Decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming

Titel III Bodemsanering

Inhoudstafel per hoofdstuk - Volledige wettekst anno 2007:

Hoofdstuk I. Identificatie en inventarisatie van gronden


Afdeling I. Grondeninformatieregister

Art. 5 § 1.   De OVAM beheert een grondeninformatieregister waarin ze gegevens over gronden opneemt die haar in het kader van dit decreet worden bezorgd.

§ 2.   Bij de opname van een grond in het grondeninformatieregister levert de OVAM ambtshalve een bodemattest af aan:
    1° de eigenaar en de gebruiker van de grond en de exploitant op de grond, voor zover deze door de OVAM gekend zijn;
    2° de gemeente van de plaats waar de grond gelegen is.

   De OVAM levert ook op aanvraag een bodemattest af.

§ 3.   Het bodemattest vermeldt de identificatie van de grond en geeft een overzicht van de informatie die over de grond beschikbaar is in het grondeninformatieregister.
   De OVAM is niet verantwoordelijk voor de juistheid van de informatie die door derden aan haar werd verstrekt.

§ 4.   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende het beheer en de toegankelijkheid van het grondeninformatieregister.


Afdeling II. Lijst van risico-inrichtingen

Art. 6   De Vlaamse Regering stelt een lijst vast van risicoinrichtingen.




Afdeling III. Gemeentelijke inventaris

Art. 7

§ 1.
   Elke gemeente beheert een inventaris van de risicogronden die op haar grondgebied gelegen zijn.
   Op eerste verzoek verstrekt de Bestendige Deputatie van de provincie aan de gemeenten die gegevens die hen moeten toelaten de inventaris te beheren.

§ 2.
   Bij de opname van een grond in en de verwijdering van een grond uit de gemeentelijke inventaris, bezorgt de gemeente onverwijld een uittreksel betreffende de in de inventaris opgenomen gegevens aan de OVAM. De OVAM neemt deze gegevens op in het grondeninformatieregister.

§ 3.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende het beheer en de toegankelijkheid van de gemeentelijke inventaris.




Hoofdstuk II. Erkenning als bodemsaneringsdeskundige

Art. 8

§ 1.
   De Vlaamse Regering is bevoegd om een natuurlijke persoon of rechtspersoon als bodemsaneringsdeskundige te erkennen, alsook om de erkenning als bodemsaneringsdeskundige te schorsen of op te heffen.
   De OVAM is van rechtswege erkend als bodemsaneringsdeskundige.

§ 2.
   De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, schorsing en opheffing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige. Ze bepaalt ook de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning en kan nadere regelen vaststellen betreffende de indeling van de erkenning in types.




Hoofdstuk III. Verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren en te (pre)financieren


Afdeling I. Nieuwe bodemverontreiniging


Onderafdeling I. Saneringscriterium

Art. 9

§ 1.
   De Vlaamse Regering stelt bodemsaneringsnormen vast. Deze bodemsaneringsnormen beantwoorden aan een niveau van bodemverontreiniging dat een aanmerkelijk risico inhoudt van negatieve effecten voor de mens of het milieu, gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult.

§ 2.
   Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, wordt onverwijld een beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd.

§ 3.
   Als het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemsaneringsnormen overschreden zijn, wordt onverwijld overgegaan tot bodemsanering.

§ 4.
   Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan bodemsaneringsnormen kan worden getoetst, geldt het saneringscriterium, vermeld in artikel 19, § 1 en § 2.

§ 5.
   De bepalingen van § 2 en § 4 zijn niet van toepassing op schadegevallen die conform de bepalingen van artikel 74 tot en met 82 worden behandeld.




Onderafdeling II. Saneringsdoel

Art. 10

§ 1.
   Bodemsanering is er bij nieuwe bodemverontreiniging op gericht om de richtwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren.

§ 2.
   Als het wegens de kenmerken van de bodemverontreiniging of van de verontreinigde gronden niet mogelijk is de richtwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de bodemsanering er minstens op gericht een betere bodemkwaliteit te verwezenlijken dan bepaald door de toepasselijke bodemsaneringsnormen.
   Ingeval de grond in het kader van een voorlopig vastgesteld ontwerp van plan van aanleg of uitvoeringsplan een bestemming krijgt waarvoor strengere bodemsaneringsnormen gelden, worden de strengere bodemsaneringsnormen als saneringsdoel gehanteerd.

§ 3.
   Als het wegens de kenmerken van de bodemverontreiniging of van de verontreinigde gronden niet mogelijk is de bodemkwaliteit, vermeld in § 1 en § 2, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, dan geldt het saneringsdoel, vermeld in artikel 21, § 1.

§ 4.
   Als het niet mogelijk is de bodemkwaliteit, vermeld in § 1 tot en met § 3, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden zo nodig gebruiks- of bestemmingsbeperkingen opgelegd.

§ 5.
   Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan richtwaarden voor de bodemkwaliteit kan worden getoetst, wordt het saneringsdoel, vermeld in artikel 21, § 1, gehanteerd. De bepalingen van § 4 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 6.
   De selectie van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, gebeurt onafhankelijk van de financiële draagkracht van de saneringsplichtige. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen in concreto rekening moet worden gehouden bij de evaluatie van de beste beschikbare technieken die geen overmatige kosten met zich meebrengen.




Onderafdeling III. Saneringsplichtige


A. Aanduiding van de saneringsplichtige

Art. 11
   De verplichting om in de gevallen, vermeld in artikel 9, met betrekking tot de verontreinigde gronden een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering uit te voeren, rust op de volgende personen:
    1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning: de exploitant in de zin van voormeld decreet;
    2° bij gebrek aan een exploitant, of als de exploitant werd vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 12, § 1: de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam;
    3° bij gebrek aan een exploitant en gebruiker, of als de exploitant en gebruiker werden vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 12, § 1: de eigenaar van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam.





B. Vrijstelling van de saneringsplicht

Art. 12

§ 1.
   De exploitant, respectievelijk de gebruiker is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de exploitant of de gebruiker van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden:
    1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
    2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij de grond in exploitatie, respectievelijk in gebruik heeft genomen.

§ 2.
   De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden:
    1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
    2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd;
    3° hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving;
    4° sinds 1 januari 1993 was er geen risico-inrichting op de grond gevestigd.

§ 3.
   In afwijking van de bepalingen van § 1 en § 2 is de persoon, vermeld in artikel 11, alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoorganger de grond in exploitatie, gebruik of eigendom had.

§ 4.
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1 tot en met § 3, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikelen 153 tot en met 155.

§ 5.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de behandeling van de aanvraag tot vrijstelling en de overdraagbaarheid van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren. De Vlaamse Regering kan een termijn vaststellen waarbinnen de aanvraag tot vrijstelling, op straffe van onontvankelijkheid, bij de OVAM moet worden ingediend.




Onderafdeling IV. Saneringsfinanciering


A. (Pre)financiering

Art. 13
   De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, voert het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit op eigen kosten.
   De saneringsplichtige kan de kosten van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van deze saneringsaanspra-kelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt.




B. Draagkrachtregeling

Art. 14

§ 1.
   De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, die onvoldoende vermogen heeft om de bodemsanering te (pre)financieren, kan bij de Vlaamse Regering een gemotiveerde aanvraag tot toekenning van een draagkrachtregeling indienen. De draagkrachtregeling heeft tot doel de financieringslasten in de tijd te spreiden.
   De Vlaamse Regering beslist over de toekenning van een draagkrachtregeling binnen een termijn van negentig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

§ 2.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot aanvraag en de voorwaarden tot toekenning van een draagkrachtregeling.




C. Cofinanciering

Art. 15
   De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de persoon die overgaat tot beschrijvend bodemonderzoek of tot bodemsanering aanspraak kan maken op cofinanciering. In dat geval stelt ze tevens nadere regelen vast betreffende de procedure en de voorwaarden tot cofinaciering, en het procentsge-wijze aandeel van de cofinanciering in de totale kost van het beschrijvend bodemonderzoek of van de bodemsanering. De Vlaamse Regering kan tevens in nominale bedragen de maxima van de cofinanciering bepalen.
   De cofinanciering wordt toegekend binnen de perken van de daartoe voorziene kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest.




Onderafdeling V. Aansprakelijkheid

Art. 16

§ 1.
   Wie bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, is aansprakelijk voor de kosten die overeenkomstig dit decreet gemaakt worden voor het beschrijvend bodemonderzoek, de bodemsanering en de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, evenals voor de schade die door deze activiteiten of maatregelen veroorzaakt wordt.

§ 2.
   Als de emissie waardoor de bodemverontreiniging tot stand is gebracht afkomstig is van een inrichting die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, is evenwel de exploitant van deze inrichting als bedoeld in dat decreet aansprakelijk.



Art. 17

§ 1.
   Als meerdere personen op grond van de bepalingen van dit decreet aansprakelijk zijn voor een zelfde bodemverontreiniging, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

§ 2.
   In dat geval heeft diegene die de schadelijder heeft vergoed, een regres tegen de andere aansprakelijke personen, in de mate waarin de verschillende emissies waarvoor zij aansprakelijk zijn, hebben bijgedragen tot het veroorzaken van de bodemverontreiniging.

§ 3.
   De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de mogelijkheden voor de aansprakelijke om op basis van een andere rechtsgrond regres uit te oefenen.



Art. 18
   De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de andere rechten, die de personen die kosten maakten of schade leden als vermeld in artikel 16, § 1, hebben tegen de veroorzaker of tegen andere personen.




Afdeling II. Historische bodemverontreiniging


Onderafdeling I. Saneringscriterium

Art. 19

§ 1.
   Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt overgegaan tot een beschrijvend bodemonderzoek als er duidelijke aanwijzingen zijn van een ernstige bodemverontreiniging.

§ 2.
   Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt overgegaan tot bodemsanering als het beschrijvend bodemonderzoek de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging aantoont.

§ 3.
   De Vlaamse Regering wijst op voorstel van de OVAM die gronden met een ernstige historische bodemverontreiniging aan waar bodemsanering prioritair moet plaatsvinden.



Art. 20
   Op gronden met een ernstige historische bodemverontreiniging kan de persoon, vermeld in artikel 22, bij de OVAM een verzoek indienen om over te gaan tot risicobeheer overeenkomstig de procedure, vermeld in artikelen 83 tot en met 90.




Onderafdeling II. Saneringsdoel

Art. 21

§ 1.
   Bodemsanering is er bij historische bodemverontreiniging op gericht om te vermijden dat de bodemkwaliteit een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.
   Ingeval de grond in het kader van een voorlopig vastgesteld ontwerp van plan van aanleg of uitvoeringsplan een andere bestemming krijgt, wordt de bodemsanering er op gericht te vermijden dat de bodemkwaliteit een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu binnen deze toekomstige bestemming.

§ 2.
   Als het niet mogelijk is de bodemkwaliteit, vermeld in § 1, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden zo nodig gebruiks- of bestemmingsbeperkingen opgelegd.

§ 3.
   De bepalingen van artikel 10, § 6, zijn van overeenkomstige toepassing.




Onderafdeling III. Saneringsplichtige


A. Aanduiding van de saneringsplichtige

Art. 22
   Als gronden met historische bodemverontreiniging overeenkomstig artikel 19 aan een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering moeten worden onderworpen, maant de OVAM de hiernavolgende persoon aan tot uitvoering ervan:
    1° als op de grond waar de verontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is die vergunnings-of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning: de exploitant in de zin van voormeld decreet;
    2° bij gebrek aan een exploitant, of als de exploitant werd vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 23, § 1: de gebruiker van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam;
    3° bij gebrek aan een exploitant en gebruiker, of als de exploitant en gebruiker werden vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 23, § 1: de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam.

   Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 tot en met 155.




B. Vrijstelling van de saneringsplicht

Art. 23

§ 1.
   De exploitant, respectievelijk de gebruiker is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de exploitant of de gebruiker van oordeel is, dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden:
    1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
    2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij de grond in exploitatie, respectievelijk in gebruik heeft genomen.

§ 2.
   De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is, dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden:
    1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
    2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd;
    3° hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving.

   De eigenaar die, hoewel hij van de bodemverontreiniging op de hoogte was of behoorde te zijn, voor 1 januari 1993 een verontreinigde grond heeft verworven, is eveneens niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt en dat hij de grond sinds de verwerving enkel heeft aangewend voor particulier gebruik.

§ 3.
   In afwijking van de bepalingen van § 1 en § 2 is de persoon, vermeld in artikel 22, alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoorganger de grond in exploitatie, gebruik of eigendom had.

§ 4.
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1 tot en met § 3, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

§ 5.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de behandeling van de aanvraag tot vrijstelling en de overdraagbaarheid van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren. De Vlaamse Regering kan een termijn vaststellen waarbinnen de aanvraag tot vrijstelling, op straffe van onontvankelijkheid, bij de OVAM moet worden ingediend.




Onderafdeling IV. Saneringsfinanciering

Art. 24
   De bepalingen van artikel 13 tot en met 15 zijn van overeenkomstige toepassing.




Onderafdeling V. Aansprakelijkheid

Art. 25

§ 1.
   Met behoud van de toepassing van het laatste lid van artikel 14 van het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, wordt de aansprakelijkheid voor de kosten die overeenkomstig dit decreet gemaakt worden voor het beschrijvend bodemonderzoek, het waterbodemonderzoek, de bodemsanering en de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, evenals voor de schade die door deze activiteiten of maatregelen veroorzaakt wordt, bij historische bodemverontreiniging vastgesteld overeenkomstig de aansprakelijkheidsregels die van toepassing waren voor 29 oktober 1995.

§ 2.
   De aansprakelijkheid voor de kosten en verdere schade, vermeld in § 1, die de persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1 of § 2, kan oplopen op basis van de voor 29 oktober 1995 van toepassing zijnde regels die aansprakelijkheid vestigen op de loutere eigendom of de loutere bewaking van de grond, wordt beperkt tot het bedrag van de kosten nodig om te voorkomen dat de bodemverontreiniging zich verder verspreidt of een onmiddellijk gevaar vormt.




Afdeling III. Gemengde bodemverontreiniging

Art. 26
   Als bij gemengde bodemverontreiniging op een grond een onderscheid tussen nieuwe bodemverontreiniging en historische bodemverontreiniging kan worden gemaakt, worden de respectievelijke bepalingen voor elke soort bodemverontreiniging toegepast.



Art. 27

§ 1.
   Als bij gemengde bodemverontreiniging op een grond geen onderscheid tussen nieuwe bodemverontreiniging en historische bodemverontreiniging kan worden gemaakt, wordt een zo accuraat mogelijke verdeling van de bodemverontreiniging gemaakt in een deel dat naar alle redelijkheid als nieuwe bodemverontreiniging en een deel dat naar alle redelijkheid als historische bodemverontreiniging kan worden beschouwd. Op basis van het gemotiveerd voorstel van de bodemsaneringsdeskundige in zijn verslag van bodemonderzoek doet de OVAM uitspraak over de verdeling. Het deel nieuwe bodemverontreiniging wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor nieuwe bodemverontreiniging en het deel historische bodemverontreiniging overeenkomstig de bepalingen die gelden voor historische bodemverontreiniging.

§ 2.
   Als het niet mogelijk is om door het gebruik van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen voor elk deel bodemverontreiniging een afzonderlijk beschrijvend bodemonderzoek of een afzonderlijke bodemsanering uit te voeren, dan zijn uitsluitend de bepalingen van toepassing die gelden voor het grootste deel van de bodemverontreiniging.

§ 3.
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in § 1 en § 2, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Hoofdstuk IV. Oriënterend bodemonderzoek en beschrijvend bodemonderzoek


Afdeling I. Oriënterend bodemonderzoek


Onderafdeling I. Doel, inhoud en procedure

Art. 28

§ 1.
   Een oriënterend bodemonderzoek heeft tot doel uit te maken of er duidelijke aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Het houdt een historisch onderzoek en een beperkte monsterneming in.

§ 2.
   Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskun-dige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.
   De resultaten van het oriënterend bodemonderzoek worden aan de OVAM meegedeeld binnen dertig dagen na het afsluiten ervan.

§ 3.
   Als het oriënterend bodemonderzoek niet werd uitgevoerd conform de bepalingen van deze afdeling, kan de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen opleggen. Het uitgevoerde bodemonderzoek wordt dan niet beschouwd als een oriënterend bodemonderzoek tot op het ogenblik dat de OVAM een con-formiteitsattest heeft afgeleverd.

§ 4.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het oriënterend bodemonderzoek en de inhoud van het conformiteitsattest.




Onderafdeling II. Verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren


A. Overdracht van een risicogrond

Art. 29
   Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde voor de overdracht van een risico-grond.



Art. 30
   In afwijking van artikel 29 kan de Vlaamse Regering bepalen dat de verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren bij de overdracht van gedwongen mede-eigendom als vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek die als een risico-grond moet worden gekwalificeerd, rust op de vereniging van mede-eigenaars. Tevens kan de Vlaamse Regering bepalen in welke gevallen geen verplichting bestaat om voorafgaand aan de overdracht van dergelijke gedwongen mede-eigendom een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren of slechts een verplichting om eenmalig een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren voor een welbepaalde datum.




B. Onteigening van een risicogrond

Art. 31
   Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de onteigenende overheid voor de onteigening van een risicogrond.




C. Sluiting van een risico-inrichting

Art. 32
   Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant naar aanleiding van de sluiting van een risico-inrichting.




D. Periodieke onderzoeksplicht bij exploitatie van een risico-inrichting

Art. 33
   De Vlaamse Regering kan bij algemene regel bepalen dat de exploitanten van bepaalde categorieën van risico-inrichtingen binnen een door haar bepaalde termijn en vervolgens periodiek volgens de door haar bepaalde periodiciteit op eigen initiatief en op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek moeten uitvoeren. Deze verplichting geldt niet voor de exploitanten die voor het voldoen van de verplichting, vermeld in 91, § 1, een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie als vermeld in afdeling II van hoofdstuk VII.




E. Faillissement

Art. 34
   In geval een handelaar of een vennootschap die een risico-inrichting exploiteert failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gronden waar de gefailleerde de risico-inrichting exploiteerde.




F. Vereffening

Art. 35
   In geval een vennootschap die een risico-inrichting exploiteert in vereffening wordt gesteld, wordt op initiatief van de vereffenaar een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gronden waar de vennootschap in kwestie de risico-inrichting exploiteerde.




G. Geen nieuw oriënterend bodemonderzoek

Art. 36
   De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waarbij in de gevallen, vermeld in artikelen 29 tot en met 35, geen verplichting bestaat om een nieuw orienterend bodemonderzoek uit te voeren of een verplichting bestaat om slechts een beperkte aanvulling van het meest recente oriënterend bodemonderzoek uit te voeren.




Onderafdeling III. Ambtshalve oriënterend bodemonderzoek

Art. 37
   Met behoud van de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de OVAM te allen tijde ambtshalve een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren.




Afdeling II. Beschrijvend bodemonderzoek


Onderafdeling I. Doel, inhoud en procedure

Art. 38

§ 1.
   Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd om de ernst van de bodemverontreiniging vast te stellen. Het beoogt een beschrijving te geven van de soort, de aard, de hoeveelheid, de concentratie, de oorsprong en de omvang van de verontreinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater.
   Daarnaast kunnen in een beschrijvend bodemonderzoek gegevens worden opgenomen met betrekking tot de inschatting van het gevaar op blootstelling aan de bodemverontreiniging van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater bij een potentieel andere bestemming.

§ 2.
   Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdes-kundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

§ 3.
   Een beschrijvend bodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden die worden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in § 2.




Onderafdeling II. Conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek

Art. 39

§ 1.
   Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalingen van deze afdeling. De OVAM legt aanvullende onderzoeksverrichtingen op of levert een conformiteitsattest af.

§ 2.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek en de inhoud van het conformiteitsattest.




Onderafdeling III. Aard en ernst van de bodemverontreiniging en termijn voor het bodemsaneringsproject

Art. 40
   Op het moment van de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek spreekt de OVAM zich tevens uit over:
    1° de vraag of en in welke mate de bodemverontreiniging als nieuw dan wel als historisch moet worden beschouwd;
    2° de aanwezigheid van een bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of van een ernstige bodemverontreiniging.




Art. 41
   De OVAM kan de termijn bepalen waarbinnen het bodemsaneringsproject moet worden opgesteld en aan haar moet worden bezorgd.




Onderafdeling IV. Ambtshalve beschrijvend bodemonderzoek

Art. 42
   Met behoud van de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de OVAM te allen tijde ambtshalve overgaan tot het uitvoeren of aanvullen van een beschrijvend bodemonderzoek.




Onderafdeling V. Administratief beroep

Art. 43
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 39 tot en met 41, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Afdeling III. Oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek


Onderafdeling I. Verslag van het oriënterend en beschrijvend bodemondezoek

Art. 44
   Het beschrijvend bodemonderzoek kan gelijktijdig of onmiddellijk volgend op het oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In dat geval worden de resultaten van beide onderzoeken in een verslag aan de OVAM bezorgd, onder de benaming “Verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek”.
   Een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsa-neringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.




Onderafdeling II. Conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek

Art. 45

§ 1.
   Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalingen van dit hoofdstuk. De OVAM legt aanvullende onderzoeksverrichtingen op, beschouwt het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek als een verslag van oriënterend bodemonderzoek of levert een conformiteitsattest af.

§ 2.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek en de inhoud van het conformiteitsattest.



Art. 46
   De bepalingen van artikel 40 tot en met 43 zijn van overeenkomstige toepassing.




Hoofdstuk V. Bodemsanering


Afdeling I. Bodemsaneringsproject


Onderafdeling I. Doel, procedure en inhoud van het bodemsaneringsproject

Art. 47

§ 1.
   Een bodemsaneringsproject stelt de wijze vast waarop bodemsaneringswerken worden uitgevoerd en de eventuele nazorg wordt verzekerd.

§ 2.
   Een bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het bodemsaneringsproject opgesteld volgens een code van goede praktijk.

§ 3.
   Het bodemsaneringsproject steunt op de resultaten van een conformverklaard beschrijvend bodemonderzoek. Als de OVAM van oordeel is dat de resultaten van dit bodemonderzoek onvoldoende actueel zijn om een accuraat beeld van de verontreinigingssituatie te geven, legt ze aan de sanerings-plichtige, vermeld in artikel 11 of 22, de verplichting op om binnen een welbepaalde termijn het beschrijvend bodemonderzoek te actualiseren.

§ 4.
   Een bodemsaneringsproject kan gefaseerd worden opgesteld in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in § 2.



Art. 48
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de inhoud, de kennisgeving en de ontvankelijkheid en volledigheid van het bodemsaneringsproject.




Onderafdeling II. Openbaar onderzoek en adviesverlening

Art. 49
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot openbaar onderzoek en adviesverlening met betrekking tot het bodemsaneringsproject.




Onderafdeling III. Conformverklaring van het bodemsaneringsproject

Art. 50

§ 1.
   Na afloop van het openbaar onderzoek en na ontvangst van de adviezen, vermeld in artikel 49, en uiterlijk negentig dagen na ontvangst van het ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject, spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het bodemsaneringsproject met de bepalingen van dit decreet. De OVAM legt aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject op, of levert een conformiteitsattest af.

§ 2.
   De OVAM brengt het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject ter kennis van:
    1° de saneringsplichtige;
    2° de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject;
    3° de eigenaars en gebruikers van gronden waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;
    4° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de bodemsaneringswerken zullen worden uitgevoerd;
    5° de andere overheidsorganen die krachtens artikel 49 advies hebben uitgebracht;
    6° de Vlaamse administratie bevoegd inzake milieuinspectie.

   Op bevel van de burgemeester wordt het conformiteitsattest binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan bekendgemaakt door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn, alsook op de plaatsen voorbehouden voor de officiële berichten van bekendmaking, en gedurende dertig dagen ter inzage gelegd bij de diensten van het gemeentebestuur.



Art. 51
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de conformverklaring van het bodemsaneringsproject en het opleggen van wijzigingen en aanvullingen op het bodemsaneringsproject.




Onderafdeling IV. Voorwaarden en termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken

Art. 52
   In het conformiteitsattest bepaalt de OVAM de voorwaarden waaronder de bodemsaneringswerken moeten worden uitgevoerd. Deze voorwaarden beogen de bescherming van mens en milieu en de verwezenlijking van een goede plaatselijke aanleg.



Art. 53
   De OVAM kan de termijn bepalen waarbinnen de bodemsaneringswerken moeten worden aangevat.




Onderafdeling V. Conformiteitsattest als melding, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning

Art. 54

§ 1.
   Als de bodemsaneringswerken inrichtingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings- of vergunningsplichtig zijn, geldt het conformiteitsattest, vermeld in artikel 50, § 1, als melding respectievelijk als milieuvergunning.

§ 2.
   Als de bodemsaneringswerken werken omvatten die krachtens het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, geldt het conformiteitsattest, vermeld in artikel 50, § 1, als stedenbouwkundige vergunning.




Onderafdeling VI. Administratief beroep

Art. 55
   Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure in artikelen 146 tot en met 152 geregeld is, kan elke belanghebbende tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikelen 50, § 1, 52 en 53, bij de Vlaamse Regering een beroep indienen overeenkomstig de bepalingen van artikelen 153 tot en met 155.




Afdeling II. Beperkt bodemsaneringsproject


Onderafdeling I. Toepassingsgebied

Art. 56
   Als bodemverontreiniging kan worden behandeld door bodemsaneringswerken die maximaal hon-derdtachtig dagen in beslag nemen, kan in plaats van een bodemsaneringsproject een beperkt bodemsaneringsproject worden opgesteld, op voorwaarde dat de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren zich schriftelijk akkoord verklaren met de uitvoering van de bodemsaneringswerken.




Onderafdeling II. Doel, procedure en inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject

Art. 57
   De bepalingen van artikelen 47 en 48 zijn van overeenkomstige toepassing.




Onderafdeling III. Conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject

Art. 58

§ 1.
   Uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het beperkt bodemsaneringsproject en het schriftelijk akkoord, vermeld in artikel 56, spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het beperkt bodemsaneringsproject met de bepalingen van dit decreet. De OVAM legt aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject op, of levert een conformiteitsattest af.

§ 2.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject en het opleggen van wijzigingen en aanvullingen op het beperkt bodemsaneringsproject, en de kennisgeving van deze beslissingen.




Onderafdeling IV. Voorwaarden en termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken

Art. 59
   De bepalingen van artikelen 52 en 53 zijn van overeenkomstige toepassing.




Onderafdeling V. Conformiteitsattest als melding, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning

Art. 60
   De bepalingen van artikel 54 zijn van overeenkomstige toepassing.




Onderafdeling VI. Administratief beroep

Art. 61
   Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure in artikel 146 tot en met 152 geregeld is, kan elke belanghebbende tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 58, § 1, en de beslissingen van de OVAM, genomen krachtens artikel 59, bij de Vlaamse Regering een beroep indienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Afdeling III. Bodemsaneringswerken


Onderafdeling I. Procedure

Art. 62
   Bodemsaneringswerken worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de voorwaarden vermeld in het conformiteitsattest en de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure worden de bodemsaneringswerken uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.




Onderafdeling II. Aanvulling of wijziging van het conformverklaarde bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken

Art. 63

§ 1.
   Tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken kan de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken bij de OVAM een voorstel indienen tot kleine of grote wijziging of aanvulling van het conformverklaard bodemsaneringsproject of het conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject.

§ 2.
   Een voorstel tot kleine wijziging of aanvulling wordt bij aktename door de OVAM goedgekeurd of desgevallend afgekeurd. Een voorstel tot grote wijziging of aanvulling wordt bij beslissing door de OVAM goedgekeurd of desgevallend afgekeurd.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de wijziging of aanvulling van een conformverklaard bodemsaneringsproject of een conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject.

§ 3.
   Als tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken in het kader van een conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject blijkt dat de bodemverontreiniging niet binnen de termijn van honderdtachtig dagen, vermeld in artikel 56, kan behandeld worden, kan de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken een eenmalige verlenging van het conformiteitsattest voor het beperkt bodemsaneringsproject voor een termijn van honderdtachtig dagen aanvragen. De gemotiveerde aanvraag tot verlenging moet, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk dertig dagen voor het einde van de termijn van honderdtachtig dagen bij de OVAM worden ingediend. Uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de aanvraag, spreekt de OVAM zich uit over de verlenging.



Art. 64
   Als de OVAM tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken op basis van eigen bevindingen of op basis van een verslag van de bodemsaneringsdeskundige onder wiens leiding de bodemsaneringswerken worden uitgevoerd, van oordeel is dat de maatregelen ter behandeling van de bodemverontreiniging, vermeld in het conformverklaard bodemsaneringsproject of het conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject, niet of in onvoldoende mate leiden tot de resultaten vastgelegd in het conformiteitsattest, kan ze de verplichting opleggen om binnen een welbepaalde termijn een voorstel tot kleine of grote wijziging of aanvulling van het conformverklaard bodemsaneringsproject of conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject op te stellen en bij de OVAM in te dienen.
   In voorkomend geval kan de OVAM de verplichting opleggen om binnen een welbepaalde termijn een nieuw bodemsaneringsproject of nieuw beperkt bodemsaneringsproject op te stellen en aan de OVAM te bezorgen.



Art. 65
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in artikelen 63 en 64, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Onderafdeling III. Kennisgeving van de bodemsaneringswerken en plaatsbeschrijving

Art. 66
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving van de uitvoering van de bodemsaneringswerken en de uitvoering van een plaatsbeschrijving voor de aanvang van de bodemsaneringswerken.




Afdeling IV. Eindevaluatieonderzoek en eindverklaring

Art. 67

§ 1.
   De bodemsaneringswerken worden beëindigd na het bereiken van de doelstellingen van de bodemsanering.

§ 2.
   Na de uitvoering van de bodemsaneringswerken wordt een eindevaluatieonderzoek uitgevoerd waarin de resultaten van de bodemsaneringswerken worden opgenomen en waarin zo nodig een voorstel van nazorg wordt geformuleerd.

§ 3.
   Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevalutatieonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.



Art. 68
   Als de doelstellingen van de bodemsanering worden bereikt, levert de OVAM op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek een eindverklaring af. De OVAM bezorgt de eindverklaring aan de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken en de saneringsplichtige, vermeld in artikel 11 of 22.
   Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Hoofdstuk VI. Andere maatregelen


Afdeling I. Veiligheidsmaatregelen

Art. 69

§ 1.
   Als de OVAM van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt, legt ze veiligheidsmaatregelen op. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van andere overheden om veiligheidsmaatregelen te treffen.

§ 2.
   Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.

§ 3.
   Als de veiligheidsmaatregelen inrichtingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings- of vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1, als melding respectievelijk als milieuvergunning.
   Als de veiligheidsmaatregelen werken omvat die krachtens artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1, als stedenbouwkundige vergunning.

§ 4.
   Veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige.




Afdeling II. Voorzorgsmaatregelen

Art. 70

§ 1.
   De OVAM kan voorzorgsmaatregelen opleggen met het oog op het beschermen van de mens of het milieu tegen de risico's van bodemverontreiniging in afwachting van de uitvoering van bodemsaneringswerken.

§ 2.
   Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM. De exploitanten, gebruikers of eigenaars van de verontreinigde gronden kunnen hierbij onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige voorzorgsmaatregelen voorstellen aan de OVAM.
   Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel spreekt de OVAM zich uit over de voorgestelde voorzorgsmaatregelen en kan ze voorzorgsmaatregelen opleggen.

§ 3.
   Als de voorzorgsmaatregelen inrichtingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings- of vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1 of § 2, als melding respectievelijk als milieuvergunning.
   Als de voorzorgsmaatregelen werken omvatten die krachtens artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1 of § 2, als stedenbouwkundige vergunning.

§ 4.
   Voorzorgsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige.




Afdeling III. Nazorg

Art. 71

§ 1.
   De OVAM kan nazorg opleggen in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of van het beperkt bodemsaneringsproject, of in de eindverklaring.
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

§ 2.
   De nazorg wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de voorwaarden, vermeld in het conformiteitsattest of de eindverklaring, en conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure, wordt de nazorg uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

§ 3.
   De persoon die tot nazorg moet overgaan, stelt op verzoek van de OVAM financiële zekerheden tot waarborg van zijn verplichting om de nazorg uit te voeren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld.




Afdeling IV. Gebruiksbeperkingen

Art. 72

§ 1.
   Als de OVAM van oordeel is dat bodemverontreiniging het gebruik van verontreinigde gronden beperkt of verhindert, kan ze gebruiksbeperkingen opleggen.
   Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

§ 2.
   Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze gebruiksbeperkingen voorstellen aan de OVAM.




Afdeling V. Bestemmingsbeperkingen

Art. 73

§ 1.
   Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat bodemverontreiniging het gebruik van verontreinigde gronden overeenkomstig hun bestemming verhindert, kan ze op advies van de OVAM bestemmingsbeperkingen opleggen, nadat de eigenaar en gebruiker van de verontreinigde gronden of desgevallend de gemandateerde gehoord zijn.

§ 2.
   Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze bestemmingsbeperkingen voorstellen aan de Vlaamse Regering.




Afdeling VI. Behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen


Onderafdeling I. Toepassingsgebied

Art. 74
   De bepalingen van deze afdeling zijn enkel van toepassing op schadegevallen die gemeld worden bij de bevoegde overheid binnen een termijn van veertien dagen nadat ze zich hebben voorgedaan en waarbij de effectieve behandeling van de bodemverontreiniging kan worden uitgevoerd binnen honderdtachtig dagen vanaf de melding van het schadegeval of vanaf de vaststelling van het schadegeval door de bevoegde overheid.




Onderafdeling II. Bevoegde overheid

Art. 75
   De bevoegde overheid in het kader van deze afdeling is de OVAM als het schadegeval gebeurt op:
    1° een grond in eigendom of beheer van een gemeente, autonoom gemeentebedrijf of intergemeentelijk samenwerkingsverband;
    2° een grond waarop een inrichting gevestigd is die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning ingedeeld wordt in klasse 1;
    3° een grond waarop een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering wordt uitgevoerd.

   In alle andere gevallen is de bevoegde overheid de burgemeester van de gemeente waar het schadegeval gebeurt.




Onderafdeling III. Procedure

Art. 76

§ 1.
   Als op een grond een schadegeval gebeurt, meldt de exploitant, gebruiker of eigenaar van de grond dit onverwijld aan de bevoegde overheid. In deze melding geeft de exploitant, gebruiker of eigenaar aan welke maatregelen hij eventueel reeds genomen heeft ter uitvoering van zijn zorgvuldigheidsplicht.

§ 2.
   De bevoegde overheid kan een schadegeval vaststellen, een uitspraak doen over de aanpak van een schadegeval en maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen opleggen. De bevoegde overheid deelt haar beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de melding mee aan de personen, vermeld in artikel 80, voor zover deze door haar gekend zijn.
   Als een schadegeval overeenkomstig het eerste lid wordt vastgesteld, zijn de bepalingen van artikel 9, § 2 en § 4, niet van toepassing.



Art. 77
   Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, inrichtingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings-of vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als melding respectievelijk als milieuvergunning in de zin van voormeld decreet.
   Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, werken omvatten die krachtens artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als stedenbouwkundige vergunning.



Art. 78
   Na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, wordt onder leiding van een bodem-saneringsdeskundige een evaluatierapport opgesteld waarin de resultaten van deze maatregelen worden opgenomen. Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt.



Art. 79

§ 1.
   Als de OVAM op basis van de resultaten opgenomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, nog altijd bodemverontreiniging aanwezig is en dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, maant de OVAM de persoon, vermeld in artikel 11, aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.

§ 2.
   Als de OVAM op basis van de resultaten opgenomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, levert de OVAM aan de personen, vermeld in artikel 80, en aan de bevoegde overheid een verklaring af waarin de resultaten van de uitgevoerde maatregelen vastgesteld worden.




Onderafdeling IV. Aanduiding van de plichtige

Art. 80
   De verplichting om onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige de maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen onverwijld uit te voeren, rust op de volgende persoon:
    1° de exploitant in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens voormeld decreet;
    2° bij gebrek aan een exploitant: de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam;
    3° bij gebrek aan een exploitant en gebruiker: de eigenaar van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam.




Art. 81
   Als de plichtige, vermeld in artikel 80, niet of in onvoldoende mate optreedt, maant de bevoegde overheid die persoon aan om zijn verplichtingen alsnog na te leven binnen een bepaalde termijn. Wordt binnen de gestelde termijn aan de aanmaning geen of in onvoldoende mate gevolg gegeven, kan de bevoegde overheid ambtshalve in zijn plaats de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, uitvoeren en de kosten ervan verhalen op de ingebrekeblijvende plichtige en de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is.



Art. 82
   Wie overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling kosten maakt, kan deze verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van die persoon een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt.




Afdeling VII. Risicobeheer


Onderafdeling I. Toepassingsgebied

Art. 83
   Risicobeheer heeft tot doel de risico's verbonden aan een ernstige historische bodemverontreiniging te beheersen door het opstellen van een risicobeheersplan, het uitvoeren van risicobeheersmaatregelen en het opstellen van opvolgingsrapporten.
   Ingeval een gemengde bodemverontreiniging die overeenkomstig artikel 27, § 2, als een historische bodemverontreiniging moet worden behandeld, kan eveneens worden overgegaan tot risicobeheer.




Onderafdeling II. Risicobeheersplan

Art. 84

§ 1.
   Een risicobeheersplan stelt de wijze vast waarop de risico's verbonden aan een ernstige bodemverontreiniging worden beheerst.

§ 2.
   De persoon die wenst over te gaan tot risicobeheer, dient een verzoek tot opmaak van een risicobeheersplan in bij OVAM, die zich uitspreekt over dit verzoek.
   Een risicobeheersplan wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het risicobeheersplan opgesteld volgens een code van goede praktijk.
   Het risicobeheersplan steunt op de resultaten van een conformverklaard beschrijvend bodemonderzoek. Als de OVAM van oordeel is dat de resultaten van dit bodemonderzoek onvoldoende actueel zijn om een accuraat beeld van de verontreinigingssituatie te geven, legt ze de verplichting op om binnen een welbepaalde termijn het beschrijvend bodemonderzoek te actualiseren.

§ 3.
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de procedure voor indiening, goed- of afkeuring van het verzoek tot opmaak van een risicobeheersplan, alsmede betreffende de inhoud, kennisgeving, ontvankelijkheid en volledigheid van het risicobeheersplan en van de opvolgingsrapporten.



Art. 85
   De bepalingen van artikel 49 tot en met 55 zijn van overeenkomstige toepassing op het risicobeheersplan.



Art. 86
   Om de tien jaar te rekenen vanaf de datum van conformverklaring ervan moet het risicobeheersplan worden geactualiseerd. Bij gebrek aan periodieke actualisatie moet een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject worden opgesteld en bij de OVAM worden ingediend.




Onderafdeling III. Risicobeheersmaatregelen

Art. 87
   De bepalingen van artikel 62 tot en met 66 zijn van overeenkomstige toepassing op risicobeheersmaatregelen.



Art. 88
   De uitvoering van de risicobeheersmaatregelen wordt voortgezet tot voor de ernstige historische bodemverontreiniging tot bodemsanering wordt overgegaan, of tot de OVAM op basis van de opvolgingsrapporten van oordeel is dat er niet langer sprake is van een ernstige bodemverontreiniging en er bijgevolg geen verplichting meer bestaat om voor deze bodemverontreiniging een bodemsanering uit te voeren.




Onderafdeling IV. Verhouding risicobeheer en saneringsplicht

Art. 89
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de schorsing van de verplichting tot bodemsanering in geval van risicobeheer.




Onderafdeling V. Financiële zekerheden

Art. 90
   De persoon die tot risicobeheer overgaat, stelt op verzoek van de OVAM financiële zekerheden tot waarborg van de verplichtingen, vermeld in artikelen 19 en 25.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de financiële zekerheden worden gesteld.




Afdeling VIII. Bodempreventie- en bodembeheersplicht

Art. 91

§ 1.
   De Vlaamse Regering kan de activiteiten specificeren waarvoor een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan moet worden voorgelegd aan de OVAM. Die verplichting rust op diegene die deze activiteit verricht. Hij kan voor de nakoming van deze verplichting een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie als vermeld in afdeling II van hoofdstuk VII.

§ 2.
   Het individueel bodempreventie- en bodembeheersplan dat overeenkomstig § 1 moet worden opgesteld, bevat minstens een opgave van de maatregelen die diegene die de activiteit verricht, zal nemen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de activiteit, vermeld in § 1. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de verplichte inhoud, de goedkeuringsprocedure en de periodiciteit van de individuele bodempreventie- en bodembeheersplannen.

§ 3.
   De erkende bodemsaneringsorganisatie, vermeld in afdeling II van hoofdstuk VII, moet voor degenen die er een beroep op doen voor het voldoen van de verplichting, vermeld in § 1, een sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen. Een dergelijk sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan moet een algemeen en een individueel deel bevatten. Het algemene deel bevat minstens de algemene maatregelen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de in § 1 vermelde activiteit. Het individuele deel bevat de eventuele afwijkende of aanvullende maatregelen voor iedereen op wie deze paragraaf van toepassing is. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de verplichte inhoud, de goedkeuringsprocedure en de periodiciteit van de sectorale bodempreventie-en bodembeheersplannen.




Hoofdstuk VII. Vrijwillige uitvoering van beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen


Afdeling I. Algemeen

Art. 92
   Zolang er krachtens deze titel voor een grond met historische bodemverontreiniging geen verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering bestaat, kan elk persoon als saneringswillige een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering onder toezicht van de OVAM uitvoeren.
   Een ander persoon dan de plichtige, vermeld in artikel 11 of 22, kan als saneringswillige de verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering, opgelegd krachtens deze titel, onder toezicht van de OVAM uitvoeren.
   De bepalingen van artikel 16 tot en met 18, artikel 25, en artikel 38 tot 68 zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering, vermeld in het eerste en tweede lid, met behoud van de bevoegdheid van de OVAM om op een later tijdstip de andere bepalingen van deze titel toe te passen.



Art. 93
   Een ander persoon dan de plichtige, vermeld in artikel 80, kan als saneringswillige de verplichting tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen onder toezicht van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 75, uitvoeren. De bepalingen van artikel 74 tot en met 82 zijn van overeenkomstige toepassing.



Art. 94
   Op een grond met een ernstige historische bodemverontreiniging of met een gemengde bodemverontreiniging als vermeld in artikel 27, § 2, kan een ander persoon dan de plichtige, vermeld in artikel 22, onder toezicht van de OVAM overgaan tot risicobeheer. De bepalingen van artikel 83 tot en met 90 zijn van overeenkomstige toepassing.




Afdeling II. Bodemsaneringsorganisaties


Onderafdeling I. Doelstelling en erkenning van bodemsaneringsorganisaties

Art. 95

§ 1.
   Een bodemsaneringsorganisatie is een rechtspersoon die als maatschappelijk doel heeft het voorkomen en beheersen van bodemverontreiniging, alsook het begeleiden en stimuleren van de sanering van bodemverontreiniging die tot stand is gekomen naar aanleiding van de uitoefening van een activiteit als vermeld in artikel 91, § 1.

§ 2.
   Een bodemsaneringsorganisatie kan door de Vlaamse Regering worden erkend op voorwaarde dat ze mede is opgericht door een of meer organisaties die gezamenlijk minimaal 60 % vertegenwoordigen van alle natuurlijke personen of rechtspersonen die de activiteit uitoefenen waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht.
   De Vlaamse Regering bepaalt de procedure tot erkenning als bodemsaneringsorganisatie. Ze bepaalt tevens de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning en kan bijkomende erkenningsvoorwaarden bepalen.




Onderafdeling II. Verplichte taken van erkende bodemsaneringsorganisaties

Art. 96
   Een erkende bodemsaneringsorganisatie heeft minstens de volgende taken met betrekking tot de bodemverontreiniging die het gevolg is van de activiteit waarvoor ze is opgericht:
    1° het opmaken van een sectoraal bodempreventie-en bodembeheersplan overeenkomstig artikel 91, § 3;
    2° het stimuleren en optimaliseren van onderzoeks-en saneringsconcepten;
    3° het verlenen van advies inzake preventie, beheersing, bodemonderzoek en bodemsanering van de bodemverontreiniging, alsook inzake de voorbereiding en opvolging van voorzorgsmaatregelen, aan diegenen die voor de vervulling van hun verplichting, vermeld in artikel 91, § 1, een beroep doen op de erkende bodemsaneringsorganisatie.





Onderafdeling III. Facultatieve taken van erkende bodemsaneringsorganisaties

Art. 97

§ 1.
   De persoon, vermeld in artikel 11 of 22, die saneringsplichtig is voor bodemverontreiniging die het gevolg is van een activiteit waarvoor een erkende bodemsaneringsorganisatie is opgericht, kan minstens voor de historische bodemverontreiniging die veroorzaakt is door die activiteit, de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering aan die erkende bodemsaneringsorganisatie overdragen, op voorwaarde dat hij hiervoor met die erkende bodemsaneringsorganisatie een overeenkomst sluit, volgens de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt. Door die overeenkomst komt de plicht tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering voor de bodemverontreiniging zoals vervat in de overeenkomst te liggen bij de erkende bodemsaneringsorganisatie. In geval van beëindiging van de overeenkomst keert de plicht tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering terug.

§ 2.
   De erkende bodemsaneringsorganisatie voert de saneringen waarvoor ze conform § 1 saneringsplichtig is uit overeenkomstig de termijnen die opgenomen zijn in het saneringsprogramma dat jaarlijks aan de OVAM ter goedkeuring moet worden voorgelegd. Dat saneringsprogramma omvat minstens de lijst en de prioriteit van alle beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringen waartoe de erkende bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig § 1. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen met betrekking tot de verplichte inhoud en de goedkeuringsprocedure van het saneringsprogramma.

§ 3.
   Voor de bodemonderzoeken en bodemsaneringen die worden uitgevoerd in het kader van § 2, kan de Vlaamse Regering afwijkingen toestaan op de toepassing van artikel 38 tot en met 68 en van artikel 71.




Onderafdeling IV. Subsidies

Art. 98
   De Vlaamse Regering kan subsidies toekennen aan een erkende bodemsaneringsorganisatie voor de gedeeltelijke financiering van de taken inzake historische bodemverontreiniging of als historisch te beschouwen bodemverontreiniging die is veroorzaakt door de activiteit waarvoor een erkende bodemsaneringsorganisatie is opgericht. Voor gevallen van gemengde bodemverontreiniging kan de aan de erkende bodemsaneringsorganisatie toegekende subsidie alleen worden aangewend voor de gedeeltelijke financiering van de taken inzake het als historisch te beschouwen deel van de bodemverontreiniging.
   De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de subsidies vast.




Onderafdeling V. Toezicht en sancties

Art. 99
   De Vlaamse Regering en de OVAM houden toezicht op de vervulling van de taken die krachtens deze afdeling rusten op een erkende bodemsaneringsorganisatie. De Vlaamse Regering kan de nadere regels hiervoor bepalen.



Art. 100
   Als een erkende bodemsaneringsorganisatie de verplichtingen in deze afdeling niet of onvoldoende naleeft, kan de Vlaamse Regering de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie schorsen of opheffen. De Vlaamse Regering bepaalt hiervan de nadere voorwaarden.




Hoofdstuk VIII. Overdrachten


Afdeling I. Overeenkomst betreffende de overdracht van gronden

Art. 101

§ 1.
   Voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver.
   Het bodemattest wordt afgeleverd binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Als de aanvraag betrekking heeft op een risicogrond wordt het bodemattest afgeleverd binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

§ 2.
   De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest.

§ 3.
   In alle akten betreffende de overdracht van gronden, neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest. De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op.




Afdeling II. Overdracht van risicogronden


Onderafdeling I. Algemene bepalingen


A. Verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren

Art. 102

§ 1.
   Risicogronden kunnen slechts overgedragen worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd.

§ 2.
   Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de persoon, vermeld in artikel 29 of 30.




B. Melding van overdracht

Art. 103
   De overdrager of desgevallend de gemandateerde meldt aan de OVAM zijn bedoeling om tot de overdracht over te gaan. Op straffe van onontvankelijkheid voegt hij bij de melding een verslag van het oriënterend bodemonderzoek of een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek.
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van de melding van overdracht.




Onderafdeling II. Nieuwe bodemverontreiniging


A. Saneringsplicht

Art. 104

§ 1.
   Als de OVAM op basis van het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 102, van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat een risicogrond is aangetast door een nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, maant de OVAM binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van overdracht de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.
   Als de OVAM niet binnen de termijn van zestig dagen heeft aangemaand, kan de overdracht plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid voor de OVAM om de andere bepalingen van deze titel later toe te passen.

§ 2.
   Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van orienterend en beschrijvend bodemonderzoek of het grondeninformatieregister van oordeel is dat de bodemsaneringsnormen overschreden zijn, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de overdrager of desgevallend de gemandateerde:
    1° een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject heeft opgesteld en hiervoor een conformiteitsattest werd afgeleverd;
    2° jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren;
    3° financiële zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van de verbintenis, vermeld in 2°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld.

§ 3.
   Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan bodemsaneringsnormen kan worden getoetst, zijn de bepalingen van dit artikel van overeenkomstige toepassing als er een ernstige bodemverontreiniging aanwezig is.




B. Vrijstelling van de saneringsplicht

Art. 105

§ 1.
   De overdrager of desgevallend de gemandateerde is niet verplicht om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan of de vereisten, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of desgevallend de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is:
    1° de bodemverontreiniging is niet op de over te dragen grond tot stand gekomen;
    2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker;
    3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar;
    4° de exploitant of gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, voldoet niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, en de bodemverontreiniging is volledig tot stand gekomen tijdens de periode dat de exploitant de grond in exploitatie of de gebruiker de grond in gebruik had, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar.

§ 2.
   In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven als de OVAM een van de volgende elementen aantoont:
    1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt;
    2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tijdens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had.




Art. 106
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot vrijstelling van de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek en de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2.



Art. 107
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de overdraagbaarheid van de vrijstelling van de verplichtingen, vermeld in artikel 104.




C. Administratief beroep

Art. 108
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 105, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Onderafdeling III. Historische bodemverontreiniging


A. Saneringsplicht

Art. 109

§ 1.
   Als de OVAM op basis van het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 102, van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat een risicogrond is aangetast door een ernstige historische bodemverontreiniging, maant de OVAM binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van overdracht de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.
   Als de OVAM niet binnen de termijn van zestig dagen heeft aangemaand, kan de overdracht plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid voor de OVAM om de andere bepalingen van deze titel later toe te passen.

§ 2.
   Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of het grondeninformatieregister van oordeel is dat de grond is aangetast door een ernstige historische bodemverontreiniging, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde:
    1° een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject heeft opgesteld en hiervoor een conformiteitsattest werd afgeleverd;
    2° jegens OVAM de verbintenis heeft aangegaan de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren;
    3° financiële zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van de verbintenis, vermeld in 2°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld.





B. Vrijstelling van de saneringsplicht

Art. 110

§ 1.
   De overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde is niet verplicht om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan of de vereisten vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is:
    1° de bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op de over te dragen grond;
    2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker;
    3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar;
    4° de exploitant of gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, voldoet niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, en de bodemverontreiniging is volledig tot stand gekomen tijdens de periode dat de exploitant de grond in exploitatie of de gebruiker de grond in gebruik had, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar.

§ 2.
   In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM een van de volgende elementen aantoont:
    1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt;
    2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tijdens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had.




Art. 111
   De bepalingen van artikelen 106 en 107 zijn van overeenkomstige toepassing.




C. Administratief beroep

Art. 112
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 110, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Onderafdeling IV. Gemengde bodemverontreiniging

Art. 113
   In geval van gemengde bodemverontreiniging wordt conform artikelen 26 en 27 bepaald welke bepalingen van deze afdeling van overeenkomstige toepassing zijn.




Onderafdeling V. Overname uitvoering van verplichtingen

Art. 114
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de overname van de uitvoering van de verplichtingen om tot overdracht van risicogronden te kunnen overgaan.




Onderafdeling VI. Versnelde overdrachtsprocedure

Art. 115

§ 1.
   In afwijking van de bepalingen van artikelen 104, § 2, en 109, § 2, kan de overdracht toch plaatsvinden op voorwaarde dat de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in § 2 tot en met § 5, wordt nageleefd.

§ 2.
   De overdrager of de gemandateerde of de persoon, die de verplichtingen om tot overdracht van risicogrond te kunnen overgaan heeft overgenomen krachtens artikel 114, en de verwerver melden samen aan de OVAM hun bedoeling om de versnelde overdrachtsprocedure toe te passen.
   Zij voegen bij deze melding de volgende documenten:
    1° het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, voor zover de OVAM daarvan nog niet in het bezit is;
    2° een kostenraming van de bodemsanering en de eventuele nazorg, opgemaakt door een bodemsa-neringsdeskundige;
    3° een schriftelijke verklaring van een andere bodemsaneringsdeskundige die optreedt in opdracht van de verwerver, dat hij akkoord gaat met de bevindingen van het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, vermeld in 1°, en de kostenraming, vermeld in 2°.

§ 3.
   Binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van alle documenten, vermeld in § 2, spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het bodemonderzoek en het verzoek tot toepassing van de versnelde overdrachtsprocedure.
   Als de OVAM zich niet binnen de termijn van zestig dagen heeft uitgesproken, kan de overdracht plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid om de andere bepalingen van dit decreet later toe te passen.

§ 4.
   Als uit het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, uit het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of uit het grondeninformatieregis-ter blijkt dat de grond is aangetast door een nieuwe bodemverontreinging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt, door een ernstige historische bodemverontreiniging of door een gemengde bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt dan wel een ernstige bodemverontreiniging vormt naargelang de toepasselijke regeling krachtens de bepalingen van artikel 27, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de verwerver:
    1° jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan om een bodemsaneringsproject op te stellen en de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren;
    2° financiële zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van zijn verplichtingen overeenkomstig 1°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld.

§ 5.
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in § 3 en § 4, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Afdeling III. Nietigheid en niet-tegenstelbaarheid

Art. 116

§ 1.
   De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalingen van afdeling I.
   De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden:
    1° de verwerver is in het bezit gesteld van het meest recent afgeleverde bodemattest of van een bodemattest waarvan de inhoud identiek is aan de inhoud van het meest recent afgeleverde bodemattest;
    2° de verwerver laat zijn verzaking aan de nietigheidsvordering uitdrukkelijk in een authentieke akte vaststellen.

§ 2.
   De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalingen van afdeling II.
   De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden:
    1° de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk werden alsnog nageleefd;
    2° de verwerver laat zijn verzaken aan de nietigheidsvordering uitdrukkelijk in een authentieke akte opnemen.

§ 3.
   De overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk is niet tegenstelbaar jegens de OVAM.



Art. 117
   In de akte houdende overdracht van de gronden vermeldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepalingen van dit hoofdstuk werden toegepast.




Afdeling IV. Afstand van eigendomsrecht

Art. 118
   Afstand van het eigendomsrecht of van de andere zakelijke rechten, vermeld in artikel 2, 18°, ontslaat de houder van het zakelijk recht niet van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren die op hem rusten krachtens de bepalingen van dit decreet.




Hoofdstuk IX. Onteigening van gronden


Afdeling I. Bepalingen van toepassing op alle onteigeningen

Art. 119
   De overheid die van plan is over te gaan tot onteigening vraagt bij de OVAM een bodemattest aan betreffende de gronden die ze wil onteigenen.
   Het bodemattest wordt afgeleverd binnen dertig dagen na de ontvankelijke aanvraag. Als de aanvraag betrekking heeft op een risicogrond wordt het bodemattest afgeleverd binnen zestig dagen na de ontvankelijke aanvraag.




Afdeling II. Bepalingen van toepassing op de onteigening van risicogronden

Art. 120

§ 1.
   Risicogronden kunnen slechts onteigend worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek heeft plaatsgehad.

§ 2.
   Het oriënterend bodemonderzoek wordt op initiatief en op kosten van de onteigenende overheid uitgevoerd.

§ 3.
   De onteigenende overheid meldt aan de OVAM de bedoeling om tot onteigening over te gaan. Op straffe van onontvankelijkheid voegt zij bij de melding een verslag van het oriënterend bodemonderzoek of desgevallend een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek.
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van deze melding.



Art. 121

§ 1.
   De OVAM maant de onteigenende overheid binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van de onteigening aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren, als ze op basis van het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 120, van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de te onteigenen risicogrond van:
    1° een nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden;
    2° een ernstige historische bodemverontreiniging;
    3° een gemengde bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden dan wel een ernstige bodemverontreiniging vormt naargelang de toepasselijke regeling krachtens de bepalingen van artikelen 26 en 27.

§ 2.
   De onteigening kan plaatsvinden nadat de OVAM een conformiteitsattest voor het beschrijvend bodemonderzoek of het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek heeft afgeleverd.
   Als de OVAM zich niet binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek over de conformiteit van het beschrijvend bodemonderzoek heeft uitgesproken, kan de onteigening plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid om de andere bepalingen van deze titel later toe te passen.




Hoofdstuk X. Sluiting van een risico-inrichting

Art. 122

§ 1.
   Binnen een termijn van negentig dagen na de sluiting van een risico-inrichting wordt een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was.

§ 2.
   Het oriënterend bodemonderzoek wordt op initiatief en op kosten van de exploitant uitgevoerd.

§ 3.
   De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichting. Op straffe van onontvankelijkheid voegt hij bij de melding een verslag van het oriënterend bodemonderzoek of desgevallend een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek.
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van deze melding.

§ 4.
   De bepalingen van artikel 104 tot en met 113 zijn van overeenkomstige toepassing.




Hoofdstuk XI. Faillissement en vereffening

Art. 123

§ 1.
   Als een handelaar of een vennootschap die een risico-inrichting exploiteert, failliet wordt verklaard, brengt de curator binnen een termijn van dertig dagen na het vonnis van faillietverklaring de OVAM bij aangetekende brief daarvan op de hoogte. Naar aanleiding van de vereffening in het kader van het faillissement wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gronden waar de gefailleerde de risico-inrichting exploiteerde.

§ 2.
   Als een vennootschap die een risico-inrichting exploiteert in vereffening wordt gesteld, brengt de vereffenaar binnen een termijn van dertig dagen na het vonnis van invereffeningstelling of na de beslissing tot invereffeningstelling, de OVAM bij aangetekende brief daarvan op de hoogte. Naar aanleiding van de vereffening van de vennootschap wordt op initiatief van de vereffenaar een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gronden waar de betreffende vennootschap de risico-inrichting exploiteerde.

§ 3.
   De OVAM kan een termijn bepalen waarbinnen het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in § 1 en § 2, moet worden uitgevoerd.
   Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst spreekt de OVAM zich uit over het ingediende verslag van oriënterend bodemonderzoek en stelt ze de curator of de vereffenaar, en de eigenaar en de gebruiker van de grond hiervan in kennis.




Hoofdstuk XII. Waterbodems


Afdeling I. Waterbodemonderzoek


Onderafdeling I. Verplichting om een waterbodemonderzoek uit te voeren

Art. 124

§ 1.
   De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren.

§ 2.
   Een waterbodemonderzoek kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de beheerder van de waterbodem.




Onderafdeling II. Doel, inhoud en procedure

Art. 125

§ 1.
   Een waterbodemonderzoek heeft tot doel uit te maken of er een ernstige bodemverontreiniging ter hoogte van de waterbodem bestaat. Het beoogt een beschrijving te geven van de aard, hoeveelheid, concentratie, oorsprong en omvang van de verontreinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater.
   Daarnaast kunnen in een waterbodemonderzoek gegevens worden opgenomen met betrekking tot de inschatting van het gevaar op blootstelling aan de bodemverontreiniging van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater bij een potentieel andere bestemming.

§ 2.
   Een waterbodemonderzoek bestaat uit een historisch onderzoek en een monsterneming van de waterbodem en de gronden die verontreinigd kunnen zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem of het oppervlaktewater.

§ 3.
   Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

§ 4.
   Een waterbodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in § 3.




Onderafdeling III. Conformverklaring van het waterbodemonderzoek

Art. 126
   Binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verslag van het waterbodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalingen van deze afdeling, en levert ze een conformiteitsattest af of legt ze aanvullende onderzoeksverrichtingen op.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het waterbodemonderzoek en de inhoud en de kennisgeving van het conformiteitsattest.




Onderafdeling IV. Ernst van de bodemverontreiniging

Art. 127
   Op het moment van de conformverklaring van het waterbodemonderzoek beoordeelt de OVAM of er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging.




Onderafdeling V. Administratief beroep

Art. 128
   Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikelen 126 en 127, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 153 tot 155.




Onderafdeling VI. Ambtshalve waterbodemonderzoek

Art. 129
   Onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de Vlaamse Regering de OVAM belasten om ambtshalve een waterbodemonderzoek uit te voeren.




Afdeling II. Saneringsplicht


Onderafdeling I. Saneringscriterium

Art. 130

§ 1.
   Er wordt overgegaan tot bodemsanering als het waterbodemonderzoek de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging aantoont.

§ 2.
   De Vlaamse Regering wijst die waterbodems met een ernstige bodemverontreiniging aan, evenals de gronden die verontreinigd zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem of het oppervlaktewater, waar bodemsanering prioritair moet plaatsvinden. De Vlaamse Regering kan zich bij de prioriteitsbepaling baseren op de beheersplannen, vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.




Onderafdeling II. Saneringsdoel

Art. 131
   De bepalingen van artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing.




Onderafdeling III. Aanduiding van de plichtige tot uitvoering en (pre)financiering van de bodemsanering

Art. 132

§ 1.
   De verplichting om op eigen kosten de bodemsanering uit te voeren, rust op de beheerder van de waterbodem.

§ 2.
   De persoon, vermeld in § 1, kan de kosten van de bodemsanering verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 25 aansprakelijk is en kan van deze saneringsaansprakelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt.

§ 3.
   De bodemsanering kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de saneringsplichtige persoon, vermeld in § 1.




Onderafdeling IV. Vrijstelling van de saneringsplicht

Art. 133
   De bepalingen van artikel 23 zijn van overeenkomstige toepassing.




Onderafdeling V. Aansprakelijkheid

Art. 134
   De bepalingen van artikel 25 zijn van overeenkomstige toepassing.




Afdeling III. Bodemsanering

Art. 135
   De bepalingen van hoofdstuk V en hoofdstuk VI zijn van overeenkomstige toepassing op de bodemsanering van waterbodems, met uitzondering van de bepalingen van artikel 50, § 2, en de bepalingen vastgesteld krachtens artikelen 48, 58, § 2, en 66, voor zover de saneringswerken plaatsvinden binnen een strook vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam tot vijf meter landinwaarts.




Hoofdstuk XIII. Het gebruik van uitgegraven bodem


Afdeling I. Toepassingsgebied

Art. 136
   De bepalingen van dit hoofdstuk regelen het gebruik van uitgegraven bodem. De bepalingen van dit hoofdstuk gelden ook voor gereinigde uitgegraven bodem en uitgegraven bodem waarop een fysische scheiding wordt toegepast.



Art. 137
   De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het gebruik van primaire oppervlaktedelfstoffen, als vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, op delfstoffen die in grindwinningsgebieden volgens het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning ontgonnen worden en op ingevoerde minerale delfstoffen die als geologische afzetting in hun natuurlijke staat ontgonnen worden.




Afdeling II. Algemene bepalingen

Art. 138

§ 1.
   Om de verspreiding van bodemverontreiniging te beheersen stelt de Vlaamse Regering nadere regelen vast betreffende de voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven bodem, de procedure voor het traceren van uitgegraven bodem en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats en grondreinigingscentrum als vermeld in artikel 139 hierbij vervult.

§ 2.
   De Vlaamse Regering kan het gebruik van uitgegraven bodem afhankelijk maken van het opstellen van een technisch verslag. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast met betrekking tot de inhoud van het technisch verslag.
   Een technisch verslag wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het technisch verslag opgesteld volgens een code van goede praktijk.




Afdeling III. Erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum

Art. 139

§ 1.
   De Vlaamse Regering is bevoegd om een rechtspersoon te erkennen als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum voor het uitvoeren van de taken, vastgesteld door de Vlaamse Regering krachtens de bepalingen van artikel 138, § 1.

§ 2.
   De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, schorsing en opheffing van de erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum, evenals de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.

§ 3.
   De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de OVAM de taken van een erkende bodembeheerorganisatie kan overnemen. De Vlaamse Regering kan ook nadere regelen vaststellen betreffende de procedure en de voorwaarden tot overname van de taken door de OVAM.




Hoofdstuk XIV. Sites


Afdeling I. Vaststelling van een site

Art. 140

§ 1.
   De OVAM kan een site vaststellen op basis van bodemverontreiniging of potentiële bodemverontreiniging. Deze vaststelling wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
   Alle belanghebbenden kunnen binnen een termijn van dertig dagen na de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad tegen deze vaststelling beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

§ 2.
   De Vlaamse Regering kan een site vaststellen op basis van andere factoren dan bodemverontreiniging of potentiële bodemverontreiniging, na advies van de OVAM inzake de bodemverontreiniging of potentiële bodemverontreiniging. Deze vaststelling kan vergezeld zijn van een potentiële nabestemming en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. In deze vaststelling kan de Vlaamse Regering afwijken van de regeling, vastgesteld krachtens de bepalingen van artikel 138. In dat geval kan de Vlaamse Regering bepalen dat artikel 141 niet van toepassing is op de site.




Afdeling II. Verplichting om een site-onderzoek uit te voeren

Art. 141

§ 1.
   De vaststelling als site heeft van rechtswege tot gevolg dat binnen honderdtachtig dagen na de dag van bekendmaking van de aanduiding in het Belgisch Staatsblad een site-onderzoek moet worden uitgevoerd.

§ 2.
   Alle belanghebbenden kunnen, op straffe van verval, binnen een termijn van zestig dagen na de dag van bekendmaking van de aanduiding van de site in het Belgisch Staatsblad bij aangetekende brief een gemotiveerd verzoek indienen bij de OVAM tot exoneratie van enige verplichting tot het uitvoeren van een site-onderzoek.

§ 3.
   De OVAM doet uitspraak binnen zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerd verzoek, vermeld in § 2.
   De OVAM is daarbij niet gebonden door de grenzen van de grond die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot exoneratie, maar kan ook uitspraak doen zowel over andere gronden die behoren tot de site als over de gehele site. De OVAM deelt haar beslissing mee aan de eigenaars en gebruikers van de bij de beslissing betrokken gronden.
   Na de toekenning van de exoneratie, kan de OVAM in geval van overdracht van een tot de site behorende grond, vrijstelling verlenen van de onderzoeksplicht, vermeld in artikel 102, § 1.

§ 4.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de OVAM, vermeld in § 3, kunnen alle belanghebbenden tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.




Afdeling III. Verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek en bodemsanering uit te voeren op een site

Art. 142
   De bepalingen van artikel 38 tot en met 68 zijn van overeenkomstige toepassing op sites.




Afdeling IV. Site versus grond

Art. 143
   De toepassing van dit hoofdstuk heeft geen schorsend effect op de toepassing van de bepalingen van dit decreet op een grond die deel uitmaakt van een site, behoudens uitdrukkelijke andersluidende beslissing van de OVAM. De OVAM garandeert zonodig een optimale coördinatie.



Art. 144
   Iedere beslissing van de Vlaamse Regering of van de OVAM betreffende een site, geldt onverkort voor iedere van deze site deeluitmakende grond. Iedere beslissing van de Vlaamse Regering of van OVAM betreffende een grond geldt, behoudens uitdrukkelijk andersluidende beslissing, uitsluitend voor deze grond.




Afdeling V. Algemene bepaling

Art. 145
   De bepalingen van artikel 69 tot en met 139 zijn van overeenkomstige toepassing op sites.




Hoofdstuk XV. Administratief beroep


Afdeling I. Beroep tegen beslissingen in verband met het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject en het risicobeheersplan

Art. 146
   Tegen de conformverklaring van het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of het risicobeheersplan, of tegen de vaststelling van de voorwaarden en de termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken of de risicobeheersmaatregelen in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject, beperkt bodemsaneringsproject of risicobeheersplan, kan beroep worden aangetekend bij ter post aangetekende zending met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs bij de Vlaamse Regering.
   De volgende personen kunnen beroep aantekenen:
    1° de personen en organen, vermeld in artikel 50, § 2, eerste lid;
    2° de personen waarvan de gronden opgenomen zijn in de conformverklaring van het bodemsaneringsproject, beperkt bodemsaneringsproject of risicobeheersplan waarop geen werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering of het risicobeheer uit te voeren;
    3° de personen, vermeld in artikel 24, § 1, 5°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning als het bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject inrichtingen omvat die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning vergunningsplichtig zijn.




Art. 147
   Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, aangetekend of afgegeven tegen ontvangstbewijs binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van het conformiteitsattest, respectievelijk binnen dertig dagen na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing overeenkomstig artikel 51, § 2, tweede lid, wanneer het beroep wordt aangetekend door de personen, vermeld in artikel 146, 2° en 3°.



Art. 148
   Bij het beroepschrift worden, op straffe van onontvankelijkheid, de volgende documenten gevoegd:
    1° een afschrift van de bestreden beslissing;
    2° in het geval het beroep wordt aangetekend door de personen, vermeld in artikel 146, 2° en 3°, een attest van de burgemeester waaruit de bekendmaking overeenkomstig artikel 50, § 2, tweede lid, blijkt.




Art. 149
   Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep, wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar bij aangetekende brief in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep.



Art. 150

§ 1.
   Inzake de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing waarbij de OVAM uitspraak heeft gedaan als bodemsaneringsdeskundige, met name de beslissingen, vermeld in artikelen 50, § 1, 52, 53, 58, § 1, en 59, beperkt het administratief beroep zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering in haar beslissing uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing.

§ 2.
   Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep, doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing van de Vlaamse Regering wordt binnen tien dagen na datum van deze beslissing bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijk beroep.

§ 3.
   Als de uitspraak over het ingediende beroep en de kennisgeving ervan niet gebeurt binnen de termijn, vermeld in § 2, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.

§ 4.
   De uitspraak wordt op de wijze, vermeld in artikel 50, § 2, tweede lid bekendgemaakt.



Art. 151
   Het beroep is schorsend wanneer het wordt ingediend door het college van burgemeester en schepenen of de andere overheidsorganen, vermeld in artikel 50, § 2, eerste lid, 5°.



Art. 152
   De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de procedure voor de behandeling van het beroep.




Afdeling II. Andere beroepen

Art. 153
   Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure in artikel 146 tot en met 152 geregeld is, kan door elke belanghebbende tegen elke beslissing van de OVAM waartegen overeenkomstig dit decreet beroep openstaat, bij de Vlaamse Regering een niet-schorsend beroep worden aangetekend bij ter post aangetekende zending met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.



Art. 154
   Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, aangetekend binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van de OVAM.



Art. 155

§ 1.
   Inzake de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing waarbij de OVAM uitspraak heeft gedaan als bodemsaneringsdeskundige, met name de beslissingen vermeld in artikelen 27, 39, § 1, 40, 41, 63, 64, 68, 71, § 1, 72, § 1, 115, § 3 en § 4, 126 en 127, beperkt het administratief beroep zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering in haar beslissing uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing.

§ 2.
   De bepalingen van artikelen 149, 150, § 2, en 152 zijn van overeenkomstige toepassing.




Hoofdstuk XVI. Ambtshalve tussenkomst van de OVAM

Art. 156
   Als de persoon die krachtens dit decreet verplicht is om een oriënterend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, uit te voeren niet of in onvoldoende mate optreedt, wordt hij door de OVAM aangemaand zijn verplichtingen alsnog na te leven binnen een bepaalde termijn. Geeft hij aan de aanmaning geen gevolg, dan kan de OVAM beslissen om ambtshalve in zijn plaats op te treden.



Art. 157
   De OVAM kan beslissen om ambtshalve een beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in afdelingen III, VI en VII van hoofdstuk VI, uit te voeren, als de exploitant, gebruiker en eigenaar van de gronden waar de bodemverontreiniging tot stand kwam niet gehouden is om een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering uit te voeren krachtens de bepalingen van artikel 13 of 23, artikel 105 of 110, of artikel 133.



Art. 158
   In geval van toekenning van een exoneratie, vermeld in artikel 141, § 2, kan de OVAM beslissen om ambtshalve een site-onderzoek of desgevallend ambtshalve een beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in afdelingen III, VI en VII van hoofdstuk VI, op siteniveau uit te voeren.



Art. 159
   Als de OVAM ambtshalve optreedt, kan ze zich laten bijstaan door andere overheidsinstellingen, ondernemingen of deskundigen.



Art. 160
   Als de OVAM ambtshalve optreedt krachtens artikel 156, verhaalt zij de kosten op de persoon, vermeld in artikel 156, of op de persoon die aansprakelijk is overeenkomstig artikel 16 of 25. Als de OVAM ambtshalve optreedt krachtens artikel 157 of 158, verhaalt zij de kosten op de persoon die aansprakelijk is overeenkomstig artikel 16 of 25.



Art. 161

§ 1.
   Op grond van de beslissing van de OVAM krachtens artikelen 156, 157 of 158 om ambtshalve een oriënterend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, uit te voeren, heeft de OVAM tot zekerheid van de voldoening van de kosten van de ambtshalve uitvoering ervan een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de personen, vermeld in artikel 160, en kan ze een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van deze personen.

§ 2.
   Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.

§ 3.
   De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens de betekende beslissing tot ambtshalve uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI.

§ 4.
   De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering.
   De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande beroep, op voorlegging van een afschrift van de beslissing tot ambtshalve uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, die eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en die melding maakt van de betekening ervan.

§ 5.
    Artikel 19, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde kosten van de ambtshalve uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, waarvoor een beslissing door de OVAM genomen werd en waarvan de betekening aan de personen, vermeld in artikel 160, is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.




Hoofdstuk XVII. Retributies

Art. 162

§ 1.
   De Vlaamse Regering kan de toegankelijkheid van het grondeninformatieregiser afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 2.
   De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een verslag van oriënterend bodemonderzoek, een verslag van site-onderzoek, een verslag van beschrijvend bodemonderzoek, een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek, een verslag van aanvullende onderzoeksverrichtingen, evenals een bodemsaneringsproject, een beperkt bodemsaneringsproject, een aangevuld of gewijzigd bodemsaneringsproject en een eindevalutieonderzoek afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 3.
   De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot vrijstelling van de saneringsplicht afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 4.
   De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot cofinanciering en van de aanvraag tot toepassing van de draagkrachtregeling afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 5.
   De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige, bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats en grondreinigingscentrum afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 6.
   De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot toepassing van haar bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 7.
   De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een beroep, vermeld in artikelen 146 en 153, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 8.
   Als de OVAM ambtshalve optreedt overeenkomstig artikelen 156, 157 of 158 zijn de ingebrekeblijvende plichtige of de aansprakelijke personen een retributie verschuldigd aan de OVAM.

§ 9.
   Als de Vlaamse Regering in de gevallen, vermeld in § 1 tot en met § 7, een retributie vaststelt, moet, op straffe van onontvankelijkheid, het bewijs van betaling van de retributie gevoegd worden:
    1° bij de aanvraag van een bodemattest;
    2° bij het verslag van oriënterend bodemonderzoek, het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van aanvullende onderzoeksverrichtingen, het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject, het aangevuld of gewijzigd bodemsaneringsproject en het eindevalutieonderzoek;
    3° de aanvraag, vermeld in § 3 tot en met § 6;
    4° het beroep, vermeld in § 7.




Art. 163

§ 1.
   De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de retributies, vermeld in § 1 tot en met § 8.

§ 2.
   De Vlaamse Regering duidt de ambtenaren van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributies, vermeld in artikel 162, en bepaalt de nadere regelen betreffende hun bevoegdheid.




Hoofdstuk XVIII. Bevoegdheden van de Vlaamse Regering


Afdeling I. Schikkingen, dadingen, overdracht van schuldvorderingen en zekerheden, subrogatie, afzien van verhaal en overeenkomsten

Art. 164
   In verband met de toepassing van de bepalingen van artikelen 9 tot en met 135 en artikel 160 kan de Vlaamse Regering alle schikkingen, voorstellen tot concordaat inbegrepen, aannemen, dadingen sluiten, schuldvorderingen en zekerheden overdragen, derden in haar rechten subrogeren, van verhaal afzien, afwijkingen toestaan en overeenkomsten sluiten.



Art. 165
   Met behoud van de toepassing van artikel 164 kan de Vlaamse Regering in verband met de toepassing van de bepalingen van artikel 140 tot en met 145 alle schikkingen aannemen, afwijkingen toestaan en overeenkomsten afsluiten.




Afdeling II. Onteigening

Art. 166
   Met behoud van haar andere bevoegdheden in verband met onteigeningen, kan de Vlaamse Regering, voor de uitvoering van bodemsaneringswerken, op verzoek van de persoon die krachtens deze titel tot bodemsanering verplicht is of van de OVAM, overgaan tot de onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen. De onteigening gebeurt op naam en voor rekening van de aanvrager.