Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

Hoofdstuk IV. - Controle- of toezichthoudende overheden.

Art. 21. De controle- of toezichthoudende overheden, of de tuchtoverheden van in de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen en personen die feiten vaststellen die bewijsmateriaal voor het witwassen van geld of de financiering van terrorisme kunnen vormen, moeten de cel voor financiële informatieverwerking daarvan op de hoogte brengen.

  In afwijking van de wettelijke en reglementaire bepalingen die hun beroepsgeheim regelen, brengen de overheden belast met het toezicht op de financiële markten wanneer zij feiten vaststellen die bewijsmateriaal voor het witwassen van geld of de financiering van terrorisme kunnen vormen, de Cel voor financiële informatieverwerking daarvan op de hoogte.

  Art. 21bis. De autoriteiten die toezicht houden op de ondernemingen en personen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 6°, 8°, 9°, 10°, 11°, 15°, 16°, 19° en 20°, bepalen, bij reglement goedgekeurd door de Koning, hoe de verplichtingen bedoeld in hoofdstuk II ten uitvoer worden gelegd.

  Als de toezichthoudende overheden nalaten het in het eerste lid bedoelde reglement vast te stellen of het in de toekomst te wijzigen, is de Koning gemachtigd om dat reglement zelf vast te stellen dan wel te wijzigen.

  Art. 22. Onverminderd de bij andere wetten of reglementen bepaalde maatregelen, kan de bevoegde controle- of toezichthoudende overheid, of de bevoegde tuchtoverheid bij niet-naleving van de bepalingen van de artikelen 4 tot 19 of de ter uitvoering ervan genomen besluiten door een in de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde onderneming of persoon die onder haar ressorteert :

  1° volgens de regels die zij bepaalt, de beslissingen en maatregelen die zij neemt, openbaar maken;

  2° een administratieve geldboete opleggen, die niet minder dan 250,00 EUR en niet meer dan 1.250.000,00 EUR mag bedragen, na de betrokken ondernemingen of personen in hun verweer te hebben gehoord of minstens behoorlijk te hebben opgeroepen; de geldboete wordt geïnd in het voordeel van de Schatkist, door de Administratie van de B.T.W., registratie en domeinen.

  De Cel wordt door de bevoegde autoriteit in kennis gesteld van de definitieve sancties die met toepassing van het eerste lid zijn getroffen.
 
Deze sancties kunnen door de Minister van Financiën worden uitgesproken ten opzichte van de in de artikelen 2 en 2bis bedoelde ondernemingen of personen die onder geen enkele controle- of toezichthoudende overheid, noch onder een tuchtoverheid ressorteren.

Wetsgeschiedenis