Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

Hoofdstuk II. - Identificatie van de cliënten en interne organisatie op het niveau van de in de artikelen 2, 2bis en 2ter beoogde ondernemingen en personen


  Art. 4. § 1. De in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter bedoelde ondernemingen en personen dienen hun cliënten en de lasthebbers van hun cliënten te identificeren en hun identiteit te controleren, aan de hand van een bewijsstuk, waarvan een afschrift wordt genomen op papier of op elektronische drager wanneer :
  1° ze een zakenrelatie aanknopen waardoor de betrokkenen gewone cliënten worden;
  2° de cliënt wenst over te gaan tot het uitvoeren van :
  a) een verrichting voor een bedrag van 10 000 EUR of meer, ongeacht of zij wordt uitgevoerd in één of in verscheidene verrichtingen waartussen een verband blijkt te bestaan; of
  b) een verrichting, zelfs wanneer het bedrag lager is dan 10 000 EUR, zodra wordt vermoed dat het gaat om witwassen van geld of om financiering van terrorisme; of
  c) een geldoverdracht waarvan sprake in artikel 139bis van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs;
  3° ze twijfelen aan de waarachtigheid of aan de juistheid van de identificatiegegevens over een bestaande cliënt.
  De identificatie en de controle betreffen de naam, de voornaam en het adres voor natuurlijke personen. Niettegenstaande artikel 5, § 1, betreffen ze voor rechtspersonen en trusts de naam en de zetel van de rechtspersoon, de bestuurders en de kennis van de bepalingen omtrent de bevoegdheid verbintenissen aan te gaan voor de rechtspersoon of de trust. De vereenzelviging slaat ook op het voorwerp en de verwachte aard van de zakenrelatie.
 
§ 2. De ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, moeten een bestendige waakzaamheid aan de dag leggen ten opzichte van de zakenrelatie en een aandachtig onderzoek verzekeren van de uitgevoerde verrichtingen om zich ervan te vergewissen dat deze stroken met de kennis die ze hebben van hun cliënt, van zijn commerciële activiteiten, van zijn risicoprofiel en, indien nodig, van de herkomst van de fondsen.
  § 3. Wanneer de ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, hun waakzaamheidsplicht bedoeld in de §§ 1 en 2 niet kunnen nakomen, mogen ze geen zakenrelatie aanknopen of in stand houden. Ze beslissen zo een melding aan de Cel voor financiële informatieverwerking overeenkomstig de artikelen 12 tot 14ter zich opdringt.
  § 4. De ondernemingen en personen bedoeld in artikel 2, met uitzondering van de 17°, 18° en 21°, mogen de waakzaamheidsplicht bedoeld in de §§ 1 en 2 laten uitvoeren door een derde zaakaanbrenger, voor zover deze eveneens een krediet- of financiële instelling is in de zin van artikel 1 van richtlijn 91/308/EEG of een krediet- of financiële instelling uit een land waarvan de wetgeving waakzaamheidsverplichingen oplegt die evenwaardig zijn met deze bepaald in de artikelen 4 en 5. De lid-Staten van de Financiële Actiegroep worden vermoed aan deze vereiste te voldoen. Op advies van de Cel voor financiële informatieverwerking kan de Koning dit vermoeden uitbreiden tot andere Staten.
  § 5. De ondernemingen bedoeld in artikel 2, waarvan de activiteiten geldoverdrachten behelzen in de zin van artikel 139bis van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, vermelden bij het overschrijven of overdragen van geld en bij de mededelingen daaromtrent, correcte en dienstige inlichtingen over hun cliënten-opdrachtgevers van de betrokken verrichtingen. Deze ondernemingen bewaren al die inlichtingen en geven ze door ingeval zij als tussenpersoon optreden in een betaalketen.
  § 6. De toepassingsmodaliteiten van de hierboven opgesomde verplichtingen worden verduidelijkt door de overheden bedoeld in artikel 21 en, desgevallend, via reglement overeenkomstig artikel 21bis, in functie van het risico dat de cliënt, de zakenrelatie of de verrichting vertegenwoordigt. Met betrekking tot § 5 wordt daarbij inzonderheid bepaald onder welke omstandigheden gegevens moeten worden bewaard of ter beschikking gesteld van overheden of van andere financiële instellingen, met dien verstande dat in het reglement in specifieke bepalingen kan worden voorzien voor de grensoverschrijdende overschrijvingen die in batch worden doorgestuurd.

  Art. 5. § 1. De ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4° en 2ter, moeten de persoon of personen, voor wier rekening de verrichting wordt uitgevoerd, identificeren en alle redelijke maatregelen nemen om hun identiteit te controleren :
  1° in geval van twijfel over de vraag of de cliënten bedoeld in artikel 4 handelen voor eigen rekening of in geval van zekerheid dat ze niet voor eigen rekening handelen;
  2° wanneer de cliënt een rechtspersoon of een trust is.
  Wanneer de cliënt een rechtspersoon of een trust is, moeten de maatregelen de identificatie inhouden van de natuurlijke persoon of personen die de cliënt in laatste instantie bezitten of controleren.
  Wanneer de cliënt of de houder van een controleparticipatie een beursgenoteerde vennootschap is, moeten haar aandeelhouders niet worden geïdentificeerd en moet hun identiteit niet worden nagegaan.
  § 2. De toepassingsmodaliteiten van de hierboven opgesomde verplichtingen worden verduidelijkt door de overheden bedoeld in artikel 21 en, desgevallend, via reglement overeenkomstig artikel 21bis, in functie van het risico dat de cliënt, de zakenrelatie of de verrichting vertegenwoordigt.

  Art. 5bis. De in artikel 2bis, 5°, bedoelde personen dienen zich aan de hand van een bewijsstuk, waarvan een afschrift wordt gemaakt, hetzij op papier, hetzij op een elektronische informatiedrager te vergewissen van de identiteit van alle cliënten die een financiële verrichting in verband met het spel wensen uit te voeren. In dat geval is artikel 5 van toepassing.

  Art. 6. De in de artikelen 4 en 54 bedoelde identificatieverplichtingen zijn niet van toepassing op de in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter bedoelde ondernemingen en personen in geval de cliënt eveneens een in artikel 2, punt 17°, 18° en 21° uitgezonderd, bedoelde onderneming of persoon is of een kredietinstelling of een financiële instelling is bedoeld in artikel 1 van de richtlijn 91/308/EEG, dan wel een kredietinstelling of een financiële instelling is die gevestigd is in een staat waarvan de wetgeving gelijkwaardige verplichtingen oplegt als voorgeschreven door richtlijn 91/308/EEG. De Staten die lid zijn van de Financiële Actiegroep tegen het witwassen van geld, worden beschouwd als Staten die aan deze voorwaarde voldoen. De Koning kan dit vermoeden uitbreiden tot andere Staten op advies van de Cel voor financiële informatieverwerking.
  In afwijking van artikel 4, rust de identificatieplicht niet op de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, 4°, en de verzekeringsmakelaars bedoeld in artikel 2, 22°, die een levensverzekeringsbedrijf uitoefenen, wanneer het bedrag van de te betalen periodieke premies gedurende een periode van een jaar niet hoger is dan 1 000 EUR of, bij storting van een eenmalige premie, wanneer het bedrag niet hoger is dan 2 500 EUR. Wanneer de periodieke premie(s) zodanig wordt (worden) verhoogd dat de drempel van 1 000 (EUR) wordt overschreden, wordt de identificatie verplicht.

  (NOTA : Voor de wijziging van de woorden " de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, 4° " gebracht door W 2004-01-12/30, art. 10, heeft de wetgever geen rekening gehouden met de bestaande woorden " artikel 2, 8° " in plaats van " artikel 2, 4° ")

  Art. 6bis. De ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis en 2ter nemen specifieke en passende identificatiemaatregelen om tegemoet te komen aan het grotere risico voor witwassen van geld en voor financiering van terrorisme dat ontstaat wanneer zakelijke betrekkingen of verrichtingen worden aangegaan met een cliënt die met het oog op de identificatie niet fysiek aanwezig is.
  De toepassingsmodaliteiten van deze verplichting zullen worden verduidelijkt door de overheden bedoeld in artikel 21 en, desgevallend, via reglement overeenkomstig artikel 21bis.

  Art. 7. De in de artikelen 2, 2bis en 2ter, bedoelde ondernemingen en personen) bewaren op welke informatiedrager ook gedurende ten minste vijf jaar na het beëindigen van de relaties met hun cliënten of alle andere personen beoogd in artikel 4, eerste en tweede lid, een afschrift van het bewijsstuk dat voor de identificatie heeft gediend.
  Hetzelfde geldt voor de stukken die de in de artikelen 5 en 5bis beoogde identificatie mogelijk hebben gemaakt.
  Onverminderd het vereiste gesteld in artikel 6, vierde lid, van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, bewaren de in de artikelen 2, 2bis, 1° en 5°, en 2ter bedoelde ondernemingen en personen gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de uitvoering van de verrichtingen op welke informatiedrager ook een kopie van de registraties, de borderellen en stukken van de uitgevoerde verrichtingen om ze nauwkeurig te kunnen reconstrueren. Zij registreren de uitgevoerde verrichtingen op zodanige wijze dat zij kunnen voldoen aan de verzoeken om inlichtingen bedoeld in artikel 15, binnen de in dat artikel voorgeschreven termijn.

  Art. 8. De ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis en 2ter onderzoeken met een bijzondere aandacht elke verrichting die ze, uit hun aard of door hun ongebruikelijk karakter gelet op de activiteiten van de cliënt, de begeleidende omstandigheden of de hoedanigheid van de betrokken personen, bijzonder vatbaar achten voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.
  De in de artikelen 2 en 2bis, 5°, bedoelde ondernemingen en personen stellen een schriftelijk verslag op over dit onderzoek; dit verslag wordt toegestuurd aan de in artikel 10 bedoelde personen voor bewaring gedurende de door artikel 7 voorgeschreven termijn.
  Na advies van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen en de cel voor financiële informatieverwerking, kan de Koning een lijst opstellen van verrichtingen inzake deviezen die specifiek geacht worden verband te houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme en waarover in de artikel 2 bedoelde ondernemingen en personen een schriftelijk verslag moeten opstellen, dat aan de in artikel 10 bedoelde personnen wordt toegestuurd.

  Art. 9. De in de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen en personen nemen passende maatregelen om hun werknemers en hun vertegenwoordigers met de bepalingen van deze wet vertrouwd te maken. Deze maatregelen houden in dat hun betrokken werknemers en vertegenwoordigers deelnemen aan speciale opleidingsprogramma's om de verrichtingen en de feiten te leren onderkennen die met het witwassen van geld en de financiering van terrorisme verband kunnen houden en om hen te onderrichten hoe in die gevallen moet worden gehandeld.

  Art. 10. De in de artikelen 2 en 2bis, 5° bedoelde ondernemingen en personen wijzen één of meer personen aan die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van deze wet in hun onderneming. Deze personen zijn vooral belast met de vaststelling van de procedures voor interne controle, informatieverstrekking en -centralisatie om verrichtingen die met het witwassen van geld en de financiering van terrorisme verband-houden, te voorkomen, op te sporen en te verhinderen.
  Bij de interne controleprocedures zal bijzonder rekening worden gehouden met het verhoogde risico voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme bij verrichtingen op afstand als bedoeld in artikel 6bis.
  De toepassingsmodaliteiten van deze verplichting zullen worden verduidelijkt door de overheden bedoeld in artikel 21 van deze wet en, desgevallend, via reglement overeenkomstig artikel 21bis.

Wetsgeschiedenis