erfgenaam
Wetboek van Successierechten : Hoofdstuk VII : Bewijsmidelen - Afdeling II : Bijzondere bewijsmiddelen

Artikel 108 :

De eis tot betaling van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, alsmede van de boeten wegens gebrek aan aangifte of wegens niet-aangifte van enig roerend of onroerend goed, is, tot levering van het tegenbewijs, voldoende vastgesteld bij de door de afgestorvene te zijnen bate of op zijn verzoek verleden akten van eigendom.

Edoch, ten opzichte der roerende goederen waarop artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek betrekking heeft, bestaat het door vorige alinea gevestigd wettelijk vermoeden slechts op voorwaarde dat de akten niet reeds sedert meer dan drie jaar vòòr het overlijden bestaan; in het tegenovergesteld geval, kan het bestaan van bedoelde akten door het bestuur enkel ingeroepen worden als een element van vermoeden, overeenkomstig artikel 105.

Verkoop van een onroerend goed in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het overlijden

Klassieke voorbeeld. De overledene heeft in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het overlijden een onroerend goed verkocht.
    In de verkoopakte heeft hij de verkoopprijs ontvangen. De fiscus zal bij het overlijden aan de erfgenamen vragen om te bewijzen waar het geld naartoe is omdat de fiscus weet dat de overledene zijn onroerend goed heeft verkocht. De verkoopakte wordt immers geregistreerd.
    Indien de erfgenamen kunnen bewijzen dat het geld nog aanwezig is op naam van de overledene of dat de overledene er beschikkingen ten bezwarende titel mee heeft gedaan, zullen de erfgenamen niet getroffen worden door het successierecht. Maar indien de erfgenamen dit bewijs (door overlegging van de bankrekeninguittreksels) niet (wensen) te leveren, zal het successierecht verschuldigd zijn op de verkoopprijs omwille van het (weerlegbaar) vermoeden van artikel 108.

Zelfde voorbeeld maar waarbij de verkoopprijs zonder betaling van registratierecht aan de erfgenamen werd geschonken. Er zullen dan toch successierechten op de schenking verschuldigd zijn krachtens artikel 7.