schenking
Wetboek van Successierechten: Hoofdstuk I : Vestiging van de rechten - (Fictiebepalingen)

Artikel 7 anno 2007:

De goederen, waarover, naar het door het bestuur geleverd bewijs, de afgestorvene kosteloos beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, indien de bevoordeling niet onderworpen werd aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen, behoudens verhaal van de erfgenamen of legatarissen op de begiftigde voor de wegens die goederen gekweten successierechten.

Wanneer er door het bestuur of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling een bepaalde persoon gold, wordt deze voor legataris van de geschonken zaak gehouden.

Commentaar

Schenkingen in de periode van 3 jaren voor het overlijden

Zonder artikel 7 zouden de stervende zijn roerende goederen kunnen wegschenken kort voor zijn overlijden zonder het registratierecht op schenkingen te betalen.

Ingevolge artikel 7 komen al de schenkingen waarop geen registratierechten werden betaald terecht in het actief der nalatenschap ingevolge een juridische fictie. Immers, strikt genomen zijn de goederen voor het overlijden geschonken en zitten ze dus strikt juridische gezien niet meer in het vermogen van de overledene. Burgerrechtelijk is dit zo, maar ficaal inzake successierecht neemt men fictief aan dat deze geschonken goederen toch nog deel uitmaken van de balastbare massa.

De schenkingen waarop wel registratierechten werden betaald (of hadden moeten betaald worden) moeten vermeld worden in de aangifte van nalatenschap. Hier zal dan weer het progressievoorbehoud spelen.

Al deze schenkingen hebben gemeen dat het alleen gaat om schenkingen die gedaan werden in de periode van 3 jaar voorafgaand aan de dag van overlijden.