumstraf bedoeld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. Hetzelfde geldt ingeval de schuldige de misdaad of het wanbedrijf heeft gepleegd tegen zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft. AFDELING III. - VERSCHOONBARE DOODSLAG, VERSCHOONBARE VERWONDINGEN EN VERSCHOONBARE SLAGEN. Art. 411. Doodslag, verwondingen en slagen zijn verschoonbaar, indien zij onmiddellijk uitgelokt worden door zware gewelddaden tegen personen. Art. 412. De misdaden en wanbedrijven, in het vorige artikel genoemd, zijn eveneens verschoonbaar, indien zij gepleegd worden bij het afweren overdag van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten. Art. 413. (Opgeheven) <W 1997-11-24/51, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 16-02-1998> Art. 414. Wanneer het verschonend feit bewezen is, wordt de straf verminderd als volgt : Tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en tot geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank, indien het een misdaad betreft, waarop (levenslange opsluiting) of (opsluiting van twintig tot dertig jaar) gesteld is; <W 1996-07-10/42, art. 3 en art. 15, 018; Inwerkingtreding : 11-08-1996> Tot gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en tot geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank, indien het enige andere misdaad betreft; Tot gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en tot geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank, indien het een wanbedrijf betreft. Art. 415. (opgeheven) <W 2000-11-28/35, art. 52, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> AFDELING IV. - GERECHTVAARDIGDE DOODSLAG, GERECHTVAARDIGDE VERWONDINGEN EN GERECHTVAARDIGDE SLAGEN. Art. 416. Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zich zelf of van een ander. Art. 417. Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging worden de twee volgende gevallen begrepen : Wanneer de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of de slagen toegebracht worden bij het afweren, bij nacht, van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten; Wanneer het feit plaatsheeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd. Afdeling V. - Foltering, onmenselijke behandeling en onterende behandeling. <ingevoegd bij W 2002-06-14/42, art. 5; Inwerkingtreding : 24-08-2002> Art. 417bis. <ingevoegd bij W 2002-06-14/42, art. 5; Inwerkingtreding : 24-08-2002> Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder : 1° foltering : elke opzettelijke onmenselijke behandeling die hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt; 2° onmenselijke behandeling : elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren; 3° onterende behandeling : elke behandeling die in de ogen van het slachtoffer of van derden een ernstige krenking of aantasting van de menselijke waardigheid uitmaakt. Art. 417ter. <ingevoegd bij W 2002-06-14/42, art. 5; Inwerkingtreding : 24-08-2002> Hij die een persoon aan foltering onderwerpt, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar in de volgende gevallen : 1° als het is gepleegd : a) hetzij door een openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die handelt naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening; b) hetzij op een persoon die ten gevolge van zwangerschap, een ziekte, dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid of wegens een precaire toestand bijzonder kwetsbaar is; c) hetzij op een minderjarige; 2° of wanneer de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt. Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar als : 1° als het is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door de vader, de moeder of door andere bloedverwanten in de opgaande lijn, door enig andere persoon die gezag over hem heeft of die hem onder zijn bewaring heeft, of door iedere meerderjarige persoon die occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenleeft; 2° of als het de dood heeft veroorzaakt, en gepleegd is zonder het oogmerk om te doden. Het bevel van een meerdere of van een gezag kan het misdrijf bedoeld in het eerste lid niet verantwoorden. Art. 417quater. <ingevoegd bij W 2002-06-14/42, art. 5; Inwerkingtreding : 24-08-2002> Hij die een persoon aan een onmenselijke behandeling onderwerpt, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar in de volgende gevallen : 1° als het is gepleegd : a) hetzij door een openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die handelt naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening; b) hetzij op een persoon die ten gevolge van zwangerschap, een ziekte, dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid of wegens een precaire toestand bijzonder kwetsbaar is; c) hetzij op een minderjarige; 2° of wanneer de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt. Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar : 1° als het is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door de vader, de moeder of door andere bloedverwanten in de opgaande lijn, door enig andere persoon die gezag over hem heeft of die hem onder zijn bewaring heeft, of door iedere meerderjarige persoon die occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenleeft; 2° of als het de dood heeft veroorzaakt en gepleegd is zonder het oogmerk te doden. Het bevel van een meerdere of van een gezag kan het misdrijf bedoeld in het eerste lid niet verantwoorden. Art. 417quinquies. <ingevoegd bij W 2002-06-14/42, art. 5; Inwerkingtreding : 24-08-2002> Hij die een persoon aan een onterende behandeling onderwerpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van 50 EUR tot 300 EUR of met een van die straffen alleen. HOOFDSTUK II. - ONOPZETTELIJK DODEN EN ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN LICHAMELIJK LETSEL. Art. 418. Schuldig aan onopzettelijk doden of aan onopzettelijk toebrengen van letsel is hij die het kwaad veroorzaakt door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen. Art. 419. Hij die onopzettelijk iemands dood veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank. Art. 420. Indien het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg alleen slagen of verwondingen ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft (met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden) en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen. <W 31-03-1936, art. 1> Art. 420bis. (opgeheven) <W 2000-11-28/35, art. 52, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Art. 421. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die onopzettelijk bij een ander een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid veroorzaakt door hem stoffen toe te dienen, die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden. Art. 422. Wanneer zich een treinongeval voordoet, dat de personen die zich in de trein bevinden, in gevaar kan brengen, wordt hij die onopzettelijk de oorzaak ervan is, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank of met een van die straffen alleen. Indien het ongeval enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank. Indien het ongeval de dood van een persoon ten gevolge heeft, is de gevangenisstraf zes maanden tot vijf jaar en de geldboete honderd frank tot zeshonderd frank. ENKELE GEVALLEN VAN SCHULDIG VERZUIM. Art. 422bis. <W 06-01-1961, art. 1> Met gevangenisstraf van acht dagen tot (een jaar) en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen. <W 1995-04-13/33, art. 4, 1°, 015; Inwerkingtreding : 05-05-1995> Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen. Heeft de verzuimer niet persoonlijk het gevaar vastgesteld waarin de hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij niet worden gestraft, indien hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was. (De straf bedoeld in het eerste lid wordt op twee jaar gebracht indien de persoon die in groot gevaar verkeert, minderjarig is.) <W 1995-04-13/33, art. 4, 2°, 011; Inwerkingtreding : 05-05-1995> Art. 422ter. <W 06-01-1961, art. 1> Met de straffen in het vorige artikel bepaald wordt gestraft hij die, hoewel hij in staat is het te doen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen, weigert of nalaat aan iemand die in gevaar verkeert, de hulp te bieden waartoe hij wettelijk wordt opgevorderd; hij die, hoewel daartoe in staat, weigert of nalaat het werk of de dienst te doen of de hulp te verlenen waartoe hij wordt opgevorderd bij ongeval, beroering, schipbreuk, overstroming, brand of andere rampen, evenals in geval van roverij, plundering, ontdekking op heterdaad, vervolging door het openbaar geroep of van gerechtelijke tenuitvoerlegging. HOOFDSTUK III.