Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

Hoofdstuk III. - Informatieverstrekking tussen de in de artikelen 2, 2bis en 2ter beoogde ondernemingen of personen en de met de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme belaste overheden

Art. 11. § 1. Er wordt, onder de benaming "cel voor financiële informatieverwerking", een administratieve autoriteit met rechtspersoonlijkheid ingesteld

  Art. 12. § 1. Wanneer de in artikel 2 beoogde ondernemingen of personen weten of vermoeden dat een uit te voeren verrichting verband houdt met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, ...

Art. 13. Wanneer de in artikel 2 beoogde ondernemingen of personen die weten of vermoeden dat een uit te voeren verrichting verband houdt met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, dit niet ter kennis kunnen brengen van de cel voor financiële informatieverwerking vooraleer de verrichting uit te voeren, ...

  Art. 14. Buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 12 en 13, brengen de in artikel 2 beoogde ondernemingen of personen, wanneer hun een feit bekend wordt dat op witwassen van geld of op financiering van terrorisme zou kunnen wijzen, dit onmiddellijk ter kennis van de cel voor financiële informatieverwerking. ...

  Art. 14bis. § 1. De in artikel 2bis, 1° tot 4°, bedoelde personen die, bij de uitoefening van hun beroep, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de Cel voor financiële informatieverwerking daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.
  § 2. Wanneer de in artikel 2bis, 5°, bedoelde personen weten of vermoeden dat een verrichting verband houdt met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, ...
  § 3. De in artikel 2ter bedoelde personen die, bij de uitoefening van de in dat artikel opgesomde activiteiten, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.
 

  Art. 14ter. Na advies van de Cel voor financiële informatieverwerking, kan de Koning de in de artikelen 12 tot 14bis beoogde plicht tot kennisgeving uitbreiden tot verrichtingen en feiten waarin natuurlijke of rechtspersonen zijn betrokken die gedomicilieerd, geregistreerd of gevestigd zijn in een Staat of een gebied waarvan de wetgeving als ontoereikend wordt erkend door een bevoegde internationale instantie voor het overleg en de coördinatie of waarvan door deze instantie wordt aangenomen dat hun gebruiken een hinderpaal vormen in de strijd tegen het witwassen van geld. De Koning kan het type van de beoogde verrichtingen en feiten, alsook hun minimumbedrag, bepalen.

  Art. 14quater. De personen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 6°, 8°, 9°, 10°, 19° en 20°, mogen geen bijkantoor of vertegenwoordigingskantoor openen dat gedomicilieerd, geregistreerd of gevestigd is in een Staat of een gebied, door de Koning aangewezen met toepassing van artikel 14ter. Zij mogen, noch rechtstreeks, noch via de tussenkomst van een financiële holding of van een gemengde financiële holding, een dochtervennootschap die werkzaam is als kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming verwerven of oprichten die gedomicilieerd, geregistreerd of gevestigd is of wordt in een Staat of een gebied als hierboven bedoeld.

  Art. 15. § 1. Wanneer de Cel voor financiële informatieverwerking informatie ontvangt als bedoeld in artikel 11, § 2, .....
  De gerechtelijke overheden, de politiediensten, de administratieve diensten van de Staat, de curatoren in een faillissement en de voorlopige bewindvoerders mogen de Cel voor financiële informatieverwerking op eigen initiatief alle informatie bezorgen die zij nuttig achten voor de vervulling van haar opdracht.
  Het openbaar ministerie deelt aan de Cel voor financiële informatieverwerking alle definitieve beslissingen mee die zijn genomen in dossiers in verband waarmee de Cel informatie heeft meegedeeld met toepassing van de artikelen 12, § 3, en 16.

  Art. 16. Onverminderd het geval bedoeld in artikel 12, § 3, gaat de cel voor financiële informatieverwerking over tot het onderzoek van de informatie bedoeld in artikel 11, § 2.
...

  Art. 17. § 1. Onverminderd de toepassing van de voorafgaande artikelen en buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte te getuigen, mogen de leden van de cel voor financiële informatieverwerking en de leden van haar personeel, de leden van de politiediensten en de andere ambtenaren die bij haar gedetacheerd zijn alsook de externe deskundigen waarop zij beroep doet zelfs in het geval bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, geen ruchtbaarheid geven aan de informatie waarvan zij bij de uitoefening van hun opdrachten kennis hebben gekregen
   § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op ...

Art. 18. De mededeling van de in de artikelen 12 tot 14ter bedoelde informatie wordt normaliter gedaan door de persoon die binnen de in de artikelen 2 en 2bis, 5°, bedoelde ondernemingen overeenkomstig artikel 10 is aangesteld, of door de personen bedoeld in de artikelen 2bis, 1° tot 4° en 2ter.
  Elke werknemer en elke vertegenwoordiger van de in de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen of personen deelt ovenwel persoonlijk aan de cel informaties mee telkens wanneer de in het eerste lid bedoelde procedure niet kan worden gevolgd. 

  Art. 19. De in de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen of personen en de in artikel 14bis, § 3, bedoelde stafhouder mogen in geen geval ter kennis brengen van de betrokken cliënt of van derden dat informatie werd meegedeeld aan de cel voor financiële informatieverwerking met toepassing van de artikelen 12 tot 15, of dat een opsporingsonderzoek wegens witwassen van geld aan de gang is. 

  Art. 20. Geen enkele burgerlijke rechtsvordering, straf- of tuchtvordering kan worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie kan worden uitgesproken tegen de in de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen of personen, hun werknemers of hun vertegenwoordigers en de in artikel 14bis, § 3 bedoelde stafhouder wegens een te goeder trouw verstrekte inlichting overeenkomstig de artikelen 12 tot 15.

Wetsgeschiedenis