Belgisch Gerechtelijk Wetboek

Deel 4. - Burgerlijke rechtspleging - Boek 4. - Bijzondere rechtsplegingen

Hoofdstuk XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen.

Afdeling I - De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting

Art. 1254

Art. 1255

Art. 1256


Art. 1257

Art. 1258

Art. 1261. Wanneer de partijen of een van hen een woonplaats heeft gekozen, worden de betekeningen aan die woonplaats gedaan. De dossiers worden op de griffie neergelegd ten minste acht dagen vó6r de zitting die voor de pleidooien is vastgesteld.

Art. 1263. Wanneer de rechtbank de persoonlijke verschijning van de partijen heeft gelast, kan de echtgenoot die niet verschijnt, van zijn rechtsvordering vervallen worden verklaard.

Art. 1264. Partijen verschijnen persoonlijk op het getuigenverhoor, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaat. Ze kunnen zich eveneens door hem laten vertegenwoordigen.

Art. 1269. Het beschikkend gedeelte van de vonnissen of arresten waarbij echtscheiding wordt uitgesproken, vermeldt de volledige identiteit van de partijen alsmede de plaats en de datum van de voltrekking van hun huwelijk.

Art. 1270. Weergave van de debatten door middel van de pers is verboden op straffe van geldboete van honderd frank tot tweeduizend frank en van gevangenis van acht dagen tot zes maanden of van een van die straffen alleen. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op dit misdrijf.rechtsmiddelen, met uitsluiting van bekentenis en eed.

Art. 1274.
De termijn om zich in cassatie te voorzien tegen een beslissing die de echtscheiding uitspreekt, wordt vastgesteld op één maand. Deze termijn en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging.

Art. 1275. § 1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest waarbij de echtscheiding op is uitgesproken, wordt onmiddellijk in afschrift medegedeeld aan de griffier.
 § 2. Wanneer het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier, binnen een maand, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of het arrest bij aangetekende zending met ontvangstbewijs aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het huwelijk voltrokken is of, wanneer het huwelijk niet in België voltrokken is, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel. Het ontvangstbewijs wordt door de griffier aangezegd aan de partijen. Binnen een maand na de kennisgeving aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, schrijft deze het beschikkende gedeelte over in zijn registers; er wordt melding van gemaakt op de kant van de akte van huwelijk, indien deze in België is opgemaakt of overgeschreven. Na de overschrijving geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld daarvan kennis aan de procureur des Konings bij de rechtbank die op de vordering heeft beslist.

Art. 1276.  Ten aanzien van vonnissen gaat de termijn bedoeld in artikel 1275, § 2, eerste lid, eerst in na het verstrijken van de termijn van hoger beroep wanneer het vonnis op tegenspraak is gewezen; en na het verstrijken van de termijn van verzet wanneer het vonnis bij verstek is gewezen ten aanzien van arresten gaat die termijn eerst in na het verstrijken van de termijn van voorziening in cassatie of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt verworpen.

Art. 1278. Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt (uitgesproken), (heeft ten aanzien van de persoon van de echtgenoten gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden, en) heeft ten aanzien van derden zijn gevolgen vanaf de dag van de overschrijving.

Ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, werkt het terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de echtscheiding is overgeschreven doch nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van overschrijving overeenkomstig artikel 1275.

De rechtbank kan, op vordering van één van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden.

De partijen kunnen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de gemeenschap.

Art. 1279. (opgeheven)

Art. 1280. (De voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt), rechtsprekend in kort geding, neemt, in iedere stand van het geding, (tot de ontbinding van het huwelijk op verzoek van de partijen of van een van de partijen of van de procureur des Konings) kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, op het levensonderhoud en op de goederen, zowel van de partijen als van de kinderen. (De rechter houdt, in voorkomend geval, rekening met de meningen van de kinderen die werden geuit op de wijze bepaald bij artikel 931, derde tot zevende lid.) De procureur des Konings kan, door bemiddeling van (de bevoegde sociale dienst), alle dienstige inlichtingen betreffende de zedelijke en stoffelijke toestand van de kinderen inwinnen. (De voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorziter waarneemt) kan de procureur des Konings verzoeken de in vorig lid bedoelde informatie te verrichten. Van de informatie wordt in alle gevallen aan partijen kennis gegeven. (De voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt) kan gebruik maken van dezelfde bevoegdheden als bij artikel (221) van het Burgerlijk Wetboek aan de vrederechter zijn toegekend. In dit geval kan zijn beschikking ingeroepen worden tegen alle tegenwoordige of toekomstige derden-schuldenaars, nadat zij hun, op verzoek van een van de partijen, door een gerechtsdeurwaarder zal zijn betekend. Wanneer zij ophoudt haar gevolgen te hebben, krijgen de derden-schuldenaars op dezelfde wijze daarvan bericht ten verzoeke van de meest gerede partij. . (Indien een echtgenoot zich tegenover de andere schuldig gemaakt heeft aan een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek, of heeft gepoogd een feit te plegen als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, of indien er ernstige aanwijzingen voor dergelijke gedragingen bestaan, zal de echtgenoot die het slachtoffer is, behalve bij uitzonderlijke omstandigheden, het genot toegewezen krijgen van de echtelijke verblijfplaats indien hij daarom verzoekt.) (De artikelen 1253sexies, § 1, 1253septies, eerste lid, en 1253octies zijn van toepassing wanneer verbod is gevorderd of uitgevaardigd om voor hypotheek vatbare goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren; artikel 224 van het Burgerlijk Wetboek is mede van toepassing.) (De zaak blijft, (tot de ontbinding van het huwelijk) tijdens de hele echtscheidingsprocedure, aanhangig bij de voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt. Onverminderd een nieuwe dagvaarding of een vrijwillige verschijning der partijen, kan de zaak binnen 15 dagen voor de rechter worden gebracht doordat één van de partijen haar conclusies op de griffie neerlegt.)

Art. 1281. Elke partij is gehouden het bewijs te leveren van haar verblijf in het aangewezen huis, zo dikwijls als zulks van haar gevorderd wordt. Bij gebreke van dat bewijs of van geldige reden, kan de andere echtgenoot vorderen dat de voorlopige uitkering tot onderhoud wordt opgeheven of herzien en, indien hij de verweerder is, dat de voortzetting van de vordering door (de eiser niet toegestaan is).

Art. 1282. De eiser of de verweerder in het geding tot echtscheiding kan, te rekenen van de datum waarop de vordering wordt ingeleid, in iedere stand van het geding, tot bewaring van zijn rechter vorderen dat alle roerende goederen van elke echtgenoot worden verzegeld. Ontzegeling geschiedt niet dan onder boedelbeschrijving en onder verplichting voor de partijen om de voorwerpen in de inventaris beschreven weer op te leveren of als gerechtelijk bewaarder voor de waarde daarvan in te staan.

Art. 1283. Iedere verbintenis ten laste van het gemeenschappelijk vermogen door één van de echtgenoten aangegaan na het instellen van de vordering tot echtscheiding, wordt nietig verklaard indien bewezen wordt dat zij aangegaan is met bedrieglijke benadeling van de rechten van de andere echtgenoot onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden. Het bewijs van goede trouw moet worden geleverd door de contracterende derde.

Wetsgeschiedenis