Internationaal verdrag tot regeling van de voogdij van minderjarigen

Ondertekend te 's-Gravenhage op 12 juni 1902 en goedgekeurd bij W. 27 juni 1904 (B.S., 10 juli 1904). De Nederlandse tekst is een vertaling.

Art. 1

De voogdij van eenen minderjarige wordt beheerscht door zijne nationale wet.

Art. 2
   Indien de nationale wet de voogdij in het eigen land van den minderjarige niet regelt, voor het geval dat deze zijn gewoon verblijf in den vreemde heeft, kan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger, daartoe bevoegd verklaard door den Staat, waartoe de minderjarige behoort, in de voogdij voorzien overeenkomstig de wet van dien Staat, indien de Staat, waar de minderjarige zijn gewoon verblijf heeft, zich daartegen niet verzet.


Art. 3
   Evenwel wordt de voogdij van den minderjarige, die zijn gewoon verblijf in den vreemde heeft, ingesteld en uitgeoefend overeenkomstig de ter plaatse geldende wet, indien in de voogdij niet is of niet kan worden voorzien overeenkomstig de bepalingen van artkel 1 of van artikel 2.


Art. 4
   Het bestaan eener voogdij, waarin is voorzien overeenkomstig de bepaling van artikel 3, belet niet de instelling eener nieuwe voogdij door toepassing van artikel 1 of van artikel 2.
   Zoo spoedig mogelijk zal van dit feit kennis worden gegeven aan de Regeering van den Staat, waar het eerst in de voogdij is voorzien. Deze Regeering zal, hetzij de overheid die de voogdij heeft opgedragen, hetzij indien eene zodanige overheid niet bestaat, den voogd zelven daarvan onderrichten.
   De wetgeving van den Staat, waar in de eerste voogdij werd voorzien, bepaalt op welk oogenblik die voogdij eindigt in het geval, waarop dit artikel betrekking heeft.


Art. 5
   In alle geval, begint en eindigt de voogdij op de tijdstippen en om de redenen, aangewezen door de nationale wet van den minderjarige.


Art. 6
   Het bewind van den voogd strekt zich uit over den persoon en het geheele vermogen van den minderjarige, waar de tot dit vermogen behoorende goederen zich ook mogen bevinden.
   Deze regel kan uitzondering lijden ten aanzien van die onroerende goederen welke, bij de wet van den Staat waarin zij gelegen zijn, aan eene bijzondere regeling zijn onderworpen.


Art. 7
   In afwachting dat in de voogdij wordt voorzien, alsmede in alle spoedeischende gevallen, kunnen de maatregelen, noodig voor de bescherming van den persoon en van de belangen van eenen vreemden minderjarige, door de plaatselijke overheden worden genomen.


Art. 8
   De overheden van een Staat, op wiens grondgebied zich een vreemde minderjarige bevindt in wiens voogdij moet worden voorzien, zullen daarvan, zoodra dit feit haar bekend wordt, de overheden van den Staat, waartoe de minderjarige behoort, onderrichten.
   De overheden, aldus onderricht, zullen zoo spoedig mogelijk aan de overheden, die haar het bericht hebben gezonden, doen weten of in de voogdij is of zal worden voorzien.


Art. 9
   Deze Overeenkomst is slechts toepasselijk op de voogdij van minderjarigen, die behooren tot een der contracteerende Staten en hun gewoon verblijf hebben op het grondgebied van een dier Staten.
   Intusschen zijn de artikelen 7 en 8 van deze Overeenkomst van toepassing op alle minderjarigen, die behooren tot een der contracteerende Staten.


Art. 10
   Deze overeenkomst, die slechts toepasselijk is op het grondgebied in Europa van de contracteerende Staten, zal bekrachtigd worden en de akten van bekrachtiging zullen te 's Gravenhage nedergelegd worden, zoodra de meerderheid der Hooge contracteerende Partijen in staat zal zijn dit te doen.
   Van deze nederlegging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkte afdruk langs diplomatieken weg aan ieder der contracteerende Staten zal worden toegezonden.


Art. 11
   De Staten die niet onderteekend hebben, doch vertegenwoordigd zijn geweest op de derde Conferentie van Internationaal Privaatrecht, kunnen tot deze Overeenkomst in haar geheel en zonder voorbehoud toetreden.
   De Staat die wenscht toe te treden zal, ten laatste op 31 december 1904, van zijn voornemen kennis geven door eene akte die zal nedergelegd worden in het archief der Nederlandsche Regeering. Deze zal van die akte een voor eensluidend gewaarmerkte afdruk langs diplomatieken weg aan ieder der contracteerende Staten doen toekomen.


Art. 12
   Deze Overeenkomst zal in werking treden op den zestigsten dag na de nederlegging van de akten van bekrachtiging of na de dagteekening der kennisgeving van de toetredingen.


Art. 13
   Deze overeenkomst zal gedurende vijf jaar in stand blijven te rekenen van de dagteekening der nederlegging der akten van bekrachtiging.
   Deze termijn zal van dien dag af beginnen te loopen, zelfs voor de Staten die na dien dag de nederlegging zullen bewerkstelligd hebben of zullen zijn toegetreden.
   De Overeenkomst zal stilzwijgend telkens van vijf tot vijf jaren vernieuwd worden, behoudens opzegging.
   De opzegging zal minstens zes maanden vóór het einde van den termijn bedoeld in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel ter kennis moeten worden gebracht van de Nederlandsche Regeering, welke daarvan aan alle andere contracteerende Staten mededeeling zal doen.
   De opzegging zal slechts gevolg hebben ten opzichte van den Staat, die haar gedaan zal hebben. De overeenkomst zal verbindend blijven voor de andere Staten.