Titel VII. - Afstamming:

Hoofdstuk 6. - Vordering tot uitkering van levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding

Art. 336 : een uitkering tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding

Art. 337:
§ 1. persoonlijke vordering
§ 2. de erfgenamen van het kind
§ 3. Na het overlijden 

Art. 338:
§ 1. De eiser biedt de voorzitter van de rechtbank een verzoekschrift aan, bevattende een beknopte opgave van de feiten en vergezeld van de bewijsstukken, zo die er zijn.
  De voorzitter bepaalt dag en uur waarop de partijen voor hem moeten verschijnen. De oproeping geschiedt bij gerechtsbrief.
  § 2. Indien de verweerder het bestaan heeft erkend van de gemeenschap die tot grondslag dient van de vordering en indien de partijen het eens zijn over het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud, maakt de voorzitter daarvan proces-verbaal op.
  Indien de partijen het niet eens zijn of niet verschijnen, geeft de voorzitter een beschikking waarbij hij hen naar de rechtbank verwijst.
  § 3. Indien de verweerder bij de eerste verschijning voor de rechtbank enkel het bedrag betwist van de uitkering tot levensonderhoud, wordt de zaak naar de raadkamer verwezen en het vonnis uitgesproken in openbare terechtzitting.
  Indien de verweerder bij de eerste verschijning voor de rechtbank het bestaan betwist van de gemeenschap die tot grondslag dient van de vordering, wordt uitspraak gedaan volgens het gemeen recht.
  In hoger beroep wordt dezelfde rechtspleging gevolgd.

Art. 338bis. De vordering wordt afgewezen indien de verweerder door alle wettelijke middelen het bewijs levert dat hij de vader niet is.

Art. 339. Het bedrag van de uitkering wordt bepaald met inachtneming van de behoeften van het kind en de inkomsten, mogelijkheden en maatschappelijke toestand van de uitkeringsplichtige en van de moeder.
  De uitkering kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 209.

Art. 339bis. De last van de uitkering gaat over op de nalatenschap van de uitkeringsplichtige overeenkomstig artikel 205bis, §§ 3 en 4.
  De uitkering kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 209.

Art. 340. De uitkering is niet meer verschuldigd zodra de afstamming van vaderszijde vaststaat ten aanzien van een ander dan de uitkeringsplichtige of indien het kind geadopteerd wordt.

Art. 341. Een vonnis waarbij de verweerder krachtens artikel 336 wordt veroordeeld tot het betalen van een uitkering, heeft dezelfde gevolgen als de vaststelling van het vaderschap, wat de huwelijksbeletselen betreft.