Titel VII. - Afstamming - 
Hoofdstuk 4.- Vorderingen met betrekking tot de afstamming

Afdeling 1. - Algemeen

Art. 331. § 1. Alleen de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van het kind is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende de afstamming.
  § 2. Telkens als de afstamming wordt betwist, kunnen de strafrechtbanken en de andere gerechten eerst uitspraak doen nadat de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg omtrent de staat in kracht van gewijsde is getreden.

Art. 331bis. Rechtsvorderingen met betrekking tot de afstamming zijn niet ontvankelijk indien het kind niet levensvatbaar geboren is.

Art. 331ter. Wanneer de wet geen kortere termijn stelt, verjaren de vorderingen betreffende de afstamming door verloop van dertig jaar te rekenen van de dag waarop het bezit van staat geëindigd is, of, bij gebreke van bezit van staat, vanaf de geboorte, of te rekenen van de dag waarop het kind in het bezit van staat is gekomen overeenkomstig de staat die hem werd betwist, waarbij artikel 2252 onverkort van toepassing blijft.
Artikel 2253 is niet van toepassing.
De in dit artikel bepaalde verjaringstermijn geldt niet voor de op artikel 329bis gegronde vorderingen.


Art. 331quater. Van het vorderingsrecht betreffende de afstamming kan niet worden afgezien.

Art. 331quinquies. Erfgenamen kunnen de reeds begonnen rechtsvordering voortzetten, tenzij de verzoeker er uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan.

Art. 331sexies. Onverminderd artikel 329bis, § 2, tweede lid, en § 3, eerste lid, en artikel 332quinquies, worden de niet-ontvoogde minderjarige, de onbekwaamverklaarde en de wilsonbekwame, in gedingen betreffende hun afstamming, als eiser of als verweerder vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger en, indien er tegenstrijdigheid van belangen is, door een voogd ad hoc die aangewezen wordt door de voorzitter van de rechtbank op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings.

Art. 331septies. De rechtbanken beslechten de geschillen betreffende de afstamming waarvoor de wet geen regeling getroffen heeft, door de meest waarschijnlijke afstamming met alle rechtsmiddelen vast te stellen.
  Zo de andere bewijsmiddelen onvoldoende zijn, wordt het bezit van staat in aanmerking genomen.

Art. 331octies. De rechtbanken kunnen, zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methode gelasten.

Art. 331nonies. Het bezit van staat moet voortdurend zijn.
  Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.
  Die feiten zijn onder meer :
  - dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;
  - dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;
  - dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;
  - dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;
  - dat het kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;
  - dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt.

Art. 331decies. Rechterlijke beslissingen inzake afstamming kunnen worden tegengeworpen zelfs aan personen die geen partij waren in het geding; dezen kunnen echter derdenverzet instellen.
  In afwijking van artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtbank, zelfs ambtshalve, gelasten dat alle belanghebbenden jegens wie zij oordeelt dat de beslissing mede moet gelden, in het geding worden geroepen.