Belgische Hof van Cassatie 8 oktober 1992

  Dat, nu de schenkingen met voorbehoud van het vruchtgebruik aan een erfgerechtigde in de rechte lijn derhalve onder de toepassing vallen van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, de tweede zin van die tekst de overige erfgerechtigden in de rechte lijn die in die schenkingen hebben toegestemd niet toelaat de toerekening op het beschikbaar gedeelte en de eventuele inkorting ervan te vorderen;
  Dat het arrest, door te beslissen dat de toestemming van de eiseressen in de akte van schenking van 10 maart 1957 een afstand was van hun voorbehouden erfdeel op de goederen die met voorbehoud van het vruchtgebruik waren geschonken, een juiste toepassing heeft gemaakt van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het door de wet van 4 januari 1960 is uitgelegd; dat in zoverre die toepassing afwijkt van andere in het midden aangewezen wetsbepalingen, die afwijkingen niet onwettig kunnen zijn, daar de wetgever ze heeft gewild;
  Dat het onderdeel faalt naar recht;
 
Wat het tweede onderdeel betreft :
  Overwegende dat, krachtens artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, eiseressen, die hebben toegestemd in de schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik die hun moeder aan verweerder had gedaan, noch de toerekening van de geschonken goederen op het beschikbaar gedeelte van de nalatenschap van hun moeder, noch de eventuele inkorting van die schenking in zoverre ze dat gedeelte zou overschrijden, kunnen vorderen;
  Overwegende dat artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek slechts in de fictieve samenvoeging van de door de erflater geschonken goederen bij de massa van de goederen die aanwezig waren bij het overlijden voorziet met het oog op de eventuele inkorting van de schenkingen die het beschikbaar gedeelte van de nalatenschap zouden overschrijden;
  Dat, nu de schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik aan verweerder niet vatbaar is voor toerekening op het beschikbaar gedeelte of voor inkorting, het hof van beroep, door te beslissen dat er geen grond bestaat om de geschonken goederen fictief bij de massa van de nalatenschap te voegen, een juiste toepassing van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek heeft gemaakt, zonder artikel 922 van dat wetboek te schenden;
  Dat het onderdeel faalt naar recht;
 
Wat het derde onderdeel betreft :
  Overwegende dat uit zijn bewoordingen blijkt dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het door de wet van 4 januari 1960 is uitgelegd, niet van toepassing is op alle vervreemdingen om niet, maar alleen op die welke zijn gedaan, hetzij met last van een lijfrente of van verplichtingen om iets te doen, hetzij met voorbehoud van het vruchtgebruik; dat als een vervreemding om niet, gedeeltelijk, aan een van die laatste voorwaarden voldoet, artikel 918 niet van toepassing is op het geheel van de geschonken goederen maar op het gedeelte van die goederen dat geschonken is met voorbehoud van het vruchtgebruik of met de tegenprestatie van een lijfrente of van een verplichting om iets de doen;
  Dat het arrest, nu het heeft vastgesteld dat het voorbehoud van het vruchtgebruik slechts betrekking had op een gedeelte van de geschonken goederen, artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek schendt door te beslissen dat die bepaling van toepassing is op het geheel van de goederen van de schenking;
  Dat het onderdeel gegrond is;
 
Volledige tekst van het arrest van 8 otober 1992.