Verdrag nopens de wet welke op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is

Opgemaakt te 's Gravenhage op 24 oktober 1956 en goedgekeurd bij Belgische Wet van 17 juli 1970 (B.S., 30 september 1970).
   De Staten die het Verdrag hebben ondertekend;
   Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen nopens de wet welke op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is;
   Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: (...)

Art. 1
   De wet van de gewone verblijfplaats van het kind bepaalt, of, in welke mate en van wie het kind onderhoud kan vorderen.
   In geval van verandering van de gewone verblijfplaats van het kind wordt de wet van de nieuwe gewone verblijfplaats toepasselijk te rekenen van het tijdstip waarop de verandering is ingetreden.
   Bedoelde wet bepaalt eveneens, wie bevoegd is de onderhoudsvordering in te stellen en binnen welke termijnen dit moet geschieden.
   Onder “kind” wordt voor de toepassing van dit Verdrag verstaan elk wettig, niet wettig of geadopteerd kind, dat ongehuwd is en niet de volle leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.


Art. 2
   In afwijking van het bepaalde in artikel 1 kan ieder der verdragsluitende Staten zijn eigen wet van toepassing verklaren, indien:
    a) het verzoek wordt gedaan of de vordering wordt ingesteld bij een autoriteit van die Staat,
    b) de persoon van wie onderhoud wordt gevraagd, alsmede het kind de nationaliteit van die Staat bezitten, en
    c) de persoon van wie onderhoud wordt gevraagd, zijn gewone verblijfplaats in die Staat heeft.



Art. 3
   In tegenstelling tot het hiervoren bepaalde wordt de wet, aangewezen door de nationale regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte autoriteit, toegepast in geval de wet van de gewone verblijfplaats van het kind hem elk recht op onderhoud onthoudt.


Art. 4
   De door dit Verdrag aangewezen wet kan slechts ter zijde worden gesteld, indien de toepassing van die wet kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de Staat waartoe de aangezochte autoriteit behoort.


Art. 5
   Dit Verdrag is niet van toepassing op onderhoudsverplichtingen tussen verwanten in de zijlijn.
   Het Verdrag regelt slechts de wetsconflicten ter zake van onderhoudsverplichtingen. De met toepassing van dit Verdrag gegeven beslissingen hebben geen invloed op vragen van afstamming en van familierechtelijke betrekkingen tussen schuldenaar en schuldeiser.


Art. 6
   Het Verdrag is slechts van toepassing in geval artikel 1 naar de wet van een van de verdragsluitende Staten verwijst.


Art. 7
   Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de Staten vertegenwoordigd op de Achtste Zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.
   Het zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
   Van iedere nederlegging van akten van bekrachtiging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift langs diplomatieke weg aan ieder der ondertekenende Staten wordt toegezonden.


Art. 8
   Dit Verdrag treedt in werking op de zestigste dag te rekenen van de nederlegging van de vierde akte van bekrachtiging, bedoeld in artikel 7, lid 2.
   Voor iedere ondertekende Staat die het Verdrag later bekrachtigt, treedt het in werking op de zestigste dag te rekenen van de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.


Art. 9
   Dit Verdrag is van rechtswege van toepassing in het moederland van de verdragsluitende Staten.
   Indien een verdragsluitende Staat de inwerkingtreding ervan wenst in alle of enige van de andere grondgebieden voor welker internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is, geeft hij van zijn voornemens daartoe kennis door een akte, die wordt nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland. Dit doet langs diplomatieke weg een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van die akte aan ieder der verdragsluitende Staten toekomen.
   Het Verdrag treedt in werking in de verhouding tussen de Staten die daartegen binnen zes maanden te rekenen van deze mededeling geen bezwaar maken en het grondgebied of de grondgebieden voor welker internationale betrekkingen de betrokken Staat verantwoordelijk is en waarvoor de kennisgeving is gedaan.


Art. 10
   Iedere Staat die niet vertegenwoordigd is geweest op de Achtste Zitting van de Conferentie, kan tot dit Verdrag toetreden, tenzij een of meer Staten die het Verdrag hebben bekrachtigd, zich daartegen verzetten binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de mededeling van deze toetreding, gedaan door de Nederlandse Regering. De toetreding geschiedt op de wijze bedoeld in artikel 7, lid 2.
   Het is welverstaan, dat toetredingen eerst kunnen geschieden na de inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens artikel 8, eerste lid.


Art. 11
   Iedere verdragsluitende Staat kan zich bij de ondertekening of de bekrachtiging van of bij de toetreding tot dit Verdrag voorbehouden het Verdrag niet toe te passen op geadopteerde kinderen.


Art. 12
   Dit Verdrag blijft gedurende vijf jaren van kracht, te rekenen van de datum aangegeven in artikel 8, eerste lid, van dit Verdrag.
   Deze termijn begint van die datum af te lopen, zelfs voor de Staten die later hebben bekrachtigd of zijn toegetreden.
   Het Verdrag wordt, behoudens opzegging, stilzwijgend telkens voor vijf jaren verlengd.
   De opzegging moet ten minste zes maanden voor het einde van de termijn ter kennis worden gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland, dat daarvan aan alle andere verdragsluitende Staten mededeling zal doen.
   De opzegging kan zich beperken tot de grondgebieden of tot bepaalde grondgebieden, aangegeven in een kennisgeving gedaan overeenkomstig artikel 9, lid 2.
   De opzegging heeft slechts gevolg ten opzichte van de Staat die haar ter kennis heeft gebracht. Het Verdrag blijft van kracht voor de andere verdragsluitende Staten.


Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
   Gedaan te 's-Gravenhage, de 24e oktober 1956, in een enkel exemplaar, dat zal worden neergelegd in de archieven der Nederlandse Regering en waarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift langs diplomatieke weg zal worden toegezonden aan elk der Staten vertegenwoordigd op de Achtste Zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, alsmede aan de Staten die later toetreden.