Minderjarige

Titel IX. Ouderlijk gezag

Art. 376
   Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.
   Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
   Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
   De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.


Voor heel wat handelingen zullen de ouders de machtiging van de Vrederechter nodig hebben (
art. 378 BW).

De ouders zijn ook verantwoording verschuldig voor dit beheer (art. 379 BW).

Een verdeling van goederen waarvan ook een minderjarige eigenaar is, moet gedaan worden door een notaris. (art. 1206 Ger. W.)

De ouders hebben het vruchtgenot van de goederen die toebehoren aan hun minderjarige kinderen. (art. 384 BW).