law - environment - soil

867 Brussel, 16 oktober 2006 Mijnheer de minister-president, Wij hebben de eer U ter bekrachtiging door de Vlaamse Regering het ontwerp van decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, over te zenden. Dit ontwerp van decreet werd door het Vlaams Parlement aangenomen op 11 oktober 2006. Met de meeste hoogachting, De Voorzitter, De Secretarissen, De Griffier, De heer minister-president van de Vlaamse Regering 1000 BRUSSEL

DECREET betreffende de bodemsanering en de bodembescherming 

TITEL I Inleidende bepaling Artikel 1 Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. 

TITEL II Definities, doelstellingen en algemene bepalingen 

HOOFDSTUK I Definities Artikel 2 In dit decreet wordt verstaan onder: 1° bodem: vaste deel van de aarde met inbegrip van het grondwater, en de andere bestanddelen en organismen die er zich in bevinden; 2° waterbodem: waterbodem, zoals gedefinieerd in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het inte- graal waterbeleid; 3° OVAM: Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaat- schappij; Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:

[ 2 ] 4° bodemverontreiniging: aanwezigheid van stof- fen of organismen, veroorzaakt door menselijke activiteiten, op of in de bodem of opstallen, die de kwaliteit van de bodem op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; 5° ernstige bodemverontreiniging: bodemverontrei- niging die een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu. Bij de evaluatie van de ernst van de bodemver- ontreiniging wordt in concreto rekening gehou- den met: a) de kenmerken, functies, bestemmingen en eigenschappen van de bodem; b) de aard en de concentratie van de verontrei- nigingsfactoren; c) de mogelijkheid op verspreiding van de ver- ontreinigingsfactoren; 6° nieuwe bodemverontreiniging: bodemverontrei- niging die tot stand gekomen is na 28 oktober 1995; 7° historische bodemverontreiniging: bodemver- ontreiniging die tot stand gekomen is voor 29 oktober 1995; 8° gemengde bodemverontreiniging: bodemver- ontreiniging die tot stand gekomen is gedeelte- lijk voor 29 oktober 1995 en gedeeltelijk na 28 oktober 1995; 9° grond: de bodem of de opstallen die zich op of in de bodem bevinden, met uitzondering van de opstallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald; 10° verontreinigde gronden: gronden waar de bodemverontreiniging tot stand kwam en gronden waar de verontreinigende stoffen of organismen zich hebben verspreid of waar de bodemverontreiniging schadelijke gevolgen heeft; 11° grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam: grond waar een emissie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden die rechtstreeks of onrechtstreeks de bodem heeft verontreinigd;

[ 3 ] 12° emissie: elke inbreng door de mens van veront- reinigingsfactoren in de atmosfeer, de bodem of het water; 13° risicogrond: grond waarop een risico-inrichting gevestigd is of was; 14° risico-inrichtingen: fabrieken, werkplaatsen, opslagplaatsen, machines, installaties, toestel- len en handelingen die een verhoogd risico op bodemverontreiniging kunnen inhouden en die voorkomen op een lijst die de Vlaamse Regering opstelt; 15° site: verzameling van verontreinigde gronden of potentieel verontreinigde gronden, vastgesteld krachtens dit decreet; 16° site-onderzoek: bodemonderzoek dat uitgevoerd wordt op een site om de bodemverontreiniging of potentiële bodemverontreiniging afkomstig van de bodemverontreinigende activiteit waar- voor de site is vastgesteld in kaart te brengen en om de ernst ervan vast te stellen. Het site-onder- zoek voldoet aan de doelstellingen van een ori- enterend en beschrijvend bodemonderzoek voor de bodemverontreinigende activiteit waarvoor de site is vastgesteld; 17° gebruiker: natuurlijke persoon of rechtspersoon die titularis is van een zakelijk of persoonlijk recht op een grond, met uitzondering van de eigenaar; 18° overdracht van gronden: a) de overdracht onder levenden van het eigen- domsrecht op een grond; b) het vestigen onder levenden van een recht van vruchtgebruik, een erfpacht of een opstalrecht op een grond, alsmede het onder de levenden beëindigen van deze op voor- melde wijze gevestigde rechten; c) het aangaan of het beëindigen van een con- cessie op een grond; d) de overdracht van het eigendomsrecht op een grond en de beëindiging van een recht als vermeld in b) of c), ingevolge de ontbinding van een rechtspersoon;

[ 4 ] e) de overdracht onder levenden van een recht als vermeld in b) of c); f) de fusie van rechtspersonen, de splitsing van rechtspersonen en de met fusie of split- sing gelijkgestelde verrichtingen waarbij de rechtspersoon of de rechtspersonen waarvan het vermogen zal overgaan eigenaar is van grond of houder is van een recht als vermeld in b) of c); g) de inbreng of de overdracht van een alge- meenheid of een bedrijfstak, voor zover daartoe een recht als vermeld in a), b) of c), behoort; h) het opstellen van de statuten van het gebouw als vermeld in artikel 577-4 van het Burger- lijk Wetboek, alsmede het acteren van de instemming van de mede-eigenaars met de afwijking zoals bedoeld in artikel 577-3, eer- ste lid, van het Burgerlijk Wetboek bij eenzij- dige wilsuiting. In afwijking van de voorgaande bepalingen worden niet beschouwd als een overdracht van gronden: a) de inbreng in een gemeenschappelijk huwelijksvermogen van een recht, als ver- meld in het eerste lid, a), b) of c); b) de rechtshandelingen en rechtsfeiten, ver- meld in het eerste lid, met betrekking tot nutsleidingen en aanhorigheden; 19° overeenkomsten betreffende de overdracht van gronden: alle overeenkomsten die een over- dracht van grond in de zin van 18° tot voorwerp hebben, evenals: a) de inbreng in een rechtspersoon van een recht als vermeld in 18°, eerste lid, a), b) of c); b) het fusievoorstel en splitsingsvoorstel waarbij de rechtspersoon of de rechtspersonen waar- van het vermogen zal overgaan, eigenaar is van grond of houder is van een recht als ver- meld in 18°, eerste lid, b) of c);

[ 5 ] c) het voorstel van inbreng of overdracht van algemeenheid of van inbreng of overdracht van een bedrijfstak, voor zover daartoe een recht als vermeld in 18°, eerste lid, a), b) of c), behoort; d) het opstellen van de statuten van het gebouw als vermeld in artikel 577-4 van het Burger- lijk Wetboek, alsmede het acteren van de instemming van de mede-eigenaars met de afwijking zoals bedoeld in artikel 577-3, eer- ste lid, van het Burgerlijk Wetboek bij eenzij- dige wilsuiting; 20° behandelen van bodemverontreiniging: wegne- men, neutraliseren, immobiliseren, isoleren of afschermen van de bodemverontreiniging; 21° bodemsanering: behandelen van bodemveront- reiniging door: a) het opstellen van een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject; b) het uitvoeren van bodemsaneringswerken; c) het uitvoeren van een eindevaluatieonder- zoek; 22° bodemsaneringswerken: werken ter uitvoering van een bodemsaneringsproject of van een beperkt bodemsaneringsproject; 23° risicobeheer: beheersen van de risico’s verbon- den aan bodemverontreiniging door: a) het opstellen van een risicobeheersplan; b) het uitvoeren van risicobeheersmaatregelen; c) het opmaken van opvolgingsrapporten; 24° voorzorgsmaatregelen: maatregelen om mens of milieu tijdelijk te beschermen tegen de risico’s van de bodemverontreiniging in afwachting van bodemsaneringswerken; 25° nazorg: maatregelen van bewaking, controle en zo nodig herstel om de mens of het milieu te blijven beschermen tegen de risico’s van bodem- verontreiniging na bodemsanering;

[ 6 ] 26° schadegeval: onvoorziene gebeurtenis die aanlei- ding geeft tot bodemverontreiniging; 27° rechtsvoorganger: rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden is met een andere rechtspersoon door wettelijke rechtsopvolging, via fusie, splitsing, met fusie of splitsing gelijk- gestelde verrichtingen, inbreng of overdracht van een algemeenheid, inbreng of overdracht van een bedrijfstak, of enige gelijkaardige rechtsfiguur; 28° gemandateerde: diegene die op grond van een lastgeving of een gerechtelijke beslissing bevoegd is om handelingen te stellen met betrekking tot het onroerend vermogen van de aangewezen persoon; 29° code van goede praktijk: door de OVAM aan- vaarde en voor het publiek toegankelijke geschreven regels met betrekking tot de activi- teiten en maatregelen vermeld in dit decreet; 30° bodemsaneringsdeskundige: onafhankelijke des- kundige erkend door de Vlaamse Regering. HOOFDSTUK II Doelstellingen Artikel 3 §1. Het bodembeleid is het beleid gericht op een duurzaam bodembeheer waarbij tegemoet gekomen wordt aan de behoeften van de huidige generaties zonder de mogelijkheden van toekomstige genera- ties om aan hun behoeften te voldoen in gedrang te brengen. Daarvoor dient het beleid de kwaliteit van de bodem door bodemsanering en bodembescher- ming te verzekeren, te behouden en te herstellen, zodat onze bodems in de toekomst nog zoveel moge- lijk functies kunnen uitoefenen en er nog verschil- lende types landgebruik mogelijk blijven. Tevens is het bodembeleid er op gericht een zo breed moge- lijk maatschappelijk draagvlak te scheppen, waarbij educatie en voorlichting van de doelgroepen inzake bodembeheer wordt gestimuleerd.

[ 7 ] §2. Het beleid inzake bodemsanering is er op gericht om zoveel mogelijk de richtwaarden voor bodem- kwaliteit te realiseren. Deze richtwaarden worden door de Vlaamse Regering vastgesteld en beant- woorden aan het gehalte aan verontreinigende stof- fen of organismen op of in de bodem, dat toelaat dat de bodem al zijn functies kan vervullen zonder dat enige beperking moet worden opgelegd. §3. Het beleid inzake bodembescherming is er op gericht de bodem te beschermen tegen verontrei- niging en verstoring, en de waardevolle bodems te vrijwaren. De bescherming van de bodem tegen ver- ontreiniging heeft tot doel zoveel mogelijk de streef- waarden voor bodemkwaliteit te behouden. Deze streefwaarden worden door de Vlaamse Regering vastgesteld en beantwoorden aan het gehalte aan verontreinigende stoffen of organismen op of in de bodem, dat als normale achtergrond in niet-veront- reinigde bodems met vergelijkbare bodemkenmerken teruggevonden wordt. HOOFDSTUK III Algemene bepalingen Artikel 4 §1. Behoudens andersluidende bepaling gaan de ter- mijnen, vermeld in dit decreet, in: 1° in geval van kennisgeving bij een ter post aange- tekende brief met ontvangstbewijs, op de eerste dag die volgt op de dag waarop de brief aange- boden werd op de woonplaats, dan wel op de maatschappelijke of administratieve zetel van de geadresseerde; 2° in geval van kennisgeving bij aangetekende brief of bij gewone brief, op de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst; 3° in geval van afgifte tegen ontvangstbewijs, op de dag na de datum van het ontvangstbewijs. De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag. Als de laatste dag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, verloopt de termijn de eerst- volgende werkdag.

[ 8 ] §2. De Vlaamse Regering kan bepalen dat een ken- nisgeving ook op elektronische wijze kan gebeuren. Zij bepaalt in dat geval de nadere modaliteiten. TITEL III Bodemsanering HOOFDSTUK I Identificatie en inventarisatie van gronden AFDELING I Grondeninformatieregister Artikel 5 §1. De OVAM beheert een grondeninformatieregister waarin ze gegevens over gronden opneemt die haar in het kader van dit decreet worden bezorgd. §2. Bij de opname van een grond in het grondenin- formatieregister levert de OVAM ambtshalve een bodemattest af aan: 1° de eigenaar en de gebruiker van de grond en de exploitant op de grond, voor zover deze door de OVAM gekend zijn; 2° de gemeente van de plaats waar de grond gelegen is. De OVAM levert ook op aanvraag een bodemattest af. §3. Het bodemattest vermeldt de identificatie van de grond en geeft een overzicht van de informatie die over de grond beschikbaar is in het grondeninforma- tieregister. De OVAM is niet verantwoordelijk voor de juistheid van de informatie die door derden aan haar werd verstrekt. §4. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende het beheer en de toegankelijkheid van het grondeninformatieregister.

[ 9 ] AFDELING II Lijst van risico-inrichtingen 

Artikel 6 De Vlaamse Regering stelt een lijst vast van risico- inrichtingen. AFDELING III Gemeentelijke inventaris 

Artikel 7 §1. Elke gemeente beheert een inventaris van de risi- cogronden die op haar grondgebied gelegen zijn. Op eerste verzoek verstrekt de Bestendige Deputatie van de provincie aan de gemeenten die gegevens die hen moeten toelaten de inventaris te beheren. §2. Bij de opname van een grond in en de verwijde- ring van een grond uit de gemeentelijke inventaris, bezorgt de gemeente onverwijld een uittreksel betref- fende de in de inventaris opgenomen gegevens aan de OVAM. De OVAM neemt deze gegevens op in het grondeninformatieregister. §3. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende het beheer en de toegankelijkheid van de gemeentelijke inventaris. HOOFDSTUK II Erkenning als bodemsaneringsdeskundige Artikel 8 §1. De Vlaamse Regering is bevoegd om een natuur- lijke persoon of rechtspersoon als bodemsanerings- deskundige te erkennen, alsook om de erkenning als bodemsaneringsdeskundige te schorsen of op te hef- fen. De OVAM is van rechtswege erkend als bodemsane- ringsdeskundige.

[ 10 ] §2. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, schorsing en opheffing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige. Ze bepaalt ook de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning en kan nadere regelen vaststellen betref- fende de indeling van de erkenning in types. 

HOOFDSTUK III Verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voe- ren en te (pre)financieren 

AFDELING I Nieuwe bodemverontreiniging 

ONDERAFDELING I Saneringscriterium 

Artikel 9 §1. De Vlaamse Regering stelt bodemsaneringsnor- men vast. Deze bodemsaneringsnormen beantwoor- den aan een niveau van bodemverontreiniging dat een aanmerkelijk risico inhoudt van negatieve effec- ten voor de mens of het milieu, gelet op de kenmer- ken van de bodem en de functies die deze vervult. §2. Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodem- verontreiniging de bodemsaneringsnormen over- schrijdt of dreigt te overschrijden, wordt onverwijld een beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd. §3. Als het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemsaneringsnormen overschreden zijn, wordt onverwijld overgegaan tot bodemsanering. §4. Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan bodemsaneringsnormen kan worden getoetst, geldt het saneringscriterium, vermeld in artikel 19, §1 en §2. §5. De bepalingen van §2 en §4 zijn niet van toepas- sing op schadegevallen die conform de bepalingen van artikel 74 tot en met 82 worden behandeld.

[ 11 ] ONDERAFDELING II Saneringsdoel 

Artikel 10 §1. Bodemsanering is er bij nieuwe bodemveront- reiniging op gericht om de richtwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren. §2. Als het wegens de kenmerken van de bodemver- ontreiniging of van de verontreinigde gronden niet mogelijk is de richtwaarden voor de bodemkwali- teit te realiseren door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kos- ten met zich meebrengen, wordt de bodemsanering er minstens op gericht een betere bodemkwaliteit te verwezenlijken dan bepaald door de toepasselijke bodemsaneringsnormen. Ingeval de grond in het kader van een voorlopig vastgesteld ontwerp van plan van aanleg of uitvoe- ringsplan een bestemming krijgt waarvoor strengere bodemsaneringsnormen gelden, worden de strengere bodemsaneringsnormen als saneringsdoel gehan- teerd. §3. Als het wegens de kenmerken van de bodemver- ontreiniging of van de verontreinigde gronden niet mogelijk is de bodemkwaliteit, vermeld in §1 en §2, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kos- ten met zich meebrengen, dan geldt het sanerings- doel, vermeld in artikel 21, §1. §4. Als het niet mogelijk is de bodemkwaliteit, ver- meld in §1 tot en met §3, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare tech- nieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden zo nodig gebruiks- of bestem- mingsbeperkingen opgelegd. §5. Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan richtwaarden voor de bodemkwaliteit kan worden getoetst, wordt het saneringsdoel, vermeld in artikel 21, §1, gehanteerd. De bepalingen van §4 zijn van overeenkomstige toe- passing.

[ 12 ] §6. De selectie van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, gebeurt onafhankelijk van de financiële draagkracht van de saneringsplichtige. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen in concreto rekening moet worden gehouden bij de evaluatie van de beste beschikbare technieken die geen overmatige kosten met zich meebrengen. ONDERAFDELING III Saneringsplichtige A. Aanduiding van de saneringsplichtige Artikel 11 De verplichting om in de gevallen, vermeld in artikel 9, met betrekking tot de verontreinigde gronden een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering uit te voeren, rust op de volgende personen: 1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieu- vergunning: de exploitant in de zin van voormeld decreet; 2° bij gebrek aan een exploitant, of als de exploitant werd vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 12, §1: de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam; 3° bij gebrek aan een exploitant en gebruiker, of als de exploitant en gebruiker werden vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 12, §1: de eigenaar van de grond waar de bodemverontrei- niging tot stand kwam.

[ 13 ] B. Vrijstelling van de saneringsplicht Artikel 12 §1. De exploitant, respectievelijk de gebruiker is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemoti- veerd standpunt van de exploitant of de gebruiker van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de vol- gende voorwaarden: 1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf ver- oorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij de grond in exploita- tie, respectievelijk in gebruik heeft genomen. §2. De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf ver- oorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd; 3° hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving; 4° sinds 1 januari 1993 was er geen risico-inrichting op de grond gevestigd. §3. In afwijking van de bepalingen van §1 en §2 is de persoon, vermeld in artikel 11, alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsa- nering uit te voeren, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft ver- oorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoor- ganger de grond in exploitatie, gebruik of eigendom had.

[ 14 ] §4. Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslis- sing van de OVAM, vermeld in §1 tot en met §3, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeen- komstig artikelen 153 tot en met 155. §5. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de behandeling van de aanvraag tot vrij- stelling en de overdraagbaarheid van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodem- onderzoek of de bodemsanering uit te voeren. De Vlaamse Regering kan een termijn vaststellen waar- binnen de aanvraag tot vrijstelling, op straffe van onontvankelijkheid, bij de OVAM moet worden ingediend. ONDERAFDELING IV Saneringsfinanciering A. (Pre)financiering Artikel 13 De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, voert het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsa- nering uit op eigen kosten. De saneringsplichtige kan de kosten van het beschrij- vend bodemonderzoek of de bodemsanering ver- halen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van deze saneringsaanspra- kelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt. B. Draagkrachtregeling Artikel 14 §1. De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, die onvoldoende vermogen heeft om de bodemsanering te (pre)financieren, kan bij de Vlaamse Regering een gemotiveerde aanvraag tot toekenning van een draagkrachtregeling indienen. De draagkrachtrege- ling heeft tot doel de financieringslasten in de tijd te spreiden. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning van een draagkrachtregeling binnen een termijn van negentig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

[ 15 ] §2. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot aanvraag en de voor- waarden tot toekenning van een draagkrachtrege- ling. C. Cofinanciering Artikel 15 De Vlaamse Regering kan bepalen in welke geval- len de persoon die overgaat tot beschrijvend bodem- onderzoek of tot bodemsanering aanspraak kan maken op cofinanciering. In dat geval stelt ze tevens nadere regelen vast betreffende de procedure en de voorwaarden tot cofinaciering, en het procentsge- wijze aandeel van de cofinanciering in de totale kost van het beschrijvend bodemonderzoek of van de bodemsanering. De Vlaamse Regering kan tevens in nominale bedragen de maxima van de cofinanciering bepalen. De cofinanciering wordt toegekend binnen de perken van de daartoe voorziene kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest. ONDERAFDELING V Aansprakelijkheid Artikel 16 §1. Wie bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, is aansprakelijk voor de kosten die overeenkomstig dit decreet gemaakt worden voor het beschrijvend bodemonderzoek, de bodemsanering en de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, evenals voor de schade die door deze activiteiten of maatregelen veroorzaakt wordt. §2. Als de emissie waardoor de bodemverontreiniging tot stand is gebracht afkomstig is van een inrichting die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuver- gunning, is evenwel de exploitant van deze inrichting als bedoeld in dat decreet aansprakelijk.

[ 16 ] Artikel 17 §1. Als meerdere personen op grond van de bepalin- gen van dit decreet aansprakelijk zijn voor een zelfde bodemverontreiniging, zijn zij hoofdelijk aansprake- lijk. §2. In dat geval heeft diegene die de schadelijder heeft vergoed, een regres tegen de andere aanspra- kelijke personen, in de mate waarin de verschillende emissies waarvoor zij aansprakelijk zijn, hebben bij- gedragen tot het veroorzaken van de bodemveront- reiniging. §3. De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de mogelijkheden voor de aansprakelijke om op basis van een andere rechtsgrond regres uit te oefe- nen. Artikel 18 De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de andere rechten, die de personen die kosten maak- ten of schade leden als vermeld in artikel 16, §1, heb- ben tegen de veroorzaker of tegen andere personen. AFDELING II Historische bodemverontreiniging ONDERAFDELING I Saneringscriterium Artikel 19 §1. Op gronden met historische bodemverontreini- ging wordt overgegaan tot een beschrijvend bodem- onderzoek als er duidelijke aanwijzingen zijn van een ernstige bodemverontreiniging. §2. Op gronden met historische bodemverontreini- ging wordt overgegaan tot bodemsanering als het beschrijvend bodemonderzoek de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging aantoont. §3. De Vlaamse Regering wijst op voorstel van de OVAM die gronden met een ernstige historische bodemverontreiniging aan waar bodemsanering pri- oritair moet plaatsvinden.

[ 17 ] Artikel 20 Op gronden met een ernstige historische bodemver- ontreiniging kan de persoon, vermeld in artikel 22, bij de OVAM een verzoek indienen om over te gaan tot risicobeheer overeenkomstig de procedure, ver- meld in artikelen 83 tot en met 90. ONDERAFDELING II Saneringsdoel Artikel 21 §1. Bodemsanering is er bij historische bodemver- ontreiniging op gericht om te vermijden dat de bodemkwaliteit een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu door gebruik te maken van de beste beschikbare technie- ken die geen overmatig hoge kosten met zich mee- brengen. Ingeval de grond in het kader van een voorlopig vastgesteld ontwerp van plan van aanleg of uitvoe- ringsplan een andere bestemming krijgt, wordt de bodemsanering er op gericht te vermijden dat de bodemkwaliteit een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu binnen deze toekomstige bestemming. §2. Als het niet mogelijk is de bodemkwaliteit, ver- meld in §1, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen over- matig hoge kosten met zich meebrengen, worden zo nodig gebruiks- of bestemmingsbeperkingen opge- legd. §3. De bepalingen van artikel 10, §6, zijn van over- eenkomstige toepassing.

[ 18 ] ONDERAFDELING III Saneringsplichtige A. Aanduiding van de saneringsplichtige Artikel 22 Als gronden met historische bodemverontreiniging overeenkomstig artikel 19 aan een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering moeten worden onderworpen, maant de OVAM de hiernavolgende persoon aan tot uitvoering ervan: 1° als op de grond waar de verontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning: de exploitant in de zin van voormeld decreet; 2° bij gebrek aan een exploitant, of als de exploitant werd vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 23, §1: de gebruiker van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam; 3° bij gebrek aan een exploitant en gebruiker, of als de exploitant en gebruiker werden vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 23, §1: de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam. Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 tot en met 155. B. Vrijstelling van de saneringsplicht Artikel 23 §1. De exploitant, respectievelijk de gebruiker is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemoti- veerd standpunt van de exploitant of de gebruiker van oordeel is, dat hij cumulatief voldoet aan de vol- gende voorwaarden:

[ 19 ] 1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf ver- oorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij de grond in exploita- tie, respectievelijk in gebruik heeft genomen. §2. De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voe- ren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is, dat hij cumulatief voldoet aan de vol- gende voorwaarden: 1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf ver- oorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd; 3° hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving. De eigenaar die, hoewel hij van de bodemverontrei- niging op de hoogte was of behoorde te zijn, voor 1 januari 1993 een verontreinigde grond heeft verwor- ven, is eveneens niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt en dat hij de grond sinds de verwerving enkel heeft aangewend voor particulier gebruik. §3. In afwijking van de bepalingen van §1 en §2 is de persoon, vermeld in artikel 22, als- nog verplicht het beschrijvend bodemonder- zoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoorganger de grond in exploitatie, gebruik of eigendom had.

[ 20 ] §4. Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslis- sing van de OVAM, vermeld in §1 tot en met §3, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeen- komstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155. §5. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de behandeling van de aanvraag tot vrij- stelling en de overdraagbaarheid van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodem- onderzoek of de bodemsanering uit te voeren. De Vlaamse Regering kan een termijn vaststellen waar- binnen de aanvraag tot vrijstelling, op straffe van onontvankelijkheid, bij de OVAM moet worden ingediend. ONDERAFDELING IV Saneringsfinanciering Artikel 24 De bepalingen van artikel 13 tot en met 15 zijn van overeenkomstige toepassing. ONDERAFDELING V Aansprakelijkheid Artikel 25 §1. Met behoud van de toepassing van het laatste lid van artikel 14 van het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, wordt de aansprakelijk- heid voor de kosten die overeenkomstig dit decreet gemaakt worden voor het beschrijvend bodemonder- zoek, het waterbodemonderzoek, de bodemsanering en de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, evenals voor de schade die door deze activiteiten of maatregelen veroorzaakt wordt, bij historische bodemverontreiniging vastgesteld overeenkomstig de aansprakelijkheidsregels die van toepassing waren voor 29 oktober 1995. §2. De aansprakelijkheid voor de kosten en verdere schade, vermeld in §1, die de persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, §1 of §2, kan oplopen op basis van de voor 29 oktober 1995 van

[ 21 ] toepassing zijnde regels die aansprakelijkheid vesti- gen op de loutere eigendom of de loutere bewaking van de grond, wordt beperkt tot het bedrag van de kosten nodig om te voorkomen dat de bodemveront- reiniging zich verder verspreidt of een onmiddellijk gevaar vormt. AFDELING III Gemengde bodemverontreiniging Artikel 26 Als bij gemengde bodemverontreiniging op een grond een onderscheid tussen nieuwe bodemveront- reiniging en historische bodemverontreiniging kan worden gemaakt, worden de respectievelijke bepa- lingen voor elke soort bodemverontreiniging toege- past. Artikel 27 §1. Als bij gemengde bodemverontreiniging op een grond geen onderscheid tussen nieuwe bodemveront- reiniging en historische bodemverontreiniging kan worden gemaakt, wordt een zo accuraat mogelijke verdeling van de bodemverontreiniging gemaakt in een deel dat naar alle redelijkheid als nieuwe bodem- verontreiniging en een deel dat naar alle redelijkheid als historische bodemverontreiniging kan worden beschouwd. Op basis van het gemotiveerd voorstel van de bodemsaneringsdeskundige in zijn verslag van bodemonderzoek doet de OVAM uitspraak over de verdeling. Het deel nieuwe bodemverontreiniging wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor nieuwe bodemverontreiniging en het deel historische bodemverontreiniging overeenkomstig de bepalingen die gelden voor historische bodemveront- reiniging. §2. Als het niet mogelijk is om door het gebruik van de beste beschikbare technieken die geen overma- tig hoge kosten met zich meebrengen voor elk deel bodemverontreiniging een afzonderlijk beschrijvend bodemonderzoek of een afzonderlijke bodemsane- ring uit te voeren, dan zijn uitsluitend de bepalingen van toepassing die gelden voor het grootste deel van de bodemverontreiniging.

[ 22 ] §3. Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslis- singen van de OVAM, vermeld in §1 en §2, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155. HOOFDSTUK IV Oriënterend bodemonderzoek en beschrijvend bodemonderzoek AFDELING I Oriënterend bodemonderzoek ONDERAFDELING I Doel, inhoud en procedure Artikel 28 §1. Een oriënterend bodemonderzoek heeft tot doel uit te maken of er duidelijke aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Het houdt een historisch onderzoek en een beperkte monsterneming in. §2. Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitge- voerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskun- dige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardproce- dure wordt het oriënterend bodemonderzoek uitge- voerd volgens een code van goede praktijk. De resultaten van het oriënterend bodemonderzoek worden aan de OVAM meegedeeld binnen dertig dagen na het afsluiten ervan. §3. Als het oriënterend bodemonderzoek niet werd uitgevoerd conform de bepalingen van deze afdeling, kan de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen opleggen. Het uitgevoerde bodemonderzoek wordt dan niet beschouwd als een oriënterend bodemon- derzoek tot op het ogenblik dat de OVAM een con- formiteitsattest heeft afgeleverd. §4. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het oriënterend bodemonderzoek en de inhoud van het conformiteitsattest.

[ 23 ] ONDERAFDELING II Verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren 

A. Overdracht van een risicogrond 

Artikel 29 Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde voor de overdracht van een risico- grond. 

Artikel 30 In afwijking van artikel 29 kan de Vlaamse Rege- ring bepalen dat de verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren bij de overdracht van gedwongen mede-eigendom als vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek die als een risico- grond moet worden gekwalificeerd, rust op de ver- eniging van mede-eigenaars. Tevens kan de Vlaamse Regering bepalen in welke gevallen geen verplichting bestaat om voorafgaand aan de overdracht van der- gelijke gedwongen mede-eigendom een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren of slechts een ver- plichting om eenmalig een oriënterend bodemonder- zoek uit te voeren voor een welbepaalde datum. B. Onteigening van een risicogrond 

Artikel 31 Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de onteigenende over- heid voor de onteigening van een risicogrond. C. Sluiting van een risico-inrichting Artikel 32 Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant naar aan- leiding van de sluiting van een risico-inrichting.

[ 24 ] D. Periodieke onderzoeksplicht bij exploitatie van een risico-inrichting 

Artikel 33 De Vlaamse Regering kan bij algemene regel bepa- len dat de exploitanten van bepaalde categorieën van risico-inrichtingen binnen een door haar bepaalde termijn en vervolgens periodiek volgens de door haar bepaalde periodiciteit op eigen initiatief en op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek moeten uit- voeren. Deze verplichting geldt niet voor de exploi- tanten die voor het voldoen van de verplichting, vermeld in 91, §1, een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie als vermeld in afdeling II van hoofdstuk VII. E. Faillissement 

Artikel 34 In geval een handelaar of een vennootschap die een risico-inrichting exploiteert failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gronden waar de gefailleerde de risico-inrichting exploiteerde. F. Vereffening 

Artikel 35 In geval een vennootschap die een risico-inrich- ting exploiteert in vereffening wordt gesteld, wordt op initiatief van de vereffenaar een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gronden waar de vennootschap in kwestie de risico-inrichting exploi- teerde. G. Geen nieuw oriënterend bodemonderzoek Artikel 36 De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waarbij in de gevallen, vermeld in artikelen 29 tot en met 35, geen verplichting bestaat om een nieuw ori- enterend bodemonderzoek uit te voeren of een ver- plichting bestaat om slechts een beperkte aanvulling van het meest recente oriënterend bodemonderzoek uit te voeren.

[ 25 ] ONDERAFDELING III Ambtshalve oriënterend bodemonderzoek 

Artikel 37 Met behoud van de bevoegdheden van de toezicht- houdende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de OVAM te allen tijde ambtshalve een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren. 

AFDELING II Beschrijvend bodemonderzoek 

ONDERAFDELING I Doel, inhoud en procedure 

Artikel 38 §1. Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitge- voerd om de ernst van de bodemverontreiniging vast te stellen. Het beoogt een beschrijving te geven van de soort, de aard, de hoeveelheid, de concentratie, de oorsprong en de omvang van de verontreinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op versprei- ding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater. Daarnaast kunnen in een beschrijvend bodemonder- zoek gegevens worden opgenomen met betrekking tot de inschatting van het gevaar op blootstelling aan de bodemverontreiniging van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater bij een potentieel andere bestemming. §2. Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uit- gevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdes- kundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardproce- dure wordt het beschrijvend bodemonderzoek uitge- voerd volgens een code van goede praktijk.

[ 26 ] §3. Een beschrijvend bodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden die worden bepaald in de standaard- procedure, vermeld in §2. ONDERAFDELING II Conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek Artikel 39 §1. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van het beschrijvend bodemonder- zoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalingen van deze afde- ling. De OVAM legt aanvullende onderzoeksverrich- tingen op of levert een conformiteitsattest af. §2. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek en de inhoud van het conformiteitsattest. ONDERAFDELING III Aard en ernst van de bodemverontreiniging en termijn voor het bodemsaneringsproject Artikel 40 Op het moment van de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek spreekt de OVAM zich tevens uit over: 1° de vraag of en in welke mate de bodemverontrei- niging als nieuw dan wel als historisch moet wor- den beschouwd; 2° de aanwezigheid van een bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of van een ernstige bodemverontreiniging. Artikel 41 De OVAM kan de termijn bepalen waarbinnen het bodemsaneringsproject moet worden opgesteld en aan haar moet worden bezorgd.

[ 27 ] ONDERAFDELING IV Ambtshalve beschrijvend bodemonderzoek 

Artikel 42 Met behoud van de bevoegdheden van de toezicht- houdende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de OVAM te allen tijde ambtshalve overgaan tot het uitvoeren of aanvullen van een beschrijvend bodemonderzoek. 

ONDERAFDELING V Administratief beroep

Artikel 43 Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 39 tot en met 41, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeen- komstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155. 

AFDELING III Oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek 

ONDERAFDELING I Verslag van het oriënterend en beschrijvend bodemondezoek 

Artikel 44 Het beschrijvend bodemonderzoek kan gelijktijdig of onmiddellijk volgend op het oriënterend bodem- onderzoek worden uitgevoerd. In dat geval worden de resultaten van beide onderzoeken in een verslag aan de OVAM bezorgd, onder de benaming ‘Verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek’. Een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsa- neringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaard- procedure wordt het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

[ 28 ] ONDERAFDELING II Conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek Artikel 45 §1. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalin- gen van dit hoofdstuk. De OVAM legt aanvullende onderzoeksverrichtingen op, beschouwt het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek als een verslag van oriënterend bodemonderzoek of levert een conformiteitsattest af. §2. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonder- zoek en de inhoud van het conformiteitsattest. Artikel 46 De bepalingen van artikel 40 tot en met 43 zijn van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK V Bodemsanering AFDELING I Bodemsaneringsproject ONDERAFDELING I Doel, procedure en inhoud van het bodemsaneringsproject Artikel 47 §1. Een bodemsaneringsproject stelt de wijze vast waarop bodemsaneringswerken worden uitgevoerd en de eventuele nazorg wordt verzekerd.

[ 29 ] §2. Een bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het bodemsaneringsproject opgesteld volgens een code van goede praktijk. §3. Het bodemsaneringsproject steunt op de resulta- ten van een conformverklaard beschrijvend bodem- onderzoek. Als de OVAM van oordeel is dat de resultaten van dit bodemonderzoek onvoldoende actueel zijn om een accuraat beeld van de veront- reinigingssituatie te geven, legt ze aan de sanerings- plichtige, vermeld in artikel 11 of 22, de verplichting op om binnen een welbepaalde termijn het beschrij- vend bodemonderzoek te actualiseren. §4. Een bodemsaneringsproject kan gefaseerd wor- den opgesteld in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de standaardprocedure, ver- meld in §2. Artikel 48 De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de inhoud, de kennisgeving en de ont- vankelijkheid en volledigheid van het bodemsane- ringsproject. ONDERAFDELING II Openbaar onderzoek en adviesverlening Artikel 49 De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot openbaar onderzoek en adviesverlening met betrekking tot het bodemsane- ringsproject.

[ 30 ] ONDERAFDELING III Conformverklaring van het bodemsaneringsproject Artikel 50 §1. Na afloop van het openbaar onderzoek en na ontvangst van de adviezen, vermeld in artikel 49, en uiterlijk negentig dagen na ontvangst van het ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject, spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het bodemsaneringsproject met de bepalingen van dit decreet. De OVAM legt aanvullingen op of wijzi- gingen aan het bodemsaneringsproject op, of levert een conformiteitsattest af. §2. De OVAM brengt het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject ter kennis van: 1° de saneringsplichtige; 2° de opdrachtgever van het bodemsaneringspro- ject; 3° de eigenaars en gebruikers van gronden waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren; 4° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de bodemsaneringswerken zullen worden uitge- voerd; 5° de andere overheidsorganen die krachtens artikel 49 advies hebben uitgebracht; 6° de Vlaamse administratie bevoegd inzake milieu- inspectie. Op bevel van de burgemeester wordt het conformi- teitsattest binnen een termijn van tien dagen na ont- vangst ervan bekendgemaakt door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswer- ken gepland zijn, alsook op de plaatsen voorbehou- den voor de officiële berichten van bekendmaking, en gedurende dertig dagen ter inzage gelegd bij de diensten van het gemeentebestuur. Artikel 51 De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de conformverklaring van het bodem- saneringsproject en het opleggen van wijzigingen en aanvullingen op het bodemsaneringsproject.

[ 31 ] ONDERAFDELING IV Voorwaarden en termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken Artikel 52 In het conformiteitsattest bepaalt de OVAM de voor- waarden waaronder de bodemsaneringswerken moe- ten worden uitgevoerd. Deze voorwaarden beogen de bescherming van mens en milieu en de verwezen- lijking van een goede plaatselijke aanleg. Artikel 53 De OVAM kan de termijn bepalen waarbinnen de bodemsaneringswerken moeten worden aangevat. ONDERAFDELING V Conformiteitsattest als melding, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning Artikel 54 §1. Als de bodemsaneringswerken inrichtingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings- of ver- gunningsplichtig zijn, geldt het conformiteitsattest, vermeld in artikel 50, §1, als melding respectievelijk als milieuvergunning. §2. Als de bodemsaneringswerken werken omvatten die krachtens het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunnings- plichtig zijn, geldt het conformiteitsattest, vermeld in artikel 50, §1, als stedenbouwkundige vergunning. ONDERAFDELING VI Administratief beroep Artikel 55 Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsproce- dure in artikelen 146 tot en met 152 geregeld is, kan elke belanghebbende tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikelen 50, §1, 52 en 53, bij de Vlaamse Regering een beroep indienen overeen- komstig de bepalingen van artikelen 153 tot en met 155.

[ 32 ] AFDELING II Beperkt bodemsaneringsproject ONDERAFDELING I Toepassingsgebied Artikel 56 Als bodemverontreiniging kan worden behandeld door bodemsaneringswerken die maximaal hon- derdtachtig dagen in beslag nemen, kan in plaats van een bodemsaneringsproject een beperkt bodemsane- ringsproject worden opgesteld, op voorwaarde dat de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die nood- zakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren zich schriftelijk akkoord verklaren met de uitvoering van de bodemsaneringswerken. ONDERAFDELING II Doel, procedure en inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject Artikel 57 De bepalingen van artikelen 47 en 48 zijn van over- eenkomstige toepassing. ONDERAFDELING III Conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject Artikel 58 §1. Uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het beperkt bodemsaneringsproject en het schriftelijk akkoord, vermeld in artikel 56, spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het beperkt bodem- saneringsproject met de bepalingen van dit decreet. De OVAM legt aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject op, of levert een conformiteitsattest af. §2. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject en het opleggen van wijzigin- gen en aanvullingen op het beperkt bodemsanerings- project, en de kennisgeving van deze beslissingen.

[ 33 ] ONDERAFDELING IV Voorwaarden en termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken 

Artikel 59 De bepalingen van artikelen 52 en 53 zijn van over- eenkomstige toepassing. ONDERAFDELING V Conformiteitsattest als melding, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning Artikel 60 De bepalingen van artikel 54 zijn van overeenkom- stige toepassing. ONDERAFDELING VI Administratief beroep Artikel 61 Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsproce- dure in artikel 146 tot en met 152 geregeld is, kan elke belanghebbende tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 58, §1, en de beslissingen van de OVAM, genomen krachtens artikel 59, bij de Vlaamse Regering een beroep indienen overeenkom- stig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

[ 34 ] AFDELING III Bodemsaneringswerken 

ONDERAFDELING I Procedure 

Artikel 62 Bodemsaneringswerken worden uitgevoerd onder lei- ding van een bodemsaneringsdeskundige conform de voorwaarden vermeld in het conformiteitsattest en de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure worden de bodem- saneringswerken uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. 

ONDERAFDELING II Aanvulling of wijziging van het conformverklaarde bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken 

Artikel 63 §1. Tijdens de uitvoering van de bodemsanerings- werken kan de opdrachtgever van het bodemsane- ringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken bij de OVAM een voorstel indienen tot kleine of grote wijziging of aanvulling van het conformverklaard bodemsaneringsproject of het conformverklaard beperkt bodemsaneringspro- ject. §2. Een voorstel tot kleine wijziging of aanvulling wordt bij aktename door de OVAM goedgekeurd of desgevallend afgekeurd. Een voorstel tot grote wijziging of aanvulling wordt bij beslissing door de OVAM goedgekeurd of desgevallend afgekeurd. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de wijziging of aanvulling van een con- formverklaard bodemsaneringsproject of een con- formverklaard beperkt bodemsaneringsproject.

[ 35 ] §3. Als tijdens de uitvoering van de bodemsane- ringswerken in het kader van een conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject blijkt dat de bodem- verontreiniging niet binnen de termijn van honderd- tachtig dagen, vermeld in artikel 56, kan behan- deld worden, kan de opdrachtgever van de bodem- saneringswerken een eenmalige verlenging van het conformiteitsattest voor het beperkt bodemsane- ringsproject voor een termijn van honderdtachtig dagen aanvragen. De gemotiveerde aanvraag tot verlenging moet, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk dertig dagen voor het einde van de termijn van honderdtachtig dagen bij de OVAM worden ingediend. Uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de aanvraag, spreekt de OVAM zich uit over de ver- lenging. Artikel 64 Als de OVAM tijdens de uitvoering van de bodemsa- neringswerken op basis van eigen bevindingen of op basis van een verslag van de bodemsaneringsdeskun- dige onder wiens leiding de bodemsaneringswerken worden uitgevoerd, van oordeel is dat de maatrege- len ter behandeling van de bodemverontreiniging, vermeld in het conformverklaard bodemsanerings- project of het conformverklaard beperkt bodemsa- neringsproject, niet of in onvoldoende mate leiden tot de resultaten vastgelegd in het conformiteitsat- test, kan ze de verplichting opleggen om binnen een welbepaalde termijn een voorstel tot kleine of grote wijziging of aanvulling van het conformverklaard bodemsaneringsproject of conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject op te stellen en bij de OVAM in te dienen. In voorkomend geval kan de OVAM de verplich- ting opleggen om binnen een welbepaalde termijn een nieuw bodemsaneringsproject of nieuw beperkt bodemsaneringsproject op te stellen en aan de OVAM te bezorgen. Artikel 65 Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in artikelen 63 en 64, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeen- komstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

[ 36 ] ONDERAFDELING III Kennisgeving van de bodemsaneringswerken en plaatsbeschrijving Artikel 66 De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving van de uitvoering van de bodemsaneringswerken en de uitvoering van een plaatsbeschrijving voor de aanvang van de bodemsa- neringswerken. AFDELING IV Eindevaluatieonderzoek en eindverklaring Artikel 67 §1. De bodemsaneringswerken worden beëindigd na het bereiken van de doelstellingen van de bodemsa- nering. §2. Na de uitvoering van de bodemsaneringswerken wordt een eindevaluatieonderzoek uitgevoerd waarin de resultaten van de bodemsaneringswerken worden opgenomen en waarin zo nodig een voorstel van nazorg wordt geformuleerd. §3. Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevalutatieonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. Artikel 68 Als de doelstellingen van de bodemsanering worden bereikt, levert de OVAM op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek een eindverklaring af. De OVAM bezorgt de eindverklaring aan de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken en de saneringsplichtige, vermeld in artikel 11 of 22. Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

[ 37 ] HOOFDSTUK VI Andere maatregelen AFDELING I Veiligheidsmaatregelen Artikel 69 §1. Als de OVAM van oordeel is dat bodemveront- reiniging een onmiddellijk gevaar vormt, legt ze vei- ligheidsmaatregelen op. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van andere overheden om veiligheidsmaatregelen te treffen. §2. Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM. §3. Als de veiligheidsmaatregelen inrichtingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings- of vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in §1, als melding respectievelijk als milieuvergunning. Als de veiligheidsmaatregelen werken omvat die krachtens artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in §1, als stedenbouwkundige ver- gunning. §4. Veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige. AFDELING II Voorzorgsmaatregelen Artikel 70 §1. De OVAM kan voorzorgsmaatregelen opleggen met het oog op het beschermen van de mens of het milieu tegen de risico’s van bodemverontreiniging in afwachting van de uitvoering van bodemsanerings- werken.

[ 38 ] §2. Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen nood- zakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM. De exploitanten, gebruikers of eigenaars van de verontreinigde gron- den kunnen hierbij onder leiding van een bodemsa- neringsdeskundige voorzorgsmaatregelen voorstellen aan de OVAM. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel spreekt de OVAM zich uit over de voorgestelde voorzorgsmaatregelen en kan ze voor- zorgsmaatregelen opleggen. §3. Als de voorzorgsmaatregelen inrichtingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings- of vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in §1 of §2, als melding respectieve- lijk als milieuvergunning. Als de voorzorgsmaatregelen werken omvatten die krachtens artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de OVAM, vermeld in §1 of §2, als stedenbouwkundige vergunning. §4. Voorzorgsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige. AFDELING III Nazorg Artikel 71 §1. De OVAM kan nazorg opleggen in het conformi- teitsattest van het bodemsaneringsproject of van het beperkt bodemsaneringsproject, of in de eindverkla- ring. Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

[ 39 ] §2. De nazorg wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de voor- waarden, vermeld in het conformiteitsattest of de eindverklaring, en conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaard- procedure, wordt de nazorg uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. §3. De persoon die tot nazorg moet overgaan, stelt op verzoek van de OVAM financiële zekerheden tot waarborg van zijn verplichting om de nazorg uit te voeren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld. AFDELING IV Gebruiksbeperkingen Artikel 72 §1. Als de OVAM van oordeel is dat bodemveront- reiniging het gebruik van verontreinigde gronden beperkt of verhindert, kan ze gebruiksbeperkingen opleggen. Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155. §2. Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze gebruiksbeperkingen voorstellen aan de OVAM. AFDELING V Bestemmingsbeperkingen Artikel 73 §1. Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat bodemverontreiniging het gebruik van verontrei- nigde gronden overeenkomstig hun bestemming verhindert, kan ze op advies van de OVAM bestem- mingsbeperkingen opleggen, nadat de eigenaar en gebruiker van de verontreinigde gronden of desge- vallend de gemandateerde gehoord zijn.

[ 40 ] §2. Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze bestemmingsbeperkingen voorstellen aan de Vlaamse Regering. AFDELING VI Behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen ONDERAFDELING I Toepassingsgebied Artikel 74 De bepalingen van deze afdeling zijn enkel van toe- passing op schadegevallen die gemeld worden bij de bevoegde overheid binnen een termijn van veertien dagen nadat ze zich hebben voorgedaan en waarbij de effectieve behandeling van de bodemverontreini- ging kan worden uitgevoerd binnen honderdtach- tig dagen vanaf de melding van het schadegeval of vanaf de vaststelling van het schadegeval door de bevoegde overheid. ONDERAFDELING II Bevoegde overheid Artikel 75 De bevoegde overheid in het kader van deze afdeling is de OVAM als het schadegeval gebeurt op: 1° een grond in eigendom of beheer van een gemeente, autonoom gemeentebedrijf of interge- meentelijk samenwerkingsverband; 2° een grond waarop een inrichting gevestigd is die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning ingedeeld wordt in klasse 1; 3° een grond waarop een beschrijvend bodemonder- zoek of bodemsanering wordt uitgevoerd. In alle andere gevallen is de bevoegde overheid de burgemeester van de gemeente waar het schadegeval gebeurt.

[ 41 ] ONDERAFDELING III Procedure Artikel 76 §1. Als op een grond een schadegeval gebeurt, meldt de exploitant, gebruiker of eigenaar van de grond dit onverwijld aan de bevoegde overheid. In deze mel- ding geeft de exploitant, gebruiker of eigenaar aan welke maatregelen hij eventueel reeds genomen heeft ter uitvoering van zijn zorgvuldigheidsplicht. §2. De bevoegde overheid kan een schadegeval vast- stellen, een uitspraak doen over de aanpak van een schadegeval en maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen opleggen. De bevoegde overheid deelt haar beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de melding mee aan de personen, vermeld in artikel 80, voor zover deze door haar gekend zijn. Als een schadegeval overeenkomstig het eerste lid wordt vastgesteld, zijn de bepalingen van artikel 9, §2 en §4, niet van toepassing. Artikel 77 Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, §2, inrich- tingen omvatten die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning meldings- of vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, §2, als melding respectievelijk als milieuvergunning in de zin van voormeld decreet. Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, §2, werken omvatten die krachtens artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, §2, als stedenbouwkundige vergunning. Artikel 78 Na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, §2, wordt onder leiding van een bodem- saneringsdeskundige een evaluatierapport opgesteld waarin de resultaten van deze maatregelen worden opgenomen. Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt.

[ 42 ] Artikel 79 §1. Als de OVAM op basis van de resultaten opge- nomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, §2, nog altijd bodemverontreiniging aan- wezig is en dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, maant de OVAM de persoon, vermeld in artikel 11, aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. §2. Als de OVAM op basis van de resultaten opge- nomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemver- ontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, levert de OVAM aan de personen, vermeld in artikel 80, en aan de bevoegde overheid een verklaring af waarin de resultaten van de uitgevoerde maatregelen vastgesteld worden. ONDERAFDELING IV Aanduiding van de plichtige Artikel 80 De verplichting om onder leiding van een bodemsa- neringsdeskundige de maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen onver- wijld uit te voeren, rust op de volgende persoon: 1° de exploitant in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is die vergun- nings- of meldingsplichtig is krachtens voormeld decreet; 2° bij gebrek aan een exploitant: de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam; 3° bij gebrek aan een exploitant en gebruiker: de eigenaar van de grond waar de bodemverontrei- niging tot stand kwam.

[ 43 ] Artikel 81 Als de plichtige, vermeld in artikel 80, niet of in onvoldoende mate optreedt, maant de bevoegde overheid die persoon aan om zijn verplichtingen alsnog na te leven binnen een bepaalde termijn. Wordt binnen de gestelde termijn aan de aanmaning geen of in onvoldoende mate gevolg gegeven, kan de bevoegde overheid ambtshalve in zijn plaats de maatregelen, vermeld in artikel 76, §2, uitvoeren en de kosten ervan verhalen op de ingebrekeblijvende plichtige en de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is. Artikel 82 Wie overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling kosten maakt, kan deze verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van die persoon een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt. AFDELING VII Risicobeheer ONDERAFDELING I Toepassingsgebied Artikel 83 Risicobeheer heeft tot doel de risico’s verbonden aan een ernstige historische bodemverontreiniging te beheersen door het opstellen van een risicobeheers- plan, het uitvoeren van risicobeheersmaatregelen en het opstellen van opvolgingsrapporten. Ingeval een gemengde bodemverontreiniging die overeenkomstig artikel 27, §2, als een historische bodemverontreiniging moet worden behandeld, kan eveneens worden overgegaan tot risicobeheer.

[ 44 ] ONDERAFDELING II Risicobeheersplan Artikel 84 §1. Een risicobeheersplan stelt de wijze vast waarop de risico’s verbonden aan een ernstige bodemveront- reiniging worden beheerst. §2. De persoon die wenst over te gaan tot risicobe- heer, dient een verzoek tot opmaak van een risicobe- heersplan in bij OVAM, die zich uitspreekt over dit verzoek. Een risicobeheersplan wordt opgesteld onder lei- ding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het risicobe- heersplan opgesteld volgens een code van goede praktijk. Het risicobeheersplan steunt op de resultaten van een conformverklaard beschrijvend bodemonder- zoek. Als de OVAM van oordeel is dat de resultaten van dit bodemonderzoek onvoldoende actueel zijn om een accuraat beeld van de verontreinigingssitu- atie te geven, legt ze de verplichting op om binnen een welbepaalde termijn het beschrijvend bodemon- derzoek te actualiseren. §3. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststel- len betreffende de procedure voor indiening, goed- of afkeuring van het verzoek tot opmaak van een risi- cobeheersplan, alsmede betreffende de inhoud, ken- nisgeving, ontvankelijkheid en volledigheid van het risicobeheersplan en van de opvolgingsrapporten. Artikel 85 De bepalingen van artikel 49 tot en met 55 zijn van overeenkomstige toepassing op het risicobeheers- plan.

[ 45 ] Artikel 86 Om de tien jaar te rekenen vanaf de datum van con- formverklaring ervan moet het risicobeheersplan worden geactualiseerd. Bij gebrek aan periodieke actualisatie moet een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject worden opgesteld en bij de OVAM worden ingediend. ONDERAFDELING III Risicobeheersmaatregelen Artikel 87 De bepalingen van artikel 62 tot en met 66 zijn van overeenkomstige toepassing op risicobeheersmaatre- gelen. Artikel 88 De uitvoering van de risicobeheersmaatregelen wordt voortgezet tot voor de ernstige historische bodemver- ontreiniging tot bodemsanering wordt overgegaan, of tot de OVAM op basis van de opvolgingsrappor- ten van oordeel is dat er niet langer sprake is van een ernstige bodemverontreiniging en er bijgevolg geen verplichting meer bestaat om voor deze bodemver- ontreiniging een bodemsanering uit te voeren. ONDERAFDELING IV Verhouding risicobeheer en saneringsplicht Artikel 89 De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststel- len betreffende de schorsing van de verplichting tot bodemsanering in geval van risicobeheer.

[ 46 ] ONDERAFDELING V Financiële zekerheden 

Artikel 90 De persoon die tot risicobeheer overgaat, stelt op verzoek van de OVAM financiële zekerheden tot waarborg van de verplichtingen, vermeld in artike- len 19 en 25. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de financiële zekerheden worden gesteld. AFDELING VIII Bodempreventie- en bodembeheersplicht Artikel 91 §1. De Vlaamse Regering kan de activiteiten specifi- ceren waarvoor een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan moet worden voorgelegd aan de OVAM. Die verplichting rust op diegene die deze activiteit verricht. Hij kan voor de nakoming van deze verplichting een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie als vermeld in afdeling II van hoofdstuk VII. §2. Het individueel bodempreventie- en bodembe- heersplan dat overeenkomstig §1 moet worden opge- steld, bevat minstens een opgave van de maatregelen die diegene die de activiteit verricht, zal nemen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreini- ging die het gevolg is van de activiteit, vermeld in §1. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de verplichte inhoud, de goedkeu- ringsprocedure en de periodiciteit van de individuele bodempreventie- en bodembeheersplannen. §3. De erkende bodemsaneringsorganisatie, vermeld in afdeling II van hoofdstuk VII, moet voor degenen die er een beroep op doen voor het voldoen van de verplichting, vermeld in §1, een sectoraal bodempre- ventie- en bodembeheersplan opstellen. Een derge- lijk sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan moet een algemeen en een individueel deel bevatten. Het algemene deel bevat minstens de algemene maat- regelen ter voorkoming en beheersing van bodemver- ontreiniging die het gevolg is van de in §1 vermelde

[ 47 ] activiteit. Het individuele deel bevat de eventuele afwijkende of aanvullende maatregelen voor iedereen op wie deze paragraaf van toepassing is. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de verplichte inhoud, de goedkeuringsprocedure en de periodiciteit van de sectorale bodempreventie- en bodembeheersplannen. HOOFDSTUK VII Vrijwillige uitvoering van beschrijvend bodemon- derzoek, bodemsanering of andere maatregelen AFDELING I Algemeen Artikel 92 Zolang er krachtens deze titel voor een grond met historische bodemverontreiniging geen verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsane- ring bestaat, kan elk persoon als saneringswillige een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering onder toezicht van de OVAM uitvoeren. Een ander persoon dan de plichtige, vermeld in arti- kel 11 of 22, kan als saneringswillige de verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsane- ring, opgelegd krachtens deze titel, onder toezicht van de OVAM uitvoeren. De bepalingen van artikel 16 tot en met 18, artikel 25, en artikel 38 tot 68 zijn van overeenkomstige toepas- sing op de vrijwillige uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering, vermeld in het eerste en tweede lid, met behoud van de bevoegd- heid van de OVAM om op een later tijdstip de andere bepalingen van deze titel toe te passen. Artikel 93 Een ander persoon dan de plichtige, vermeld in arti- kel 80, kan als saneringswillige de verplichting tot behandeling van bodemverontreiniging bij schade- gevallen onder toezicht van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 75, uitvoeren. De bepalingen van artikel 74 tot en met 82 zijn van overeenkomstige toepassing.

[ 48 ] Artikel 94 Op een grond met een ernstige historische bodem- verontreiniging of met een gemengde bodemveront- reiniging als vermeld in artikel 27, §2, kan een ander persoon dan de plichtige, vermeld in artikel 22, onder toezicht van de OVAM overgaan tot risicobe- heer. De bepalingen van artikel 83 tot en met 90 zijn van overeenkomstige toepassing. AFDELING II Bodemsaneringsorganisaties ONDERAFDELING I Doelstelling en erkenning van bodemsaneringsorganisaties Artikel 95 §1. Een bodemsaneringsorganisatie is een rechtsper- soon die als maatschappelijk doel heeft het voorko- men en beheersen van bodemverontreiniging, alsook het begeleiden en stimuleren van de sanering van bodemverontreiniging die tot stand is gekomen naar aanleiding van de uitoefening van een activiteit als vermeld in artikel 91, §1. §2. Een bodemsaneringsorganisatie kan door de Vlaamse Regering worden erkend op voorwaarde dat ze mede is opgericht door een of meer organisa- ties die gezamenlijk minimaal 60% vertegenwoordi- gen van alle natuurlijke personen of rechtspersonen die de activiteit uitoefenen waarvoor de bodemsane- ringsorganisatie is opgericht. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure tot erkenning als bodemsaneringsorganisatie. Ze bepaalt tevens de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning en kan bijkomende erkenningsvoorwaar- den bepalen.

[ 49 ] ONDERAFDELING II Verplichte taken van erkende bodemsaneringsorganisaties 

Artikel 96 Een erkende bodemsaneringsorganisatie heeft minstens de volgende taken met betrekking tot de bodemverontreiniging die het gevolg is van de activi- teit waarvoor ze is opgericht: 1° het opmaken van een sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan overeenkomstig artikel 91, §3; 2° het stimuleren en optimaliseren van onderzoeks- en saneringsconcepten; 3° het verlenen van advies inzake preventie, beheer- sing, bodemonderzoek en bodemsanering van de bodemverontreiniging, alsook inzake de voorbe- reiding en opvolging van voorzorgsmaatregelen, aan diegenen die voor de vervulling van hun ver- plichting, vermeld in artikel 91, §1, een beroep doen op de erkende bodemsaneringsorganisatie. ONDERAFDELING III Facultatieve taken van erkende bodemsaneringsorganisaties Artikel 97 §1. De persoon, vermeld in artikel 11 of 22, die sane- ringsplichtig is voor bodemverontreiniging die het gevolg is van een activiteit waarvoor een erkende bodemsaneringsorganisatie is opgericht, kan min- stens voor de historische bodemverontreiniging die veroorzaakt is door die activiteit, de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering aan die erkende bodemsanerings- organisatie overdragen, op voorwaarde dat hij hier- voor met die erkende bodemsaneringsorganisatie een overeenkomst sluit, volgens de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt. Door die overeenkomst komt de plicht tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering voor de bodemverontreiniging zoals vervat in de overeenkomst te liggen bij de erkende bodemsaneringsorganisatie. In geval van beëindiging van de overeenkomst keert de plicht tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering terug.

[ 50 ] §2. De erkende bodemsaneringsorganisatie voert de saneringen waarvoor ze conform §1 saneringsplichtig is uit overeenkomstig de termijnen die opgeno- men zijn in het saneringsprogramma dat jaarlijks aan de OVAM ter goedkeuring moet worden voor- gelegd. Dat saneringsprogramma omvat minstens de lijst en de prioriteit van alle beschrijvende bodemon- derzoeken en bodemsaneringen waartoe de erkende bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig §1. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen met betrekking tot de verplichte inhoud en de goedkeuringsprocedure van het saneringsprogramma. §3. Voor de bodemonderzoeken en bodemsaneringen die worden uitgevoerd in het kader van §2, kan de Vlaamse Regering afwijkingen toestaan op de toepas- sing van artikel 38 tot en met 68 en van artikel 71. 

ONDERAFDELING IV Subsidies 

Artikel 98 De Vlaamse Regering kan subsidies toekennen aan een erkende bodemsaneringsorganisatie voor de gedeeltelijke financiering van de taken inzake his- torische bodemverontreiniging of als historisch te beschouwen bodemverontreiniging die is veroorzaakt door de activiteit waarvoor een erkende bodemsa- neringsorganisatie is opgericht. Voor gevallen van gemengde bodemverontreiniging kan de aan de erkende bodemsaneringsorganisatie toegekende sub- sidie alleen worden aangewend voor de gedeeltelijke financiering van de taken inzake het als historisch te beschouwen deel van de bodemverontreiniging. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de subsidies vast.

ONDERAFDELING V Toezicht en sancties 

Artikel 99 De Vlaamse Regering en de OVAM houden toezicht op de vervulling van de taken die krachtens deze afdeling rusten op een erkende bodemsaneringsor- ganisatie. De Vlaamse Regering kan de nadere regels hiervoor bepalen.

[ 51 ] Artikel 100 Als een erkende bodemsaneringsorganisatie de ver- plichtingen in deze afdeling niet of onvoldoende naleeft, kan de Vlaamse Regering de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie schorsen of ophef- fen. De Vlaamse Regering bepaalt hiervan de nadere voorwaarden. 

HOOFDSTUK VIII Overdrachten 

AFDELING I Overeenkomst betreffende de overdracht van gronden 

Artikel 101 §1. Voor het sluiten van een overeenkomst betref- fende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver. Het bodemattest wordt afgeleverd binnen een ter- mijn van dertig dagen na ontvangst van de ontvan- kelijke aanvraag. Als de aanvraag betrekking heeft op een risicogrond wordt het bodemattest afgeleverd binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. §2. De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest. §3. In alle akten betreffende de overdracht van gronden, neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het slui- ten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest. De instrumen- terende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op.

[ 52 ] AFDELING II Overdracht van risicogronden 

ONDERAFDELING I Algemene bepalingen A. Verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren 

Artikel 102 §1. Risicogronden kunnen slechts overgedragen wor- den als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd. §2. Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de persoon, vermeld in artikel 29 of 30. 

B. Melding van overdracht

Artikel 103 De overdrager of desgevallend de gemandateerde meldt aan de OVAM zijn bedoeling om tot de over- dracht over te gaan. Op straffe van onontvankelijkheid voegt hij bij de melding een verslag van het oriënterend bodemonderzoek of een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststel- len betreffende de modaliteiten van de melding van overdracht.

[ 53 ] ONDERAFDELING II Nieuwe bodemverontreiniging A. Saneringsplicht 

Artikel 104 §1. Als de OVAM op basis van het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 102, van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat een risicogrond is aangetast door een nieuwe bodemver- ontreiniging die de bodemsaneringsnormen over- schrijdt of dreigt te overschrijden, maant de OVAM binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van overdracht de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. Als de OVAM niet binnen de termijn van zestig dagen heeft aangemaand, kan de overdracht plaats- vinden, met behoud van de mogelijkheid voor de OVAM om de andere bepalingen van deze titel later toe te passen. §2. Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van ori- enterend en beschrijvend bodemonderzoek of het grondeninformatieregister van oordeel is dat de bodemsaneringsnormen overschreden zijn, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de overdrager of desgevallend de gemandateerde: 1° een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject heeft opgesteld en hier- voor een conformiteitsattest werd afgeleverd; 2° jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren; 3° financiële zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van de verbintenis, vermeld in 2°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld. §3. Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan bodemsaneringsnormen kan worden getoetst, zijn de bepalingen van dit arti- kel van overeenkomstige toepassing als er een ern- stige bodemverontreiniging aanwezig is.

[ 54 ] B. Vrijstelling van de saneringsplicht 

Artikel 105 §1. De overdrager of desgevallend de gemandateerde is niet verplicht om op de aanmaning tot het uit- voeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan of de vereisten, vermeld in artikel 104, §2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of desgevallend de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elemen- ten voldaan is: 1° de bodemverontreiniging is niet op de over te dra- gen grond tot stand gekomen; 2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voor- waarden, vermeld in artikel 12, §1, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker; 3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voor- waarden, vermeld in artikel 12, §2, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar; 4° de exploitant of gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, voldoet niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, §1, en de bodemverontreiniging is volledig tot stand geko- men tijdens de periode dat de exploitant de grond in exploitatie of de gebruiker de grond in gebruik had, als het gaat om een overdrager die de hoeda- nigheid heeft van eigenaar. §2. In afwijking van de bepalingen van §1 is de over- drager alsnog verplicht het beschrijvend bodemon- derzoek uit te voeren of de verplichtingen, vermeld in artikel 104, §2, na te leven als de OVAM een van de volgende elementen aantoont: 1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tij- dens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had.

[ 55 ] Artikel 106 De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot vrijstelling van de ver- plichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek en de verplichtingen, vermeld in artikel 104, §2.

Artikel 107 De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de overdraagbaarheid van de vrijstelling van de verplichtingen, vermeld in artikel 104. C. Administratief beroep Artikel 108 Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 105, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

ONDERAFDELING III Historische bodemverontreiniging 

A. Saneringsplicht

Artikel 109 §1. Als de OVAM op basis van het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 102, van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat een risicogrond is aangetast door een ernstige historische bodemverontreiniging, maant de OVAM binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de mel- ding van overdracht de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. Als de OVAM niet binnen de termijn van zestig dagen heeft aangemaand, kan de overdracht plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid voor de OVAM om de andere bepalingen van deze titel later toe te passen.

[ 56 ] §2. Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van oriën- terend en beschrijvend bodemonderzoek of het gron- deninformatieregister van oordeel is dat de grond is aangetast door een ernstige historische bodemver- ontreiniging, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde: 1° een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject heeft opgesteld en hier- voor een conformiteitsattest werd afgeleverd; 2° jegens OVAM de verbintenis heeft aangegaan de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren; 3° financiële zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van de verbintenis, vermeld in 2°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld. B. Vrijstelling van de saneringsplicht Artikel 110 §1. De overdrager of in voorkomend geval de geman- dateerde is niet verplicht om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan of de vereisten vermeld in artikel 109, §2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd stand- punt van de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is: 1° de bodemverontreiniging is niet tot stand geko- men op de over te dragen grond; 2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voor- waarden, vermeld in artikel 23, §1, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker; 3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voor- waarden, vermeld in artikel 23, §2, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar;

[ 57 ] 4° de exploitant of gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, voldoet niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, §1, en de bodemverontreiniging is volledig tot stand geko- men tijdens de periode dat de exploitant de grond in exploitatie of de gebruiker de grond in gebruik had, als het gaat om een overdrager die de hoeda- nigheid heeft van eigenaar. §2. In afwijking van de bepalingen van §1 is de over- drager alsnog verplicht het beschrijvend bodemon- derzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, §2, na te leven, als de OVAM een van de volgende elementen aantoont: 1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tijdens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had. Artikel 111 De bepalingen van artikelen 106 en 107 zijn van overeenkomstige toepassing. C. Administratief beroep Artikel 112 Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 110, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155. ONDERAFDELING IV Gemengde bodemverontreiniging Artikel 113 In geval van gemengde bodemverontreiniging wordt conform artikelen 26 en 27 bepaald welke bepalin- gen van deze afdeling van overeenkomstige toepas- sing zijn.

[ 58 ] ONDERAFDELING V Overname uitvoering van verplichtingen Artikel 114 De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de overname van de uitvoering van de verplichtingen om tot overdracht van risicogronden te kunnen overgaan. ONDERAFDELING VI Versnelde overdrachtsprocedure Artikel 115 §1. In afwijking van de bepalingen van artikelen 104, §2, en 109, §2, kan de overdracht toch plaatsvinden op voorwaarde dat de versnelde overdrachtsproce- dure, vermeld in §2 tot en met §5, wordt nageleefd. §2. De overdrager of de gemandateerde of de per- soon, die de verplichtingen om tot overdracht van risicogrond te kunnen overgaan heeft overgenomen krachtens artikel 114, en de verwerver melden samen aan de OVAM hun bedoeling om de versnelde over- drachtsprocedure toe te passen. Zij voegen bij deze melding de volgende documen- ten: 1° het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, voor zover de OVAM daarvan nog niet in het bezit is; 2° een kostenraming van de bodemsanering en de eventuele nazorg, opgemaakt door een bodemsa- neringsdeskundige; 3° een schriftelijke verklaring van een andere bodem- saneringsdeskundige die optreedt in opdracht van de verwerver, dat hij akkoord gaat met de bevindingen van het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, vermeld in 1°, en de kostenraming, vermeld in 2°.

[ 59 ] §3. Binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van alle documenten, vermeld in §2, spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het bodemonderzoek en het verzoek tot toepassing van de versnelde overdrachtsprocedure. Als de OVAM zich niet binnen de termijn van zes- tig dagen heeft uitgesproken, kan de overdracht plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid om de andere bepalingen van dit decreet later toe te passen. §4. Als uit het verslag van beschrijvend bodemonder- zoek, uit het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of uit het grondeninformatieregis- ter blijkt dat de grond is aangetast door een nieuwe bodemverontreinging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt, door een ernstige historische bodemver- ontreiniging of door een gemengde bodemverontrei- niging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt dan wel een ernstige bodemverontreiniging vormt naargelang de toepasselijke regeling krachtens de bepalingen van artikel 27, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de verwerver: 1° jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan om een bodemsaneringsproject op te stellen en de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren; 2° financiële zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van zijn verplichtingen over- eenkomstig 1°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiële zekerheden worden gesteld. §5. Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslis- singen van de OVAM, vermeld in §3 en §4, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155. AFDELING III Nietigheid en niet-tegenstelbaarheid Artikel 116 §1. De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalin- gen van afdeling I.

[ 60 ] De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaar- den: 1° de verwerver is in het bezit gesteld van het meest recent afgeleverde bodemattest of van een bodemattest waarvan de inhoud identiek is aan de inhoud van het meest recent afgeleverde bodemattest; 2° de verwerver laat zijn verzaking aan de nietig- heidsvordering uitdrukkelijk in een authentieke akte vaststellen. §2. De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalin- gen van afdeling II. De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaar- den: 1° de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk werden alsnog nageleefd; 2° de verwerver laat zijn verzaken aan de nietig- heidsvordering uitdrukkelijk in een authentieke akte opnemen. §3. De overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk is niet tegenstelbaar jegens de OVAM. Artikel 117 In de akte houdende overdracht van de gronden ver- meldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepa- lingen van dit hoofdstuk werden toegepast. AFDELING IV Afstand van eigendomsrecht Artikel 118 Afstand van het eigendomsrecht of van de andere zakelijke rechten, vermeld in artikel 2, 18°, ontslaat de houder van het zakelijk recht niet van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodem- sanering uit te voeren die op hem rusten krachtens de bepalingen van dit decreet.

[ 61 ] HOOFDSTUK IX Onteigening van gronden AFDELING I Bepalingen van toepassing op alle onteigeningen Artikel 119 De overheid die van plan is over te gaan tot ontei- gening vraagt bij de OVAM een bodemattest aan betreffende de gronden die ze wil onteigenen. Het bodemattest wordt afgeleverd binnen dertig dagen na de ontvankelijke aanvraag. Als de aan- vraag betrekking heeft op een risicogrond wordt het bodemattest afgeleverd binnen zestig dagen na de ontvankelijke aanvraag. AFDELING II Bepalingen van toepassing op de onteigening van risicogronden Artikel 120 §1. Risicogronden kunnen slechts onteigend worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek heeft plaatsgehad. §2. Het oriënterend bodemonderzoek wordt op ini- tiatief en op kosten van de onteigenende overheid uitgevoerd. §3. De onteigenende overheid meldt aan de OVAM de bedoeling om tot onteigening over te gaan. Op straffe van onontvankelijkheid voegt zij bij de mel- ding een verslag van het oriënterend bodemonder- zoek of desgevallend een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van deze melding.

[ 62 ] Artikel 121 §1. De OVAM maant de onteigenende overheid bin- nen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van de onteigening aan om een beschrij- vend bodemonderzoek uit te voeren, als ze op basis van het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 120, van oordeel is dat er duidelijke aanwij- zingen zijn van de aanwezigheid op de te onteigenen risicogrond van: 1° een nieuwe bodemverontreiniging die de bodem- saneringsnormen overschrijdt of dreigt te over- schrijden; 2° een ernstige historische bodemverontreiniging; 3° een gemengde bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden dan wel een ernstige bodemveront- reiniging vormt naargelang de toepasselijke rege- ling krachtens de bepalingen van artikelen 26 en 27. §2. De onteigening kan plaatsvinden nadat de OVAM een conformiteitsattest voor het beschrijvend bodemonderzoek of het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek heeft afgeleverd. Als de OVAM zich niet binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek over de confor- miteit van het beschrijvend bodemonderzoek heeft uitgesproken, kan de onteigening plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid om de andere bepalin- gen van deze titel later toe te passen. HOOFDSTUK X Sluiting van een risico-inrichting Artikel 122 §1. Binnen een termijn van negentig dagen na de slui- ting van een risico-inrichting wordt een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was. §2. Het oriënterend bodemonderzoek wordt op initi- atief en op kosten van de exploitant uitgevoerd.

[ 63 ] §3. De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichting. Op straffe van onontvanke- lijkheid voegt hij bij de melding een verslag van het oriënterend bodemonderzoek of desgevallend een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemon- derzoek. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van deze melding. §4. De bepalingen van artikel 104 tot en met 113 zijn van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK XI Faillissement en vereffening Artikel 123 §1. Als een handelaar of een vennootschap die een risico-inrichting exploiteert, failliet wordt verklaard, brengt de curator binnen een termijn van dertig dagen na het vonnis van faillietverklaring de OVAM bij aangetekende brief daarvan op de hoogte. Naar aanleiding van de vereffening in het kader van het faillissement wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gron- den waar de gefailleerde de risico-inrichting exploi- teerde. §2. Als een vennootschap die een risico-inrichting exploiteert in vereffening wordt gesteld, brengt de vereffenaar binnen een termijn van dertig dagen na het vonnis van invereffeningstelling of na de beslis- sing tot invereffeningstelling, de OVAM bij aangete- kende brief daarvan op de hoogte. Naar aanleiding van de vereffening van de vennootschap wordt op initiatief van de vereffenaar een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de gronden waar de betreffende vennootschap de risico-inrichting exploi- teerde. §3. De OVAM kan een termijn bepalen waarbinnen het oriënterend bodemonderzoek, vermeld in §1 en §2, moet worden uitgevoerd. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst spreekt de OVAM zich uit over het ingediende ver- slag van oriënterend bodemonderzoek en stelt ze de curator of de vereffenaar, en de eigenaar en de gebruiker van de grond hiervan in kennis.

[ 64 ] HOOFDSTUK XII Waterbodems

AFDELING I Waterbodemonderzoek

ONDERAFDELING I Verplichting om een waterbodemonderzoek uit te voeren 

Artikel 124 §1. De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren. §2. Een waterbodemonderzoek kan worden uitge- voerd door een andere persoon dan de beheerder van de waterbodem.

ONDERAFDELING II Doel, inhoud en procedure

Artikel 125 §1. Een waterbodemonderzoek heeft tot doel uit te maken of er een ernstige bodemverontreiniging ter hoogte van de waterbodem bestaat. Het beoogt een beschrijving te geven van de aard, hoeveelheid, concentratie, oorsprong en omvang van de veront- reinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstel- ling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater. Daarnaast kunnen in een waterbodemonderzoek gegevens worden opgenomen met betrekking tot de inschatting van het gevaar op blootstelling aan de bodemverontreiniging van mensen, planten en die- ren en van het grond- en oppervlaktewater bij een potentieel andere bestemming.

[ 65 ] §2. Een waterbodemonderzoek bestaat uit een histo- risch onderzoek en een monsterneming van de water- bodem en de gronden die verontreinigd kunnen zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreini- ging van de waterbodem of het oppervlaktewater. §3. Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonder- zoek uitgevoerd volgens een code van goede prak- tijk. §4. Een waterbodemonderzoek kan gefaseerd wor- den uitgevoerd in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de standaardprocedure, ver- meld in §3. ONDERAFDELING III Conformverklaring van het waterbodemonderzoek

Artikel 126 Binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verslag van het waterbodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalingen van deze afdeling, en levert ze een conformiteitsattest af of legt ze aan- vullende onderzoeksverrichtingen op. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betref- fende de kennisgeving en de conformverklaring van het waterbodemonderzoek en de inhoud en de ken- nisgeving van het conformiteitsattest.

ONDERAFDELING IV Ernst van de bodemverontreiniging

Artikel 127 Op het moment van de conformverklaring van het waterbodemonderzoek beoordeelt de OVAM of er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging.

[ 66 ] ONDERAFDELING V Administratief beroep

Artikel 128 Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissin- gen van de OVAM, vermeld in artikelen 126 en 127, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeen- komstig artikel 153 tot 155. ONDERAFDELING VI Ambtshalve waterbodemonderzoek Artikel 129 Onverminderd de bevoegdheden van de toezicht- houdende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de Vlaamse Regering de OVAM belas- ten om ambtshalve een waterbodemonderzoek uit te voeren.

AFDELING II Saneringsplicht

ONDERAFDELING I Saneringscriterium

Artikel 130 §1. Er wordt overgegaan tot bodemsanering als het waterbodemonderzoek de aanwezigheid van een ern- stige bodemverontreiniging aantoont. §2. De Vlaamse Regering wijst die waterbodems met een ernstige bodemverontreiniging aan, evenals de gronden die verontreinigd zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbo- dem of het oppervlaktewater, waar bodemsanering prioritair moet plaatsvinden. De Vlaamse Regering kan zich bij de prioriteitsbepaling baseren op de beheersplannen, vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

[ 67 ] ONDERAFDELING II Saneringsdoel Artikel 131 De bepalingen van artikel 21 zijn van overeenkom- stige toepassing. ONDERAFDELING III Aanduiding van de plichtige tot uitvoering en (pre)financiering van de bodemsanering Artikel 132 §1. De verplichting om op eigen kosten de bodem- sanering uit te voeren, rust op de beheerder van de waterbodem. §2. De persoon, vermeld in §1, kan de kosten van de bodemsanering verhalen op de persoon die overeen- komstig artikel 25 aansprakelijk is en kan van deze saneringsaansprakelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt. §3. De bodemsanering kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de saneringsplichtige per- soon, vermeld in §1. ONDERAFDELING IV Vrijstelling van de saneringsplicht Artikel 133 De bepalingen van artikel 23 zijn van overeenkom- stige toepassing. ONDERAFDELING V Aansprakelijkheid Artikel 134 De bepalingen van artikel 25 zijn van overeenkom- stige toepassing.

[ 68 ] AFDELING III Bodemsanering 

Artikel 135 De bepalingen van hoofdstuk V en hoofdstuk VI zijn van overeenkomstige toepassing op de bodem- sanering van waterbodems, met uitzondering van de bepalingen van artikel 50, §2, en de bepalingen vastgesteld krachtens artikelen 48, 58, §2, en 66, voor zover de saneringswerken plaatsvinden binnen een strook vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam tot vijf meter landin- waarts. HOOFDSTUK XIII Het gebruik van uitgegraven bodem 

AFDELING I Toepassingsgebied 

Artikel 136 De bepalingen van dit hoofdstuk regelen het gebruik van uitgegraven bodem. De bepalingen van dit hoofdstuk gelden ook voor gereinigde uitgegraven bodem en uitgegraven bodem waarop een fysische scheiding wordt toegepast. Artikel 137 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toe- passing op het gebruik van primaire oppervlaktedelf- stoffen, als vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, op delfstoffen die in grindwinningsgebieden volgens het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning ontgonnen worden en op ingevoerde minerale delfstoffen die als geologi- sche afzetting in hun natuurlijke staat ontgonnen worden.

[ 69 ] AFDELING II Algemene bepalingen Artikel 138 §1. Om de verspreiding van bodemverontreiniging te beheersen stelt de Vlaamse Regering nadere regelen vast betreffende de voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven bodem, de procedure voor het tra- ceren van uitgegraven bodem en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats en grondreinigingscentrum als vermeld in artikel 139 hierbij vervult. §2. De Vlaamse Regering kan het gebruik van uitge- graven bodem afhankelijk maken van het opstellen van een technisch verslag. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast met betrekking tot de inhoud van het technisch verslag. Een technisch verslag wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het tech- nisch verslag opgesteld volgens een code van goede praktijk. AFDELING III Erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum Artikel 139 §1. De Vlaamse Regering is bevoegd om een rechts- persoon te erkennen als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum voor het uitvoeren van de taken, vastgesteld door de Vlaamse Regering krachtens de bepalingen van arti- kel 138, §1. §2. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, schorsing en opheffing van de erkenning als bodembeheerorganisatie, tus- sentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum, evenals de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.

[ 70 ] §3. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de OVAM de taken van een erkende bodem- beheerorganisatie kan overnemen. De Vlaamse Rege- ring kan ook nadere regelen vaststellen betreffende de procedure en de voorwaarden tot overname van de taken door de OVAM. HOOFDSTUK XIV Sites AFDELING I Vaststelling van een site Artikel 140 §1. De OVAM kan een site vaststellen op basis van bodemverontreiniging of potentiële bodemveront- reiniging. Deze vaststelling wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Alle belanghebbenden kunnen binnen een termijn van dertig dagen na de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad tegen deze vaststelling beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155. §2. De Vlaamse Regering kan een site vaststellen op basis van andere factoren dan bodemverontreini- ging of potentiële bodemverontreiniging, na advies van de OVAM inzake de bodemverontreiniging of potentiële bodemverontreiniging. Deze vaststelling kan vergezeld zijn van een potentiële nabestemming en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. In deze vaststelling kan de Vlaamse Regering afwij- ken van de regeling, vastgesteld krachtens de bepa- lingen van artikel 138. In dat geval kan de Vlaamse Regering bepalen dat artikel 141 niet van toepassing is op de site.

[ 71 ] AFDELING II Verplichting om een site-onderzoek uit te voeren Artikel 141 §1. De vaststelling als site heeft van rechtswege tot gevolg dat binnen honderdtachtig dagen na de dag van bekendmaking van de aanduiding in het Bel- gisch Staatsblad een site-onderzoek moet worden uitgevoerd. §2. Alle belanghebbenden kunnen, op straffe van verval, binnen een termijn van zestig dagen na de dag van bekendmaking van de aanduiding van de site in het Belgisch Staatsblad bij aangetekende brief een gemotiveerd verzoek indienen bij de OVAM tot exoneratie van enige verplichting tot het uitvoeren van een site-onderzoek. §3. De OVAM doet uitspraak binnen zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerd verzoek, vermeld in §2. De OVAM is daarbij niet gebonden door de grenzen van de grond die het voorwerp uitmaakt van het ver- zoek tot exoneratie, maar kan ook uitspraak doen zowel over andere gronden die behoren tot de site als over de gehele site. De OVAM deelt haar beslis- sing mee aan de eigenaars en gebruikers van de bij de beslissing betrokken gronden. Na de toekenning van de exoneratie, kan de OVAM in geval van overdracht van een tot de site behorende grond, vrijstelling verlenen van de onderzoeksplicht, vermeld in artikel 102, §1. §4. Binnen een termijn van dertig dagen na de ken- nisgeving van de beslissing van de OVAM, vermeld in §3, kunnen alle belanghebbenden tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de Vlaamse Rege- ring overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

[ 72 ] AFDELING III Verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek en bodemsanering uit te voeren op een site

Artikel 142 De bepalingen van artikel 38 tot en met 68 zijn van overeenkomstige toepassing op sites. 

AFDELING IV Site versus grond

Artikel 143 De toepassing van dit hoofdstuk heeft geen schor- send effect op de toepassing van de bepalingen van dit decreet op een grond die deel uitmaakt van een site, behoudens uitdrukkelijke andersluidende beslis- sing van de OVAM. De OVAM garandeert zonodig een optimale coördinatie. Artikel 144 Iedere beslissing van de Vlaamse Regering of van de OVAM betreffende een site, geldt onverkort voor iedere van deze site deeluitmakende grond. Iedere beslissing van de Vlaamse Regering of van OVAM betreffende een grond geldt, behoudens uitdrukke- lijk andersluidende beslissing, uitsluitend voor deze grond. AFDELING V Algemene bepaling Artikel 145 De bepalingen van artikel 69 tot en met 139 zijn van overeenkomstige toepassing op sites.

[ 73 ] HOOFDSTUK XV Administratief beroep 

AFDELING I Beroep tegen beslissingen in verband met het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject en het risicobeheersplan Artikel 146 Tegen de conformverklaring van het bodemsane- ringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of het risicobeheersplan, of tegen de vaststelling van de voorwaarden en de termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken of de risicobeheersmaat- regelen in het conformiteitsattest van het bodemsa- neringsproject, beperkt bodemsaneringsproject of risicobeheersplan, kan beroep worden aangetekend bij ter post aangetekende zending met ontvangst- bewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs bij de Vlaamse Regering. De volgende personen kunnen beroep aantekenen: 1° de personen en organen, vermeld in artikel 50, §2, eerste lid; 2° de personen waarvan de gronden opgenomen zijn in de conformverklaring van het bodemsa- neringsproject, beperkt bodemsaneringsproject of risicobeheersplan waarop geen werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodem- sanering of het risicobeheer uit te voeren; 3° de personen, vermeld in artikel 24, §1, 5°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieu- vergunning als het bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject inrichtingen omvat die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning vergunnings- plichtig zijn. Artikel 147 Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijk- heid, aangetekend of afgegeven tegen ontvangst- bewijs binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van het conformiteitsattest, respectie- velijk binnen dertig dagen na de eerste dag van de

[ 74 ] aanplakking van de beslissing overeenkomstig arti- kel 51, §2, tweede lid, wanneer het beroep wordt aan- getekend door de personen, vermeld in artikel 146, 2° en 3°. Artikel 148 Bij het beroepschrift worden, op straffe van onont- vankelijkheid, de volgende documenten gevoegd: 1° een afschrift van de bestreden beslissing; 2° in het geval het beroep wordt aangetekend door de personen, vermeld in artikel 146, 2° en 3°, een attest van de burgemeester waaruit de bekend- making overeenkomstig artikel 50, §2, tweede lid, blijkt. Artikel 149 Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep, wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemach- tigde ambtenaar bij aangetekende brief in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep. Artikel 150 §1. Inzake de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing waarbij de OVAM uitspraak heeft gedaan als bodemsaneringsdeskundige, met name de beslissingen, vermeld in artikelen 50, §1, 52, 53, 58, §1, en 59, beperkt het administratief beroep zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering in haar beslissing uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing. §2. Binnen een termijn van negentig dagen na de ver- zendingsdatum van de kennisgeving van het ontvan- kelijk beroep, doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing van de Vlaamse Rege- ring wordt binnen tien dagen na datum van deze beslissing bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijk beroep. §3. Als de uitspraak over het ingediende beroep en de kennisgeving ervan niet gebeurt binnen de termijn, vermeld in §2, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.

[ 75 ] §4. De uitspraak wordt op de wijze, vermeld in arti- kel 50, §2, tweede lid bekendgemaakt. Artikel 151 Het beroep is schorsend wanneer het wordt inge- diend door het college van burgemeester en sche- penen of de andere overheidsorganen, vermeld in artikel 50, §2, eerste lid, 5°. Artikel 152 De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de procedure voor de behandeling van het beroep. AFDELING II Andere beroepen Artikel 153 Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsproce- dure in artikel 146 tot en met 152 geregeld is, kan door elke belanghebbende tegen elke beslissing van de OVAM waartegen overeenkomstig dit decreet beroep openstaat, bij de Vlaamse Regering een niet- schorsend beroep worden aangetekend bij ter post aangetekende zending met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs. Artikel 154 Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, aangetekend binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van de OVAM. Artikel 155 §1. Inzake de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing waarbij de OVAM uitspraak heeft gedaan als bodemsaneringsdeskundige, met name de beslissingen vermeld in artikelen 27, 39, §1, 40, 41, 63, 64, 68, 71, §1, 72, §1, 115, §3 en §4, 126 en 127, beperkt het administratief beroep zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering

[ 76 ] in haar beslissing uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de overwegingen en onderdelen van de bestreden beslissing. §2. De bepalingen van artikelen 149, 150, §2, en 152 zijn van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK XVI Ambtshalve tussenkomst van de OVAM Artikel 156 Als de persoon die krachtens dit decreet verplicht is om een oriënterend bodemonderzoek, site-onder- zoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, uit te voeren niet of in onvoldoende mate optreedt, wordt hij door de OVAM aangemaand zijn verplich- tingen alsnog na te leven binnen een bepaalde ter- mijn. Geeft hij aan de aanmaning geen gevolg, dan kan de OVAM beslissen om ambtshalve in zijn plaats op te treden. Artikel 157 De OVAM kan beslissen om ambtshalve een beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in afdelingen III, VI en VII van hoofdstuk VI, uit te voeren, als de exploi- tant, gebruiker en eigenaar van de gronden waar de bodemverontreiniging tot stand kwam niet gehouden is om een beschrijvend bodemonderzoek of bodem- sanering uit te voeren krachtens de bepalingen van artikel 13 of 23, artikel 105 of 110, of artikel 133. Artikel 158 In geval van toekenning van een exoneratie, vermeld in artikel 141, §2, kan de OVAM beslissen om ambts- halve een site-onderzoek of desgevallend ambtshalve een beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in afdelingen III, VI en VII van hoofdstuk VI, op siteniveau uit te voe- ren.

[ 77 ] Artikel 159 Als de OVAM ambtshalve optreedt, kan ze zich laten bijstaan door andere overheidsinstellingen, onderne- mingen of deskundigen. Artikel 160 Als de OVAM ambtshalve optreedt krachtens artikel 156, verhaalt zij de kosten op de persoon, vermeld in artikel 156, of op de persoon die aansprakelijk is overeenkomstig artikel 16 of 25. Als de OVAM ambtshalve optreedt krachtens artikel 157 of 158, verhaalt zij de kosten op de persoon die aansprake- lijk is overeenkomstig artikel 16 of 25. Artikel 161 §1. Op grond van de beslissing van de OVAM krach- tens artikelen 156, 157 of 158 om ambtshalve een oriënterend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, uit te voeren, heeft de OVAM tot zekerheid van de voldoening van de kosten van de ambtshalve uitvoe- ring ervan een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de personen, vermeld in artikel 160, en kan ze een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van deze personen. §2. Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel. §3. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens de betekende beslissing tot ambtshalve uitvoering van een oriënterend bodem- onderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodem- onderzoek, bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI. §4. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering.

[ 78 ] De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande beroep, op voorlegging van een afschrift van de beslissing tot ambtshalve uitvoering van een oriënterend bodem- onderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodem- onderzoek, bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, die eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en die melding maakt van de betekening ervan. §5. Artikel 19, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde kos- ten van de ambtshalve uitvoering van een oriënte- rend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatre- gelen, vermeld in hoofdstuk VI, waarvoor een beslis- sing door de OVAM genomen werd en waarvan de betekening aan de personen, vermeld in artikel 160, is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. HOOFDSTUK XVII Retributies Artikel 162 §1. De Vlaamse Regering kan de toegankelijkheid van het grondeninformatieregiser afhankelijk stellen van de betaling van een retributie. §2. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een verslag van oriënterend bodemonderzoek, een verslag van site-onderzoek, een verslag van beschrij- vend bodemonderzoek, een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek, een verslag van aanvullende onderzoeksverrichtingen, evenals een bodemsaneringsproject, een beperkt bodemsane- ringsproject, een aangevuld of gewijzigd bodem- saneringsproject en een eindevalutieonderzoek afhankelijk stellen van de betaling van een retribu- tie. §3. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot vrijstelling van de saneringsplicht afhankelijk stellen van de betaling van een retribu- tie. §4. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot cofinanciering en van de aanvraag tot toepassing van de draagkrachtregeling afhanke- lijk stellen van de betaling van een retributie.

[ 79 ] §5. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot erkenning als bodemsaneringsdeskun- dige, bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslag- plaats en grondreinigingscentrum afhankelijk stellen van de betaling van een retributie. §6. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot toepassing van haar bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie. §7. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een beroep, vermeld in artikelen 146 en 153, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie. §8. Als de OVAM ambtshalve optreedt overeenkom- stig artikelen 156, 157 of 158 zijn de ingebrekeblij- vende plichtige of de aansprakelijke personen een retributie verschuldigd aan de OVAM. §9. Als de Vlaamse Regering in de gevallen, vermeld in §1 tot en met §7, een retributie vaststelt, moet, op straffe van onontvankelijkheid, het bewijs van beta- ling van de retributie gevoegd worden: 1° bij de aanvraag van een bodemattest; 2° bij het verslag van oriënterend bodemonder- zoek, het verslag van beschrijvend bodemonder- zoek, het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van aanvullende onderzoeksverrichtingen, het bodemsanerings- project, het beperkt bodemsaneringsproject, het aangevuld of gewijzigd bodemsaneringsproject en het eindevalutieonderzoek; 3° de aanvraag, vermeld in §3 tot en met §6; 4° het beroep, vermeld in §7. Artikel 163 §1. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de retributies, vermeld in §1 tot en met §8. §2. De Vlaamse Regering duidt de ambtenaren van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributies, vermeld in artikel 162, en bepaalt de nadere regelen betreffende hun bevoegdheid.

[ 80 ] HOOFDSTUK XVIII Bevoegdheden van de Vlaamse Regering

AFDELING I Schikkingen, dadingen, overdracht van schuldvorderingen en zekerheden, subrogatie, afzien van verhaal en overeenkomsten

Artikel 164 In verband met de toepassing van de bepalingen van artikelen 9 tot en met 135 en artikel 160 kan de Vlaamse Regering alle schikkingen, voorstellen tot concordaat inbegrepen, aannemen, dadingen sluiten, schuldvorderingen en zekerheden overdragen, der- den in haar rechten subrogeren, van verhaal afzien, afwijkingen toestaan en overeenkomsten sluiten. Artikel 165 Met behoud van de toepassing van artikel 164 kan de Vlaamse Regering in verband met de toepassing van de bepalingen van artikel 140 tot en met 145 alle schikkingen aannemen, afwijkingen toestaan en overeenkomsten afsluiten. AFDELING II Onteigening

Artikel 166 Met behoud van haar andere bevoegdheden in ver- band met onteigeningen, kan de Vlaamse Regering, voor de uitvoering van bodemsaneringswerken, op verzoek van de persoon die krachtens deze titel tot bodemsanering verplicht is of van de OVAM, over- gaan tot de onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen. De onteigening gebeurt op naam en voor rekening van de aanvrager.

[ 81 ] TITEL IV Bodembescherming 

HOOFDSTUK I Maatregelen ter bescherming van de bodem 

Artikel 167 De Vlaamse Regering kan maatregelen vaststellen ter bescherming van de bodem. Deze maatregelen kunnen algemene bindende voorschriften inzake het gebruik van de bodem inhouden. HOOFDSTUK II Instrumenten ter bescherming van de bodem AFDELING I Subsidieregeling Artikel 168 De Vlaamse Regering stelt de nadere regelen vast waarbinnen een administratieve overheid aanspraak kan maken op een subsidie ten behoeve van de uit- voering van maatregelen ter bescherming van de bodem. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaar- den waaraan de door de administratieve overheid uit te voeren maatregelen moeten beantwoorden om te kunnen worden gesubsidieerd, stelt de nadere pro- cedureregelen inzake de toekenning van de subsidies vast, en bepaalt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest in de kostprijs van de bedoelde maatregelen. De subsidies worden toegekend binnen de perken van de daartoe voorziene kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest.

[ 82 ] AFDELING II Steunregeling Artikel 169 Met behoud van de toepassing van de bestaande regelingen krachtens andere wetten, decreten en uit- voeringsbesluiten tot aanmoediging van de toepas- sing van maatregelen die mede de bescherming van de bodem beogen, kan de Vlaamse Regering voor- zien in een specifieke steunregeling tot aanmoediging van de toepassing door bodemgebruikers van maat- regelen ter bescherming van de bodem waardoor alleszins een hogere kwaliteit voor natuur en milieu wordt bereikt dan de basiskwaliteit. Met basis- kwaliteit voor natuur en milieu wordt die kwaliteit bedoeld die wordt bereikt door het naleven van de gebruikelijke goede landbouwmethoden, door het naleven van de eisen gesteld in artikelen 3, 4 en 5 van verordening 1782/2003 en door het naleven van voorschriften vastgesteld in regelgeving betreffende natuur en milieu. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud, de hoogte, de voorwaarden en de procedure van deze steun. AFDELING III Onteigening ten algemene nutte Artikel 170 Om redenen van bodembescherming kan het Vlaamse Gewest onroerende goederen verwerven door onteigening ten algemene nutte en kunnen de gemeenten en de provinciën door de Vlaamse Rege- ring hiertoe worden gemachtigd. De gemeenten kunnen in de gevallen bepaald door de Vlaamse Regering onroerende goederen verwer- ven door onteigening ten algemene nutte zonder dat een machtiging van de Vlaamse Regering vereist is.

[ 83 ] TITEL V Dwangmaatregelen, toezicht, strafbepalingen en verslag aan het Vlaams Parlement HOOFDSTUK I Dwangmaatregelen Artikel 171 §1. De OVAM is bevoegd om de eigenaars en de gebruikers van gronden waar een oriënterend bodem- onderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemon- derzoek, waterbodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van titel III, moeten worden uitgevoerd, het bevel te geven om de door de OVAM aangewezen personen op deze gronden toe te laten zodat ze ter plaatse de nodige verrichtingen kunnen doen. Bij de uitvoering van hun opdracht kunnen de personeelsleden van de OVAM de bijstand van de lokale en federale politie vorderen. §2. De OVAM kan het bevel geven om de door haar aangewezen personen toe te laten om een oriënte- rend bodemonderzoek, site-onderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, waterbodemonderzoek, bodemsa- nering of de andere maatregelen, vermeld in hoofd- stuk VI van titel III, uit te voeren of om over te gaan tot het nemen van monsters of tot het wegnemen of behandelen van verontreinigende stoffen, van een deel van de bodem of van gebouwen. §3.Wanneer dit nuttig is voor het oriënterend bodem- onderzoek, het site-onderzoek, het beschrijvend bodemonderzoek, het waterbodemonderzoek, de bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van titel III, kunnen de door OVAM aangewezen personeelsleden en de bodemsanerings- deskundigen of de personen die onder hun leiding of toezicht staan, delen of aanhorigheden van woonge- legenheden betreden mits voorafgaande schriftelijke machtiging door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

[ 84 ] HOOFDSTUK II Toezicht Artikel 172 §1. Met behoud van de bevoegdheid van de andere toezichthouders aangewezen krachtens andere wet- ten en decreten, oefenen de ambtenaren en de con- tractuele personeelsleden, aangewezen door de Vlaamse Regering, toezicht uit op de uitvoering van de bodemsanering en op de naleving van de bepalin- gen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. §2. De ambtenaren en contractuele personeelsleden, vermeld in §1, kunnen bij de uitoefening van hun opdracht: 1° elk onderzoek of elke controle en enquête instel- len, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten worden nageleefd; 2° inzage en afschrift nemen van documenten en andere informatiedragers waarvan inzage voor de vervulling van hun opdracht nodig is, een kopie ervan maken en ze tegen ontvangstbewijs in beslag nemen voor de tijd die vereist is voor hun onderzoek; 3° zonder kosten voorwerpen en stoffen voor onder- zoek meenemen of ter plaatse monsters nemen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de voorwaarden waaronder monsters worden genomen; 4° op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande waarschuwing, vrij alle gronden betreden waar aanwijzingen zijn dat bodemverontreiniging aanwezig is of waar een bodemsanering wordt uitgevoerd. Tot de delen of aanhorigheden van woongelegenheden hebben ze slechts toegang tussen vijf uur ‘s morgens en negen uur ‘s avonds en mits voorafgaande schrif- telijke machtiging van de voorzitter van de recht- bank van eerste aanleg; 5° zich laten vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangewezen op grond van hun spe- cifieke technische kennis;

[ 85 ] 6° mondeling of schriftelijk ter plaatse de staking van werkzaamheden of handelingen bevelen die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit decreet of van zijn uitvoeringsbesluiten; 7° alle maatregelen treffen om te voorzien in de toe- passing van het bevel tot staking van de werk- zaamheden; 8° in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale en federale politie vorderen; 9° in geval van overtredingen processen-verbaal opstellen die bewijskracht hebben tot het tegen- deel bewezen is. Op straffe van nietigheid wordt een afschrift van het proces-verbaal ter kennis gebracht van de overtreder binnen een termijn van veertien dagen na de vaststelling van de over- treding. HOOFDSTUK III Strafbepalingen Artikel 173 Met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 10 mil- joen euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft: 1° de persoon die de maatregelen of voorschriften vastgesteld bij of krachtens dit decreet over- treedt; 2° de persoon die de verplichting tot het aanvragen van een bodemattest en de mededeling van de inhoud ervan aan de verwerver voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden niet naleeft; 3° de persoon die de verplichting om een oriënterend bodemonderzoek, beschrijvend bodemonderzoek of waterbodemonderzoek niet naleeft; 4° de persoon die de verplichting om bodemsanering of de andere maatregelen opgelegd krachtens dit decreet uit te voeren niet naleeft; 5° de curator en de vereffenaar die de kennisgevings- verplichting, vermeld in artikel 123 niet naleeft;

[ 86 ] 6° de persoon die de verplichtingen, vastgesteld krachtens hoofdstuk XIII van titel III, niet naleeft; 7° de persoon die het bij of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert; 8° de persoon die geen gevolg geeft aan de opgelegde dwangmaatregelen. De bepalingen van hoofdstuk VII en artikel 85 van het Strafwetboek zijn van toepassing op de in dit artikel bepaalde overtredingen. HOOFDSTUK IV Verslag aan het Vlaams Parlement Artikel 174 De Vlaamse Regering brengt jaarlijks bij het Vlaams Parlement omstandig verslag uit over de uitvoering van het decreet. TITEL VI Overgangs-, opheffings- en inwerkingtredingsbepalingen Artikel 175 De bepalingen van artikel 37 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen zijn niet van toepassing op bodem en afval op of in de bodem die het voorwerp uitma- ken van een conformverklaard bodemsaneringspro- ject. Artikel 176 §1. Het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij het decreet van 22 december 1995, het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996, en de decreten van 20 decem- ber 1996, 26 mei 1998, 18 mei 2001, 18 december 2002, 27 juni 2003, 19 december 2003 en 16 juni 2006, wordt opgeheven.

[ 87 ] §2. Artikel 2 van het decreet van 22 december 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begro- ting 2001 wordt opgeheven. §3. In alle wetteksten waarin verwezen wordt naar het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering moet dit gelezen worden als een ver- wijzing naar dit decreet. Artikel 177 §1. Het beëindigen van de persoonlijke gebruiksrech- ten die werden aangegaan na 30 september 1996 en waarbij het aangaan van deze gebruiksrechten con- form de op dat ogenblik van kracht zijnde bepalin- gen van artikel 2, 18°, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering als een over- dracht van gronden werd beschouwd, behoudt zijn kwalificatie als een overdracht van gronden, voor zover de op dat ogenblik van kracht zijnde bepalin- gen betreffende de overdracht van gronden werden nageleefd op het ogenblik van het aangaan van deze gebruiksrechten. §2. De besluiten houdende erkenning als bodemsa- neringsdeskundige, getroffen krachtens artikel 3, §7, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, blijven van kracht. §3. De beslissingen van de OVAM waarbij geoor- deeld werd dat de saneringsplichtige persoon aan- toont dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikelen 10, §2, en 31, §2 en §3, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, blij- ven van kracht. Dit geldt eveneens voor de besluiten van de Vlaamse Regering, getroffen krachtens artikel 23 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, waarbij geoordeeld werd dat de saneringsplichtige persoon aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikelen 10, §2, en 31, §2 en §3, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering.

[ 88 ] Artikel 178 De bepalingen van dit decreet treden in werking op de data, die door de Vlaamse Regering worden bepaald. AANGENOMEN DOOR HET VLAAMS PARLEMENT, Brussel, 11 oktober 2006. De Voorzitter, De Secretarissen, De Griffier,

[ 89 ] Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Brussel,