Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen

Titel II. - De stichtingen

Art. 27.  Een stichting wordt opgericht door een rechtshandeling van één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen waarbij een vermogen wordt aangewend ter verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel. De stichting mag geen stoffelijk voordeel verschaffen aan de stichters, de bestuurders, of enig ander persoon, behalve, in dit laatste geval, indien dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel.
  De stichting kent geen leden noch vennoten.
  De stichting moet op straffe van nietigheid worden opgericht bij authentieke akte; indien deze laatste in de vorm van een testament gebeurt, dan kan de stichting giften bij testament verkrijgen niettegenstaande artikel 906, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Zij bezit rechtspersoonlijkheid onder de voorwaarden omschreven in deze titel. De notaris moet na onderzoek de naleving van de bepalingen van deze titel bevestigen. 
  Een stichting kan worden erkend als zijnde van openbaar nut indien zij gericht is op de verwezenlijking van een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard.
  Stichtingen die zijn erkend als zijnde van openbaar nut dragen de naam " stichting van openbaar nut ". De andere stichtingen dragen de naam " private stichting ".

Rechtsleer