Minderjarige


Titel IX. Ouderlijk gezag

Art. 373
   Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.
   Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag verband houdt behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
   Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken.
   De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.