law - custody - renumeration

Boek I. - Personen - Titel XI. - Meerderjarigheid, voorlopig bewind, onbekwaamverklaringen en bijstand van een gerechtelijk raadsman

Hoofdstuk Ibis. - Voorlopig bewind over de goederen toebehorend aan een meerderjarige

Artikel 488bis H:

3 MEI 2003. - Wet tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren.

Op 4 maart 2003 is er Verslag in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, als volgt:

Art. 8
Dit artikel vervangt artikel 488bis, h) van het Burgerlijk Wetboek.
Paragraaf 1 handelt over de bezoldiging van de vrederechter.
De heer Luc Goutry ( CD&V) heeft amendement nr 81 ingediend dat de voorgestelde tekst wijzigt ingevolge de opmerkingen van professor dr. Swennen die de aandacht op het volgende vestigt:
«.. Artikel 8, voorgesteld art. 488bis, h), § 1, tweede lid, breidt het verbod tot ontvangen van een gift van de voogd in principe uit tot de voorlopige bewindvoerder.
Nu is de voogd meestal een bloedverwant in de opgaande lijn (ouder, grootouder), terwijl de bewindvoerder meestal een bloedverwant in de neerdalende lijn zal zijn (kind, kleinkind). Het verbod van art. 907 is daarom niet van toepassing op de voogd die een bloedverwant in de opgaande
lijn is. Die vrijstelling kon niet worden uitgebreid tot het voorlopig bewind, om de juist genoemde reden.
Daarom bepaalt de tekst van het ontwerp dat «dit artikel is echter niet van toepassing wanneer de voorlopige bewindvoerder een familielid is». De reden is dat juist die personen bij voorkeur als bewindvoerder moeten worden gekozen. Hun bereidheid te zorgen voor een ziek familielid mag uiteraard niet worden bestraft door hen uit te sluiten van schenking/testament (zie amendement nr.
29 in de Senaat). De huidige tekst, die «familieleden»
vrijstelt, is onjuist en onduidelijk :

- volgens art. 488bis c), § 1, tweede lid, worden bij voorrang aangeduid als bewindvoerder: de echtgenoot, wettelijk samenwonende (, persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt – zie opmerking 1), een lid van de naaste familie of de vertrouwenspersoon.
- de echtgenoot, wettelijk samenwonende of feitelijke samenwonende is géén familielid. Een kind dat bewindvoerder is over een ouder, mag als «familielid» dus wel een begunstigde zijn van een gift, maar de echtgenoot, wettelijke of feitelijk samenwonende niet !
Dit is volstrekt onlogisch nu de beschermde persoon in principe voortaan wel huwelijksvoordelen aan de echtgenoot zou mogen toekennen (die dan door de werking van voornoemde bepaling verboden zouden zijn…).
- de vertrouwenspersoon is geen familielid. Moet hij ook niet van de vrijstelling genieten?
- «Familieleden» zijn alle personen waarmee bloed- (en eventueel aan-)verwantschap bestaat. Het verdient aanbeveling het begrip in de tekst van de wet te verduidelijken:
is de vrijstelling van toepassing op bloedverwanten én aanverwanten of enkel op de eerste? Geldt
de vrijstelling ongeacht de graad van bloed- of aanverwantschap of tot een bepaalde graad (vb. tweede of derde graad) ?
Aangezien rechtsonbekwaamheden (zoals de juist besproken onbekwaamheid) restrictief moeten worden geïnterpreteerd, verdient het aanbeveling dat de commissie zich over de voorgaande punten buigt. Ik verwijs ook naar amendement nr. 101 in de Senaat, waarin de regering m.i. terecht voorstelde heel de problematiek uit dit voorstel te lichten.
In het voorgestelde art. 488bis, h), § 1, derde lid (art. 8), wordt het beschreven verbod ook uitgebreid tot :
- de vrederechter die beslist over het voorlopige bewind.
Is een dergelijke heksenjacht nodig ? (…)
- het medische personeel dat de beschermde persoon
behandeld heeft. (…) Bovendien kan geen ander medisch personeel dan een arts een persoon «behandelen ». De arts wordt reeds geviseerd in art. 909 B.W. Deze bepaling is dus inhoudsloos, buiten het feit dat het inshuidige verbod hier inhoudelijk (aard van de behandeling,
van de ziekte) wordt uitgebreid. Dezelfde discussie vond plaats bij de bespreking van de euthanasiewet.
- directie en personeelsleden van de instelling. Artikel 909 B.W. wordt hier uitgebreid tot een groep personen waarover in rechtsleer en rechtspraak al jaren discussie bestaat of het verbod wel moet worden uitgebreid en, zo ja, met welke draagwijdte. Er zijn diverse voorstellen tot hervorming van art. 909 B.W. Deze vraag behoort niet in dit ontwerp, maar in de genoemde voorstellen aan bod
te komen. (…)»
De commissieleden stemmen met deze opmerkingen in.
Amendement nr 81 van de heren Goutry en Verherstraeten (dat amendement nr 73 van dezelfde
indiener vervangt), luidt als volgt:
a) In het voorgestelde artikel 488bis, h), § 1, tweede lid, de twee laatste zinnen schrappen vanaf de woorden
«Artikel 307» ;
b) Het voorgestelde artikel 488bis-h), § 1, derde lid weglaten.

VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt tegemoet te komen aan de bezwaren die zijn geopperd door prof. Dr. F. Swennen in zijn email van 13 februari 2003 aan de leden van de commissie voor de Justitie.
Hiermee wordt ook gevolg gegeven aan amendement nr. 101 dat de regering heeft ingediend in de Senaat.
De combinatie van de artikelen 907 en 911 B.W. zouden leiden tot onevenredige en onwenselijke gevolgen.
Het begrip «familielid» is enerzijds te restrictief doordat echtgenoten, wettelijk samenwonenden of feitelijk samenwonenden worden uitgesloten en anderzijds te vaag doordat er geen graad van bloed- en eventueel aanverwantschap wordt gepreciseerd.
Bovendien wordt de bekommernis om de beschermde persoon te beschermen tegen zijn eigen daden waardoor hij zichzelf verarmt en behoeftig maakt, opgevangen door § 2 van het voorgestelde artikel 488bis, h). (DOC 50 0107/017).

Dit verslag van 4 maart 2003 in de Kamer wordt op 13 maart 2003 gevolgd door de een wettekst die in de Kamer in de plenaire vergadering wordt aangenomen.