Belgische Hof van Cassatie 8 oktober 1992

VOLLEDIGE TEKST VAN HET ARREST
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 12 december 1990 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
  Over het middel : schending van de artikelen 913, 918, 920, 921, 922 en 1130 van het Burgerlijk Wetboek,
  doordat het arrest beslist dat : "1) de litigieuze schenking van de in de notariële akte van 10 maart 1957 bedoelde goederen niet op het beschikbaar gedeelte zal worden toegerekend en, derhalve, evenmin onderworpen is aan een eventuele inbreng van het overschot in de massa, 2) de opdracht van de deskundige Hébrant zal worden beperkt in de mate dat de in de schenkingsakte van 10 maart 1957 beschreven goederen niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling van het gevoeglijk in natura te verdelen karakter van de goederen van de nalatenschap van Juliette Lemaire", op grond dat : "uit de wettekst (van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek) volgt dat de toestemming van de mede-erfgerechtigden in de akte een afstand is van hun voorbehouden erfdeel op de geschonken goederen. Daar zij zowel van de toerekening van de waarde van het goed op het beschikbaar gedeelte als van de inbreng van het eventuele overschot afstand doen, zij zich vrijwillig en logisch het recht hebben ontzegd om de verrichtingen te doen waardoor zij hun voorbehouden erfdeel zouden kunnen vrijwaren. ... het hof (van beroep) derhalve van oordeel is dat, volgens de laatste zin van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, de toerekening op het beschikbaar gedeelte van de geschonken goederen niet kan worden gevorderd door degenen onder de overige erfgerechtigden in de rechte lijn die in de vervreemding hebben toegestemd. Er anders over beslissen alle betekenis zou ontnemen aan die zin, daar immers het toestaan van de toerekening door fictieve samenvoeging van de geschonken goederen bij de massa van de nalatenschap, zoals de eerste rechters dat hebben beslist, er in feite op neerkomt die erfgerechtigden - die nochtans met volle kennis van zaken hun toestemming hebben gegeven - in staat te stellen de eventuele inbreng van het overschot in de massa te vorderen en voormelde definitieve regeling van de nalatenschap te doen mislukken. (...)" "de (eiseressen) in de akte van 10 maart 1957 zijn tussengekomen om, enerzijds, elk uitdrukkelijk een bedrag van vijfhonderdduizend frank van de schenkster (last van de schenking) te aanvaarden en, anderzijds, hun volledige toestemming in die schenking te geven en er uitdrukkelijk van af te zien om, hetzij de toerekening (onderstreept in de tekst door het hof van beroep) op het beschikbaar gedeelte, hetzij de inbreng van de geschonken goederen bij de regeling van de nalatenschap van de schenkster te vorderen. Gelet op zo duidelijke en uitdrukkelijke bewoordingen, (eiseressen) die opvatting tevergeefs bestrijden met te zeggen dat zij die toestemming niet zouden hebben gegeven als zij daarvan de volledige draagwijdte hadden kunnen beseffen. (...) De subsidiaire stelling van (eiseressen) dat het voorbehoud van het vruchtgebruik slechts betrekking heeft op een gedeelte van het woonhuis en de helft van de handelsruimten evenmin kan worden aangenomen, daar de tekst van artikel 918, in fine van toepassing is zodra er volledig of slechts gedeeltelijk voorbehoud van het vruchtgebruik op het vervreemde goed is gemaakt, vermits in de wet geen beperking of onderscheid voorkomt. (Eiseressen) derhalve de tekst uitbreiden door te stellen dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek te dezen slechts gedeeltelijk kan worden toegepast. Daaruit volgt dat het hoger beroep gegrond is in zoverre de eerste rechters, ten onrechte, hebben beslist dat de goederen van de schenking van 10 maart 1957 door toerekening moesten worden samengevoegd om de massa van de nalatenschap samen te stellen en de deskundige Hébrant opdracht hebben gegeven
 om de onroerende goederen te ramen zoals ze in de akte van schenking onder de levenden nader zijn bepaald",
  terwijl, eerste onderdeel, artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek onweerlegbaar vermoedt dat, behoudens toestemming in de akte door mede-erfgerechtigden in de rechte lijn, vervreemdingen, om niet of onder bezwarende titel, met voorbehoud van het vruchtgebruik, met afstand van het kapitaal of met last van een lijfrente, die aan een erfgerechtigde in de rechte lijn zijn verleend zonder meer schenkingen in volle eigendom zijn; de mede-erfgerechtigden door hun toestemming in de akte, vooraf, afstand doen van een beroep op het te hunnen voordele ingestelde vermoeden, door te erkennen dat de akte de erin vermelde verrichting eerlijk en oprecht vaststelt; de toestemming in de akte, vooraf daarentegen, niet geldt als een vervroegde afstand door de mede-erfgerechtigden van hun voorbehouden erfdeel op de vervreemde goederen, van hun recht op toerekening van de goederen op het beschikbaar gedeelte en van hun recht om de inkorting te vorderen in geval van aantasting van hun voorbehouden erfdeel wanneer de vervreemding, waarin ze hebben toegestemd, om niet geschiedt; daaruit volgt dat het arrest, door aan de toestemming van de eiseressen in de akte van 10 maart 1957 een dergelijke verruimde draagwijdte toe te kennen, van de tweede zin van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek een uitlegging geeft die ze niet kan hebben en, benevens miskenning van die wetsbepaling, bijgevolg de bepalingen van openbare orde inzake het voorbehouden erfdeel schendt (schending van de artikelen 913, 920, 921 en 922 van het Burgerlijk Wetboek) en gevolgen toekent aan een onwettig beding inzake een toekomstige nalatenschap (schending van artikel 1130 van het Burgerlijk Wetboek);
  tweede onderdeel, artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek, voor de bepaling van de massa ter berekening van het voorbehouden erfdeel en van het beschikbaar gedeelte, bepaalt dat alle goederen waarover de erflater onder de levenden heeft beschikt moeten worden gevoegd bij de goederen die bij het overlijden aanwezig waren; een schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik, wegens de toestemming door een mede-erfgerechtigde in de akte, overeenkomstig de tweede zin van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, niet haar karakter van schenking onder de levenden verliest; het arrest, door te beslissen dat in de berekeningsmassa van artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek geen rekening mag worden gehouden met de in de akte van 10 maart 1957 vastgestelde schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik, de artikelen 918 en 922 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
  derde onderdeel, artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de vervreemdingen met last van een lijfrente, met afstand van het kapitaal of met voorbehoud van het vruchtgebruik en niet op de schenkingen in volle eigendom; wanneer goederen gedeeltelijk met voorbehoud van het vruchtgebruik en gedeeltelijk in volle eigendom worden geschonken, artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek alleen wordt toegepast op het gedeelte van de goederen dat met voorbehoud van het vruchtgebruik is geschonken; bijgevolg het arrest, door te beslissen dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek alleen wordt toegepast op het gedeelte van de goederen dat met voorbehoud van het vruchtgebruik is geschonken; bijgevolg het arrest, door te beslissen dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek ook van toepassing is op het gedeelte van de goederen dat volgens de akte van 10 maart 1957, in volle eigendom aan verweerder is geschonken, die wetsbepaling schendt :
  Wat het eerste onderdeel betreft :
  Overwegende dat het arrest vaststelt dat, bij akte van 10 maart 1957, de moeder van verweerder, die in 1979 is overleden, hem bepaalde goederen met voorbehoud van het vruchtgebruik van een gedeelte ervan heeft geschonken en dat eiseressen, als andere erfgerechtigden in de rechte lijn, in de akte zijn tussengekomen om hun toestemming in die schenking te geven;
  Overwegende dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, in zijn te dezen toepasselijke bewoordingen, luidt : "De waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn vervreemd zijn, hetzij met last van een lijfrente, hetzij met afstand van het kapitaal, of met voorbehoud van het vruchtgebruik, wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte, en het overschot, indien er een is, wordt in de massa ingebracht. Deze toerekening en deze inbreng kunnen niet gevorderd worden door degenen onder de overige erfgerechtigden in de rechte lijn die in deze vervreemdingen hebben toegestemd ...";
  Overwegende dat de wet van 4 januari 1960 tot interpretatie van dat artikel 918 bepaalt dat de uitdrukking "goederen die ... vervreemd werden" toepasselijk is "op elke vervreemding, hetzij om niet of onder bezwarende titel";
  Dat, nu de schenkingen met voorbehoud van het vruchtgebruik aan een erfgerechtigde in de rechte lijn derhalve onder de toepassing vallen van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, de tweede zin van die tekst de overige erfgerechtigden in de rechte lijn die in die schenkingen hebben toegestemd niet toelaat de toerekening op het beschikbaar gedeelte en de eventuele inkorting ervan te vorderen;
  Dat het arrest, door te beslissen dat de toestemming van de eiseressen in de akte van schenking van 10 maart 1957 een afstand was van hun voorbehouden erfdeel op de goederen die met voorbehoud van het vruchtgebruik waren geschonken, een juiste toepassing heeft gemaakt van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het door de wet van 4 januari 1960 is uitgelegd; dat in zoverre die toepassing afwijkt van andere in het midden aangewezen wetsbepalingen, die afwijkingen niet onwettig kunnen zijn, daar de wetgever ze heeft gewild;
  Dat het onderdeel faalt naar recht;
  Wat het tweede onderdeel betreft :
  Overwegende dat, krachtens artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, eiseressen, die hebben toegestemd in de schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik die hun moeder aan verweerder had gedaan, noch de toerekening van de geschonken goederen op het beschikbaar gedeelte van de nalatenschap van hun moeder, noch de eventuele inkorting van die schenking in zoverre ze dat gedeelte zou overschrijden, kunnen vorderen;
  Overwegende dat artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek slechts in de fictieve samenvoeging van de door de erflater geschonken goederen bij de massa van de goederen die aanwezig waren bij het overlijden voorziet met het oog op de eventuele inkorting van de schenkingen die het beschikbaar gedeelte van de nalatenschap zouden overschrijden;
  Dat, nu de schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik aan verweerder niet vatbaar is voor toerekening op het beschikbaar gedeelte of voor inkorting, het hof van beroep, door te beslissen dat er geen grond bestaat om de geschonken goederen fictief bij de massa van de nalatenschap te voegen, een juiste toepassing van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek heeft gemaakt, zonder artikel 922 van dat wetboek te schenden;
  Dat het onderdeel faalt naar recht;
  Wat het derde onderdeel betreft :
  Overwegende dat uit zijn bewoordingen blijkt dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het door de wet van 4 januari 1960 is uitgelegd, niet van toepassing is op alle vervreemdingen om niet, maar alleen op die welke zijn gedaan, hetzij met last van een lijfrente of van verplichtingen om iets te doen, hetzij met voorbehoud van het vruchtgebruik; dat als een vervreemding om niet, gedeeltelijk, aan een van die laatste voorwaarden voldoet, artikel 918 niet van toepassing is op het geheel van de geschonken goederen maar op het gedeelte van die goederen dat geschonken is met voorbehoud van het vruchtgebruik of met de tegenprestatie van een lijfrente of van een verplichting om iets de doen;
  Dat het arrest, nu het heeft vastgesteld dat het voorbehoud van het vruchtgebruik slechts betrekking had op een gedeelte van de geschonken goederen, artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek schendt door te beslissen dat die bepaling van toepassing is op het geheel van de goederen van de schenking;
  Dat het onderdeel gegrond is;
  Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de goederen die bij notariële akte van 10 maart 1957 zonder voorbehoud van het vruchtgebruik zijn geschonken; verwerpt de voorziening voor het overige; veroordeelt eiseressen in het derde van de kosten van hun voorziening; houdt het overige van de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.