
Boek 1 : personen - Titel
IX. - Ouderlijk gezag
Art. 371. Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan
elkaar respect verschuldigd.
Art. 372.
Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn
meerderjarigheid of zijn ontvoogding.
Art. 373.
Wanneer de ouders samenleven,
Art. 374 : wanneer de ouders niet samenleven : ouderlijk gezag - verblijfsco-ouderschap
Art. 375. Indien de afstamming
niet is vastgesteld ten aanzien van een van de ouders of indien een van
beiden overleden of afwezig is dan wel in de onmogelijkheid verkeert
zijn wil te kennen te geven, oefent de andere dat gezag alleen
uit. Als van beide ouders er geen overblijft die in staat is het
ouderlijk
gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uitgewerkt.
Art. 375bis. De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met
het kind te
onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden
toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere
affectieve band heeft. Bij gebreke van een overeenkomst tussen de
partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het
kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist
door de jeugdrechtbank.
Art. 376.
Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk
uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij
gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op. Ten opzichte van derden die
te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met
instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer
van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde
uitzonderingen. Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het
kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag
uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind
te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer.
Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden
alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot
de jeugdrechtbank wenden.
Art. 377. (opgeheven)
art. 378 (§ 1.) Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel
935, derde
lid, is de machtiging van de vrederechter vereist om (de in artikel
410, § 1, 1° tot 6°, 8°, 9° en
11° tot 14°
bepaalde handelingen) te verrichten waarvoor de voogd bijzondere
machtiging van de vrederechter moet verkrijgen. (Bevoegd is : - de
vrederechter van de woonplaats in België van de
minderjarige, en bij ontstentenis daarvan, - die van de verblijfplaats
in België van de minderjarige, en bij ontstentenis daarvan, -
die
van de laatste gemeenschappelijke woonplaats in België van de
ouders of in voorkomend geval, die van de laatste woonplaats in
België van de ouder het ouderlijk gezag alleen uitoefent, en
bij
ontstentenis daarvan, - die van de laatste gemeenschappelijke
verblijfplaats in België van de ouders of in voorkomend geval,
die
van de laatste verblijfplaats in België van de ouder die het
ouderlijk gezag alleen uitoefent. In het belang van de minderjarige kan
de met toepassing van het vorige lid bevoegde vrederechter in een met
redenen omklede beschikking beslissen om het dossier over te zenden aan
de vrederechter van het kanton waar de minderjarige op duurzame wijze
zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd.) De vrederechter beslist over
het door de partijen of door hun advocaat
ondertekende verzoekschrift. Indien de zaak slechts door een van de
ouders bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt de andere
gehoord of ten minste bij gerechtsbrief opgeroepen. Door die oproeping
wordt hij partij in het geding. (In geval van belangentegenstelling
tussen de beide ouders, of wanneer één van hen
verstek
laat gaan, kan de vrederechter één van de ouders
machtiging verlenen om alleen de handeling te verrichten waarvoor om de
machtiging wordt verzocht.) In geval van belangentegenstelling tussen
het kind en zijn ouders wordt
door de vrederechter hetzij op verzoek van enig belanghebbende, hetzij
ambtshalve een voogd ad hoc aangewezen.
(§ 2. De handelingen bedoeld in artikel 410, § 1,
7°,
zijn niet onderworpen aan de machtiging bedoeld in § 1. In
geval
van belangentegenstelling tussen de minderjarige en zijn ouders wordt
door de rechter bij wie de zaak aanhangig is, hetzij op verzoek van
enig belanghebbende, hetzij ambtshalve, een voogd ad hoc aangewezen.)
Art. 379. De ouders die belast zijn met
het beheer van de goederen van hun minderjarige kinderen, zijn rekening
en verantwoording verschuldigd wat betreft de eigendom en de
opbrengsten van de goederen waarvan ze niet het genot hebben, en wat
betreft de eigendom alleen, van de goederen waarvan hun volgens de wet
het genot toekomt. (Iedere rechterlijke beslissing waarbij uitspraak
wordt gedaan over geldsommen die toekomen aan een minderjarige, beveelt
ambtshalve dat voornoemde geldsommen worden geplaatst op een rekening
die op zijn naam is geopend. Behoudens het recht op wettelijk genot, is
de rekening onbeschikbaar tot het tijdstip van de meerderjarigheid van
de minderjarige. Wanneer de beslissing bedoeld in het vorige lid in
kracht van gewijsde is gegaan, geeft de griffier daarvan kennis door
toezending van een afschrift bij een ter post aangetekende brief aan de
schuldenaars, waarna deze laatsten zich slechts met nakoming van de
beslissing van de rechtbank rechtsgeldig kunnen bevrijden. Wanneer een
voogdij is opengevallen, zendt hij eveneens een afschrift aan de
griffier van het vredegerecht waarvan de voogdij afhangt.)
Art. 380. (Opgeheven)
Art. 381. (Opgeheven)
Art. 382. (Opgeheven)
Art. 383. (Opgeheven)
Art. 384. De ouders hebben het genot van de goederen van hun kinderen
tot aan hun
meerderjarigheid of hun ontvoogding. Het genot wordt gekoppeld aan het
beheer : het behoort toe , hetzij aan de beide ouders samen hetzij aan
de ouder die belast is met het beheer van de goederen van het kind.
Art. 385. (opgeheven)
Art. 386. De lasten van dit genot zijn : 1° Die waartoe
vruchtgebruikers gehouden zijn; 2° Levensonderhoud, opvoeding
en passende opleiding van de kinderen, overeenkomstig hun vermogen;
3° De betaling van de rentetermijnen of interesten van de
kapitalen; 4° De begrafeniskosten en de kosten van de laatste
ziekte.
Art. 387. Het strekt zich niet uit tot de goederen welke de kinderen
door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerven, noch tot die welke
hun geschonken of vermaakt worden onder de uitdrukkelijke voorwaarde
dat de ouders daarvan het genot niet zullen hebben.
Art. 387bis. In alle gevallen, en onverminderd de bevoegdheid van de
voorzitter van
de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding
overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de
jeugdrechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders
of van één van hen, dan wel van de procureur des
Konings
alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of
wijzigen.
Onverminderd artikel 1734 van het Gerechtelijk Wetboek,
poogt de rechtbank de partijen te verzoenen. Zij verstrekt hen alle
nuttige inlichtingen over de rechtspleging en in het bijzonder over het
nut een beroep te doen op de in het zevende deel van het Gerechtelijk
Wetboek bepaalde bemiddeling. Indien zij vaststelt dat een toenadering
mogelijk is, kan zij de schorsing van de procedure bevelen, teneinde de
partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen hierover
in te winnen en het bemiddelingsproces op te starten. De duur van de
schorsing mag niet meer dan één maand bedragen.
De
rechtbank kan, zelfs ambtshalve, een voorafgaande maatregel bevelen
teneinde de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen
voor een termijn die zij vaststelt, voorlopig te regelen. Ingeval een
dergelijke vordering voor het eerst bij de jeugdrechtbank aanhangig
wordt gemaakt, en behoudens overeenstemming van alle partijen en van de
procureur des Konings, beslist de jeugdrechtbank over een voorlopige
regeling. De zaak kan tijdens een latere zitting opnieuw worden
onderzocht, op een datum die ambtshalve vastgelegd wordt in het vonnis,
binnen een termijn die één jaar niet te boven mag
gaan,
en onverminderd een nieuwe oproeping op een vroegere datum, zoals is
aangegeven in het volgende lid: De zaak blijft ingeschreven op de rol
van de jeugdrechtbank tot de kinderen op wie het geschil betrekking
heeft, ontvoogd zijn of de leeftijd van wettelijke meerderjarigheid
hebben bereikt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor
de rechtbank worden gebracht bij conclusie of bij een schriftelijk
verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. Artikel
730, § 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van
toepassing
op deze zaken.
Art. 387ter : De tenuitvoerlegging van beslissingen inzake verblijfsregeling en de dwangmaatregelen
Art. 388 BW